GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (2)
Johannes Calvijn.
Johannes Calvijn werd den 10den Juli 1509 in den kleine bisschopsstad Noyon in Picardië (N-Frankrijk) uit welgestelde Fransche ouders geboren en ontving een goede opvoeding, in een omgeving waar hij zich van der jeugd aan de beschaafde normen eigen kon maken. Nauwelijks 14 jaar oud, werd hij in Augustus 1523 naar Parijs gezonden, om, naar den wensch van zijn vader, in de rechtswetenschap te gaan studeeren, hoewel hij zelf liever de studie der godgeleerdheid zou hebben gekozen.
Met onvermoeiden ijver en met ijzeren wilskracht verdiepte Calvijn zich in de wetenschap: tot diep in de nacht studeerde hij en was dikwijls des morgens reeds vroeg weer aan den arbeid. Hij had een goed geheugen en als een echte Fransman hield hij van orde en methode, begaafd met zin voor schoonheid en manieren. De professoren waardeerden hem, te Orléans zoo, dat hij dikwijls meer leeraar dan leerling was; eershalve werd hem het doctoraat toegekend. Na den dood van zijn vader, 26 mei 1531, begaf Calvijn zich opnieuw naar Parijs. Hier gaf hij de eerste vruchten zijner studie: een commentaar op de twee boeken van Seneca over de zachtmoedigheid (4 mei 1532). Het bleek, hoe vertrouwd hij was met de Grieksche en Latijnsche schrijvers, hoe keurig en zuiver hij zijn gedachten kon uitdrukken: en van alle zijden werd dit geschrift dan ook gewaardeerd; het vestigde zijn naam als geleerde.
Calvijn, die vroeger reeds twijfelingen aangaande de waarheid van den Roomsche kerk kende, stond geheel op humanistisch standpunt, maakte van de H. Schrift en de Kerkvaders slechts een spaarzaam gebruik, maar zijn studiën betreffende de klassieke talen zijn hem later tot groot nut geweest.
Want het heeft meegewerkt, dat hij later zijn fijn taalgevoel en zijn gloedvollen stijl, met veel juridische, litterarische en theologische kennis, in dienst heeft kunnen stellen van het Evangelie en de zaak des Heeren in den uitgebreidsten zin.
Hoe de innerlijke, geestelijke ontwikkeling met bekeering tot God heeft plaats gehad bij Calvijn, ligt voor een groot deel voor ons in het duister. Calvijn was er de man niet naar om in bizonderheden deze dingen in het publiek uit te dragen. Wel schrijft hij in zijn brief aan kardinaal Sadolet (opnieuw uitgegeven bij J.M. Bredeé te Rotterdam), dat hij eerst aanstoot genomen had aan de evangelische leer en dat eerst laat, na lang weerstand geboden te hebben, haar had aangenomen, maar toen haar van ganscher harte had lief gekregen.
In de Voorrede van zijn commentaar op de Psalmen vergelijkt hij zich met David en verhaalt
hoe zijn vader eerst andere plannen met hem had gehad, doch dat de Heere in Zijn aanbiddelijke voorzienigheid zijn leven in andere richting had gestuurd. Hij verhaalt dan verder, dat hij hardnekkig het bijgeloof van het pausdom had willen vasthouden, maar dat de Heere hem van de dwaling zijns wegs had bekeerd.
„Nadat ik zoo — schrijft hij — „een zekeren smaak der ware vroomheid had ontvangen, ontbrandde ik met zoo grootere ijver om voort te schrijden, dat ik de overige studiën wel niet geheel opgaf, maar wat meer koel voort zette. En nog was het jaar (bedoeld is 1533) niet voorbij, toen allen, die naar de zuivere leer velangden, tot mij, den nieuweling kwamen, om van mij te leeren".
Deze ommekeer in het jaar 1533 was een algeheele verandering, een breken met de idealen, die tot nu toe voor zijn geest leefden en 't begin van een nieuw leven met nieuwe levensidealen.
