De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Zielsziekte.

8 minuten leestijd

„Ik zeide: O Heere ! wees mij genadig; genees mijne ziel, want ik heb tegen U gezondigd". Psalm 41 vers 5.

Wie wel eens ziek geweest is of het misschien nog is, zal van deze bevinding van David, die door hem in dezen psalm vertolkt wordt, door eigen ervaring kunnen meespreken. Hoe goed kan 't doen, wanneer trouwe vrienden door oprecht medelijden gedrongen, ons komen opzoeken en — zooals David in 't eerste vers het uitdrukt — zich verstandiglijk gedragen jegens - een ellendige.
Hoe bitter daarentegen is het, als valsche vrienden en bedekte vijanden in schijn belangstelling toonen om achter onzen rug, buiten, schandelijk te spreken en te handelen. Wat kon Job daarvan meepraten! Hij moest het immers ook ondervinden, dat zijn vrienden zich maar niet konden voorstellen dat zijn vreemde kwaal en tegenspoed niet het gevolg zouden zijn van het een of ander gruwelstuk, door hem bedreven. Wat wordt het lijden van een zieke soms niet verzwaard, doordat het wel lijkt alsof men op zijn dood wacht. Zooals David zegt: „Mijne vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?" De zucht naar sensatie maakt 't zoo graag erger en „spreekt valschheid", alleen maar om wat te spreken te hebben.
Gelukkig daarom de mensch, die zooals David, „niet op prinsen vertrouwt, op des menschen kind, bij hetwelk geen heil is", maar die „den God Jacobs tot zijn hulp heeft; wiens verwachting is op den Heere zijnen God".
Voordat echter dit geloofsvertrouwen in de ziel geboren wordt, moet noodzakelijk vooraf gaan die smeeking van het toevluchtnemend arme zondaarsgeloof: O Heere, wees mij genadig; genees mijne ziel. En de tollenaarsbede rijst alleen op uit een door schuld verslagen hart, dat belijdenis doet: want ik heb tegen U gezondigd.
De zonde is de zielsziekte, waaraan ieder mensch lijdt, geen enkele uitgezonderd: „Want er is geen onderscheid", zegt de apostel Paulus. „Allen hebben gezondigd". Een besmettelijke ziekte is de zonde, in zo' n hevige mate, dat niemand er aan ontkomt. Niet alleen dat de schuld der zonde, door Adam in het paradijs, bedreven, al zijn nakroost wordt aangerekend, maar ten gevolge der besmetting zijn alle menschenkinderen volkomen machteloos en willoos en lusteloos ten opzichte van wat waarlijk goed is en waar en schoon; van God en het leven in Zijn gemeenschap, waarin het hoogste geluk voor den mensch bestaat, zijn ze een vijand. Zoo als het einde van alle lichaamskwaal, wanneer zij doorwerkt, de tijdelijke dood is, zoo is het einde der zonde, tenzij dit afgewend wordt, de eeuwige dood. De symptomen dezer zielsziekte, de openbaringsvormen der zonde zijn onbepaald verscheiden, al kunnen ze in een paar algemeene omschrijvingen worden samengevat. Al de ongemakken des lichaams zijn voorbeelden van de verschillende vormen, waaronder de zonde zich openbaart. Verlamming, blindheid, doofheid, het zijn, al zinnebeelden der zonde.
Toch mag niet worden vergeten, dat zonde meer is dan menschelijke onvolkomenheid alleen, zooals men wel eens heeft voorgesteld. Dan immers zou men door het volgen van een bepaalden levensregel de zonde kunnen kwijt raken; de zonde zou door invloed van menschen kunnen worden uitgedreven.
Maar néén: Gods Woord, „dat vast en zeker is en slechten wijsheid leert", zegt ons dat de zonde zoowel door den Rechter moet worden behandeld, als door den Heelmeester; ja, door den Rechter eerst, vóórdat de Heelmeester er aan te pas komen kan; — immers de volgorde van het kwaad, in 't paradijs bedreven, was: eerst de schuld door de overtreding van het proefgebod en dan de ellende daarop volgende, en dus kan de volgorde in de remedie ook geen andere zijn dan: eerst vergiffenis en dan genezing. Daarom bidt ook David eerst: Wees mij genadig, en dan: genees mijne ziel.
Hij roept daartoe den Heere aan en waarlijk, als het ons er om te doen is om van de schuld en den ellende der zonde af te komen, dan hebben we tot God alleen ons te wenden. Schuld vergiffenis en verlossing; rechtvaardigmaking en heiligmaking, het ligt alles in Gods handen. „Geen mensch zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode Zijn rantsoen niet kunnen geven", zegt David in den 49en Psalm. Niet, dat het niet geprobeerd wordt; op velerlei wijze tracht de mensch zichzelf te verlossen, maar „zij genezen de breuk van de dochter mijns volks op het lichtste, zeggende: vrede, vrede, doch, daar is geen vrede". Zoo was 't in Jeremia's tijd en zoo is het nog altijd. En dat, waar de Heere zoo met allen nadruk spreekt in Zijn Woord: „Ik ben de Heere, uw Heelmeester". Geen andere raad is er dus voor wie zich zijner zoude bewust is geworden, dan die van den apostel Jacobus: „Naakt tot God en Hij zal tot u naken".
Dat is goede tijding voor een vermoeide ziel! God is niet enkel de alleen machtige om te helpen, maar Hij is ook gewilig. „De Heere heeft geen lust in den dood des goddeloozen, maar daarin heb Ik lust", zoo klinkt Zijn Woord door den mond van Ezechiël, „dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve". Onze zielsziekte is niet Zijn schuld, maar de onze; maar onze genezing staat alleen bij Hem, die doodt, maar die ook levend maakt. In Zijne grondelooze ontferming heeft Hij Zelf het geneesmiddel toebereid: Zijn eigen Zoon, die in de volheid des tijds in de wereld is gekomen om Zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen. O, dierbaar Evangelie: „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid gezien", juicht Johannes. „God is getrouw. Die het ook doen zal". In Christus Jezus en Dien gekruisigd is in vervuling gegaan, wat Jesaja al geprofeteerd had: „Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid". Onze krankheden heeft Hij op zich genomen en onze smanten heeft Hij gedragen. Om onze overtredingen is Hij verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden". Maar — O gruwel der zonde — de mensch is aan zijn toestand zoo gewoon geraakt, dat hij zijn ziekte voor gezondheid houdt; „een iegelijk was als verbergende zijn aangezicht voor Hem", zegt Jesaja. Daarom openbaart zich de zielsziekte. Juist, dat de mensch het niet erkennen wil, dat hij ziek is; dat hij het eenige geneesmiddel dat hem baten kan niet begeert, maar zich liever met kwakzalverij ophoudt en het tijdelijke boven het eeuwige stelt. De Heere echter laat niet varen, wat Zijn hand begon. Toen Hij in Christus Jezus het geneesmiddel beschikte, toen voorzag Hij ook in de wijze van toedienen er van. De Heilige Geest is het, die den mensch overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. De Heilige Geest is het, die den mensch brengt onder het juk der wet, opdat door de wet de kennis der zonde ontsta, die hartelijke kennis, waardoor de mensch het uitroept vol kommer en droefenis: „Wee mij, wee mij, vanwege mijne zonden''. Maar de Heilige Geest gebruikt de wet ook als tuchtmeester tot Christus, zoodat aan den voet van Golgotha' s kruis het schuldig hart neerbuigt om met Jesaja te zeggen: „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen".

