De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

De Godsverkondiging der Profeten.
Prof. Dr. J. Ridderbos hield Dinsdag 8 December j.l. een rectorale rede aan de Theol. School te Kampen over bovenstaand onderwerp.
De volgende gedachten traden hierbij op den voorgrond: Wat ook van Schriftgeloovig standpunt tegen de nieuwere bestudeering van het Oude Testament voor bezwaren moeten worden ingebracht, hierin kunnen we haar toch prijzen, dat ze met nadruk heeft gewezen op de groote en eenige beteekenis van de geschriften der profeten. De beteekenis der profeten voor de geschiedenis der Godsopenbaring is inderdaad een zeer bijzondere. Spreker wil iets daarvan laten zien, door te spreken van de verkondiging der profeten aangaande God.
Allereerst wordt nu van deze Godsverkondiging een algemeene karakteristiek gegeven. Hierbij wordt met nadruk geconstateerd, dat de profeten niet hebben gebracht (wat door de Wellhausiaansche school aan hen is toegeschreven) een nieuw Godsbegrip, dat van 't „ethisch monotheïsme". Volgens hun eigen getuigenis roepen zij Israël terug tot den God, die Zich van ouds aan de vaderen heeft bekend gemaakt, en die thans opnieuw Zich aan hen, de profeten heeft geopenbaard.
Maar is het dan nog wel juist, aan hen een zoo groote beteekenis toe te kennen? Het antwoord luidt, dat men hier niet eenzelfden maatstaf moet aanleggen als in de geschiedenis van het menschelijk denken, waar ieders beteekenis wordt afgemeten naar het oorspronkelijk karakter van de ideeën, die hij heeft verkondigd en waaraan hij invloed wist te verschaffen.
Bij de profeten is dit het groote, dat God door hen gesproken heeft en aldus ingreep in Israels leven. Hun beteekenis ligt daarom niet allereerst in het nieuwe, dat ze zeggen, maar hierin, dat ze spreken als tolken Gods, die het in de menschenwereld opnemen voor God. De profeten zijn ijveraars voor God: Elia is hierin hun sprekend voorbeeld. De ijver voor God verteert deze mannen. Treffend komt dat uit in de wijze, waarop ze de zonden hunner tijdgenooten bestraffen, en niet minder sterk in hun gerichtsaankondiging. Zoo zijn de profeten niet maar brengers van een nieuwe of ook van een oude leer, maar ze zijn strijders voor de eer en de grootheid van hun God tegenover een volk, dat al den dag die eer en grootheid met den voet vertreedt.
Toch zouden ze natuurlijk geen dragers der Godsopenbaring zijn geweest, indien hun woord niet ten doel had gehad, dien God, Zijn wil en Zijn wegen, te doen kennen. Inderdaad is dit dan ook het geval. Dit bekend maken van God doen zij ook inzonderheid tegenover de valsche gedachten en voorstellingen, die Israël zich aangaande God gevormd had. Hosea en Jesaja verwijten het volk uitdrukkelijk, dat het de kennis van God mist. Wel wordt de naam van Israels God veelvuldig genoemd, bij het offer en bij allerlei gelegenheid. Maar men heeft zich aangaande God een geheel valsche voorstelling gevormd. In één woord gezegd: de Godsvoorstelling is verheidenscht. Hosea's tijdgenooten wanen God tevreden te kunnen stellen door het brengen van offers, zonder op Zijn zedelijke geboden te letten: ze meenen dat Hij kan worden vereerd onder een beeld en dat een eeredienst Hem aangenaam is, die naar heidenschen trant gepaard gaat met teugelloozen zinnendienst. Hiertegenover verkondigen de profeten opnieuw den God, die Zich van ouds aan de vaderen heeft bekend gemaakt. 
Vraagt men nu, wat hierbij aangaande het wezen en de eigenschappen Gods op den voorgrond treedt, dan is allereerst te wijzen op Zijn ontzagwekkende majesteit. Bij Jesaja is dat zoo sterk, dat hij de profeet van de majesteit Gods kan worden genoemd. Zóó heeft hij dien God gezien in zijn roepingsvisioen, en zóó heeft hij Hem verkondigd; als den God, wiens oogen vol van majesteit zijn, 3:8, en eenmaal Zich zal vertoonen in den ontzagwekkenden luister van Zijn Goddelijkheid; dan worden de hooge oogen der lieden vernederd; en wordt de trots der mannen omlaag gehaald, en verheven is de HEERE alleen op dien dag! 2:11.