Na Allerheiligendag van 't jaar 1533 moet hij vluchten, daar er aan de Universiteit te Parijs — waar de geest der Hervorming rondging — groote beroering kwam naar aanleiding van een rectorale rede van prof. Nic. Cop, van welke redevoering, met reformatorische beginselen doortrokken, Calvijn de schuld kreeg.
Van nu af begint zijn onrustig zwervend leven. Overal waar hij kwam, wees de pelgrim, die geen rust meer had in zijn eigen land, de verdrukte Gereformeerden op de ruste, die er overblijft voor het volk van God; om intusschen den zwerftocht door het leven voort te zetten, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus, van Wien Galvijn getoofde, dat Hij door den Vader was gezalfd tot een eeuwigen Koning, om te heerschen over alles.
In den nacht van 17 op 18 October 1534 werden er plotseling in Parijs overal plakkaten tegen de mis en de misbruiken van de Roomsche Kerk aan geplakt, zelfs aan de deuren van de koninklijke slaapvertrekken. Dat deed een hevige vervolging losbarsten en Calvijn vluchtte in Februari 1535 over Straatsburg naar Bazel.
Hier voltooide hij in de stille eenzaamheid zijn boek de Institutie of Onderwijzing in de Christelijke Religie (Institutio Christianae religionis), dat in Maart 1536 te Bazel, in de Latijnsche taal, het licht zag. Het was toen ongeveer een vierde van zijn lateren omvang.
De oorspronkelijke bedoeling van di boek was voor zijn Fransche landgenooten — in 1541 volgde een Fransche vertaling — een kleine schets van een leerboek voor geloofsleer en enkele onderwijizingen in de ware godsvrucht te geven en met dit boek de christenen toe te leiden tot meer onderzoek en betere kennis van de H. Schrift. Dat dit laatste ook mee zijn doel is geweest om, als een echt gereformeerde, alles en allen terug te leiden tot Gods Woord blijkt vooral uit de Voorrede welke we vinden in de uitgebreide en door Calvijn zelf bewerkte uitgave van 1559. Daar lezen we in het woord aan de Lezers (door ons hier verkort weergegeven): „Telkens heb ik bij een nieuwe uitgave mij beijverd deze te verbeteren en uit te breiden. Daar ik meende, dat mij door de derdendaagsche koorts de dood werd aangekondigd, heb ik mij, hoemeer de dood naderde, te minder gespaard, totdat ik dit boek voleindigd had. Mijn doel is geweest hen, die zich aan de studie der H. Oodgdeerdheid hebben gewijd, tot het dezen van Gods Woord zóó voor te bereiden en zóó toe te leiden, dat zij een gemakkelijken toegang tot de H. Schrift zouden verkrijgen en zonder struikelen daarin zouden kunnen voortwandelen. Want ik heb, naar ik meen, de hoofdsom van den godsdienst in alle delen zóó te zamen gevat en ook elk onderdeel zóó op deszelfs plaats gesteld, dat het hem, die dit recht zal hebben begrepen, nu niet moeilijk zal vallen vast te stellen èn wat hij in de Schrift heeft te zoeken èn tot welk doel hij 't gebruiken moet". Hieruit blijkt, dat Calvijn uit de Heilige Schrift zijn stelsel heeft opgebouwd en dat zijn ideaal was de christenen te leeren over gansch het levensgebied, met al zijn vertakkingen, naar Schriftuurlijke beginselen te leven.
Men moet den machtigen geest van Calvijn bewonderen, dat hij, pas 26 jaar oud, zulk een kostelijk boek (1ste uitgave) kon schrijven, en dat hij toen reeds zóó gevormd en beslist in zijn oordeel was, dat hij bij de latere uitgaven, ja, wel uitbreiding gaf, maar toch geen woord behoefde te herroepen van het vroeger geschrevene.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's