Christus Jezus en Dien gekruisigd! Dat is het centrale feit in de Godsopenbaring. In Hem wordt Gods Woord vervuld dat „de Heere Zijn Zion door recht verlossen zal". In Hem toch worden ze als rechtvaardigen gerekend voor God; door die ééne offerande, aan Golgotha' s kruis volbracht, heeft Hij in eenwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
Bij den aanvang der lijdensweken, waar de blik zich van de kribbe wendt naar het kruis, moge het maar deze vraag zijn, die ons bezighoudt: heb ook ik genezing gevonden onder de schaduw Zijner Vleugelen. Hoe vreeselijk zou het zijn, als ook ons het bitter verwijt moest gelden, dat Hij op Zijn via dolorosa tot Jeruzalem richtte: „Hoe dikwijls heb Ik u onder Mijn vleugelen willen vergaderen als een hen hare kiekens, en gij hebt niet gewild".
Nog is het tijd. Nog staat het kruis, waaraan Gods Zoon verhoogd is geworden, zooals Mozes de koperen slang verhoogd heeft in de woestijn, opdat een ieder die er op zien zou, leve en niet sterve. Zien op het kruis, dat wil zeggen, gelooven in Hem, in de kracht en de macht van Zijn persoon, Zijn werk.
Zalig, wie door de innerlijke werking des Heiligen Geestes daartoe gekomen is. Die geve Gode de eere, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Rampzalig, wie het kruis veracht, want zonder kruis geen kroon.
Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
Moge de Heilige Geest uit de volheid van de kruisverdienste van den eenigen Borg en Zaligmaker dan maar toepassen indachtigmakende genade aan de zielen aller uitverkorenen, opdat al het lijden dezes tegenwoordigen tijds gering geacht worde bij de zonde en er in den weg van aanvankelijke en dagelijks vernieuwende bekeering maar veel gezucht worde in kinderlijke toevluchtneming: O Heere, wees mij genadig; genees mijne ziel, want ik heb tegen U gezondigd.
En eens — o, blij vooruitzicht voor al Gods kinderen, die de verschijning van Christus Jezus in dienstknechtsgestalte hebben lief gekregen — ééns zal dan geen inwoner van het hemelsche Jeruzalem meer zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving hebben van ongerechtigheid. (Jesaja 33 vers 24).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's