Zoo treedt in de profetische prediking de Goddelijke transcendentie met groote kracht op den voorgrond. Dit is wel in het algemeen een trek der Oudtestamentische openbaring, maar het kenmerkt de prediking der profeten toch zeer in het bijzonder. Bij de psalmisten beluistert ge veel meer dan bij hen de tonen der mystiek, het getuigen van het smaken der gemeenschap Gods, en anders toch van het dorsten naar Hem. Met bijzondere kracht wordt die Goddelijke majesteit door de profeten beschreven, zooals ze zich in de ontsteking van Zijn toorn keert tegen Zijne vijanden. Op de meest ontzagwekkende wijze hebben de profeten van dien Goddelijken toorn gewaagd, Jesaja beschrijft den HEERE als komende in brandenden toorn en opkomend wolkgevaarte, terwijl Zijn lippen vol gramschap zijn en Zijn tong als een.verterend vuur, en Zijn adem als een overstroomende beek, die tot den hals reikt, 30: 27 v.v.
Aan de gedachte van de Goddelijke majesteit grenst die van Zijn grootheid en van Zijn macht en hiermede staat weer in nauw verband de waarheid, dat Hij de eenige God is. Wat het laatste betreft; al hebben de profeten het monotheïsme niet voor het eerst verkondigd, dit neemt niet weg, dat zij toch op deze waarheid nieuw licht hebben doen vallen, en ook is hun arbeid een der belangrijkste middelen geweest om deze waarheid in het hart van Israël een plaats te doen vinden, zooals die daar van tevoren nog niet had bestaan.
In bijzonderheden wordt nu verder aangetoond, hoe de profeten deze leer van den éénen God hebben verkondigd, eenerzijds in tegenstelling met de afgoderij, waartoe Israël in den loop der eeuwen telkens weer verviel; anderzijds ook in verband met de politieke gebeurtenissen. Wat dit laatste betreft, verkondigen de profeten, dat de Assyrisohe legers en heel de beweging der wereldrijken geleid wordt door de hand van Israels God.
Op soortgelijke wijze wordt nu verder stilgestaan bij de zedelijke eigenschappen Gods, die in de prediking der profeten op den voorgrond treden; inzonderheid komen hierbij ter sprake Gods vergeldende toorn aan de eene en Zijne goedertierenheid aan de andere zijde.
                                                                        *
Onderstaand „Ingezonden" vonden we in „De Rotterdammer". We vinden dit schrijven van onzen Bondsbroeder en Rotterdamschen „voortrekker" belangrijk genoeg om het in de rubriek „Uit de Pers" over te nemen.

De Vrije Universiteit.
Geachte Redactie, Enkele weken geleden lazen we in Uw geëerd blad een Ingezonden Stuk van de hand van den heer Bakker, waarin hij zijn medeleden van de Herv. Kerk opriep om mee te steunen de zaak van het Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag. De lasten van de instandhouding van de Vrije Universiteit mochten niet alleen drukken op de leden der Gereformeerde Kerken, doch alle man en vrouw van Gereformeerd beginsel moest er mee den schouder onder zetten. Zoo ongeveer was de inhoud van zijn schrijven.
Dit schrijven riep oude sympathieën bij ons wakker. Er is een tijd geweest, dat de Vrije Universiteit onder haar begunstigers telde vele leden van de Hervormde Kerk. En dit is nu an­ders. Het is een feit, dat op de leden-en begunstigerslijst van de Ver. voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag, waarvan de Vrije Uni­versiteit uitgaat, slechts weinig namen voorko­men van Hervormden en Chr. Gerefor­meerden.
Is dit omdat men in Hervormde of Chr. Geeformeerde kringen niet gevoelt voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag? We zouden dit niet gaarne durven zeggen. Het tegendeel blijkt uit wat de Confessioneele Vereeniging doet in het belang van Bijzondere leerstoelen; de instelling van het Leerstoelfonds van den Gereformeerden Bond; de Theoogische School der Chr. Geref. in Apeldoorn. Voor Gereformeerd Hooger Onderwijs gevoelt de gansche gereformeerde gezindheid. Tot zelfs in de kringen der oud-Gereformeerden wordt men actief.
Alleen het zien van de versnippering van krachten doet pijnlijk aan. Als alle man van Gereformeerde confessie saamwerkte, zou er een bloeiende Gereformeerde Hoogeschool kunnen zijn in Nederland. Nu loopt ieder voor eigen huis en deze verbrokkeling schaadt. Och, mocht dit toch eens anders worden! Met het slaken van deze zucht wordt de saambinding niet bereikt. Ook verwachten we geen groote gevolgen van een goedbedoeld schrijven van den heer Bakker. Ieder zal blijven ijveren voor eigen parochie: de leden der Geref. Kerken — voor zooverre zij hun hart niet verpand hebben aan de Theologische School te Kampen — voor de Vrije Universiteit; de leden der Herv. en Chr. Geref. en oud-Geref. Kerken voor de opleiding hunner predikanten.
Want een Universiteit is er niet slechts tot beoefening van de Wetenschap. Onze predikanten, dokters, advocaten, literatoren, enz. worden er opgeleid. Voor de opleiding der predikanten, die men behoeft in de Kerken, gevoelt men het eerst en het meest. Voor de andere faculteiten ook wel, doch niet in die mate.
En nu is de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, waarvan alle hoogleeraren moeten zijn leden der Gereformeerde Kerken, een faculteit voornamelijk ten dienste van genoemde Kerken.
Daarom verwonderen we er ons niet over, dat de leden dier Kerken hun hart hebben verpand aan de Vrije Universiteit. En vinden we het begrijpelijk, dat andere Gereformeerden niet met dezelfde warmte er voor strijden.
De leden van de Gereformeerde Kerken hebben het meeste belang bij de instandhouding en bloei dezer hoogeschool.
Met dit te schrijven bedoelen we niet iets onaangenaams te zeggen aan het adres dezer broeders. Voor hun actie en offervaardigheid hebben we lof. We achten het echter noodig deze feiten naar voren te brengen. Wie de mogelijkheid van saamwerking overweegt, dient zich te plaatsen op den bodem der realiteit.
Kon de theologische faculteit van de V.U. dienstbaar gemaakt worden aan de belangen van alle groepen van Gereformeerden, dan waren de moeilijkheden opgelost. Zij, die er het meest voor gewerkt en geofferd hebben, de leden der Geref. Kerken, zullen er bezwaar tegen hebben, dat de banden tusschen de Theologische faculteit en hun Kerken worden geslaakt.
Toch gelooven we, dat gestreefd moet worden naar een oplossing der bezwaren, opdat de mogelijkheid geschapen worde, dat het Gereformeerde volk me t eenparigen schouder zich zet aan de zaak van ons Geref. Hooger Onderwijs.
Willen de directeuren der Ver. v. Hooger Onderwijs op Geref. grondslag dit? We mogen het tegenovergestelde niet veronderstellen.
We meenen dat van hen het initiatief moet uitgaan, om in contact te komen met de voor mannen van.de Geref-Hervormden en andere kerkelijke groepen van Geref. confessie.
Zoolang het Alg. Synodaal Bestuur der Herv, Kerk nog niet bewilligt in de examens der V.U. is Amsterdam voor de Herv. theologische studenten niet de aangewezen plaats. Kan de V.U. niet worden overgebracht naar een andere academiestad, b.v. Utrecht?
Nu heeft de Geref. Bond een bijzonderen leerstoel gevestigd aan de Universiteit te Utrecht. Wellicht kon bij overplaatsing der V.U. naar Utrecht soortgelijk contact gezocht worden tusschen V. U. en Geref. Bond.
Als onderscheiden groepen van Gereformeerden konden besluiten in dezelfde stad hun a.s. predikanten te laten opleiden, kon uit deze saambrenging misschien geboren worden saam-werking en saambinding op het terrein van het H.O. 
Er moet iets beproefd worden. Zooals het nu gaat, gaat het niet zooals het gaan kon bij meer eendracht. Wij althans gevoelen het zoo. Daarom brachen we ons voorstel naar voren. Misschien wordt het als niet zakelijk ter zijde gesteld. Wanneer dan maar wijze mannen met betere voorstellen komen, die meer kans van slagen hebben. Mocht dit ingezonden schrijven daartoe den stoot geeven hebben, dan zou zich rijkelijk beloond achten.
Uw abonné,
Rotterdam, 3-11-'25                                                             C.W.BERGHOUT

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's