KERKELIJKE RONDSCHOUW
Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XV.
Een Remonstrant is bang voor dat „uitverkoren", dat onze Gereformeerde vaderen in den Heidelbergschen Catechismus, in betrekking tot de Kerk, naar voren hebben gebracht. De Remonstranten en de Libertijnen wischten liever de grenzen tusschen natuur en genade uit. Ze maakten van alle menschen goede, brave, godsdienstige menschen. En zoo werd volk en Kerk één; en tusschen Staat en Kerk werden banden gelegd en verhoudingen geschapen, die lijnrecht in strijd waren met de duidelijke aanwijzingen welke de Heere ons in Zijn Woord in deze heeft gegeven en waarvan Hij ook getuigenis heeft gegeven in de geschiedenis. De natie als éénheid van burgers en burgeressen is gansch iets anders dan de Kerk als éénheid van de lidmaten van Christus. 't Een is natuur, 't ander is genade; 't een ligt onder Gods algemeene liefde, 't ander onder Gods particuliere, bijzondere, verkiezende genade. En nooit mogen de grenzen uitgewischt worden, noch ook mag men maar zóó van het eene terrein over stappen op 't andere terrein. De Overheid, zijnde Gods dienaresse, zal die terreinen steeds en overal met ernst moeten weten te onderscheiden, opdat zij Gods heilige ordeningen in deze niet schendt.
Wie Kerk en volk zoodanig gaat vereenigen, dat heel het volk in de Kerk wordt gebracht en de Kerk heel 't volk gaat omvatten, wil wijzer zijn dan God en wil blijkbaar beter werk leveren dan de Heere, de God der verkiezing, in den weg van Zijn verbond, dat heilig gehouden moet worden in den weg van geestelijk opzicht en tucht, verricht. Maar, zooals het altijd gaat, het werk der wijzen is dwaasheid in de oogen van Hem, Die met de dwaasheid van Zijn werk wonderen van genade en liefde verricht, waarvan de eeuwigheid nog zal gewagen met lof en aanbidding van al de gezaligden.
De geschiedenis is er voor — openbaart de Heere Zich niet in de geschiedenis, gelijk als in de natuur en in ons geweten? — om te bewijzen, dat Remonstranten en Libertijnen zooveel verdorven hebben, door hun dwaas ijveren voor „heel de Kerk en heel het volk".
Laat ons een paar bladzijden uit de historie van ons Vaderland opslaan. Met groote en kleine letteren, staat daar de sprake Gods beschreven, opdat wij wijsheid zouden bekomen!
Door een wondere werkinig van Gods Geest in de bedauwing van Zijn Woord ontsproot hier in de Nederlanden de Gereformeerde, naar Gods Woord gezuiverde, Kerk des Heeren. Uit de plaatselijke Kerken opkomend, elk voor zich gebonden aan de belijdenis en scharend zich rondom de bediening des Woords en de bediening der Sacramenten, stond daar de Gereformeerde Kerk als een plantinge Gods in dezen lande. En al waren de gevaren groot, zoo oefenden de Kerken toch gemeenschap met elkander en kwamen saam in kerkelijke vergaderingen, waar allerlei ordonnantiën gesteld werden en aangenomen, belangende het kerkelijk leven, plaatselijk en classicaal en synodaal.
Maar aanvankelijk klein, wordt de Gereformeerde, naar Gods Woord gezuiverde Kerk, langzamerhand grooter, doordat er velen ook bij kwamen aan wie geestelijke honger totaal vreemd was.
Aanvankelijk, zoolang de vervolging duurde, voegde zich niemand bij de Kerken der Reformatie dan uit geloofsovertuiging, bereid om, als het moest, voor die geloofsovertuiging te lijden, ja, straks te sterven.
In de Kerken onder het Kruis voegden zich saam, die den Gekruiste aanhingen met het hart, schande en schade en dood verachtend voor de vreugd van het heil des Heeren in Christus. En toen in die dagen van druk de Kerken op bevel van de Landvoogdes omvergehaald werden en duizenden vluchten moesten naar Emden en Wezel, twee steden, die reeds vroeg de „nieuwe leer" hadden aangenomen, werden op de Nationale Synoden der Nederduitsche Gereform. Kerken onder 't Kruis, de lijnen gerrokken voor de zuivere bediening van het Woord, voor de reine bediening der Sacramenten, voor de oefening van de christelijke tucht, voor belijdenis, Kerkenorde enz., omdat men er van overtuigd was dat de Kerk van Christus een lichaam van eigen rechte is en zóó alleen het huis des Heeren kon worden bewaard, om te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden des volks.
Oldenbarnevelt en de zijnen dachten wel anders dan onze Gereformeerde vaderen. Want hij wilde de veelsoortige Protestanten: Calvinisten, Zwinglianen Lutherschen en Doopsgezinden, in één Kerkverband brengen en de kerkelijke wetten werden door de Overheid in 1576 daarnaar ingericht. Maar onze Gereformeerde vaderen hebben zich er tegen verzet!
En als men in 1610 en later tegenhoudt dat een Nationale Synode zal samenkomen om fundamenteele stukken der Waarheid te bespreken en te toetsen aan Gods Woord, hebben onze Gereformeerde vaderen wars van alle valsche verdraagzaamheid, aangehouden, totdat de Heere uitkomst gaf.
Maar alles heeft niet kunnen verhinderen, dat elke 25 jaar, dat men verder kwam, de tucht over leer en leven aan kracht verloor in het midden van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken en waar velen binnen de grenzen der Kerk woonden, die van de geestelijke dingen niet waren gediend, wilde men nog meer volks vergaderen, opdat het zou worden: heel de Kerk en heel het volk!
Zooals Karel de Groote indertijd de Franken en de Saksers wilde dwingen christen te worden, onder de dreiging: „doopen of dooden", zoo ging men waarlijk in de 17de eeuw ieder, Nederlander Gereformeerd maken, om alle burgers en burgeressen, ouders en kinderen saam, in de Gereformeerde Kerk van Nederland in te lijven.
Wel stond nog altijd in den Catechismus, dat de Heiland Zijn Kerk vergadert door Zijn Geest en Woord, maar men zou het ten opzichte van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in stad en dorp, in Friesland en Zeeland, ja, overal, wel met andere middelen en in andere wegen klaar spelen!
Daarbij stond als ideaal voor oogen: wèg met de Roomschhen, wèg met alle protestantsoh christelijke Kerken of gezindheden — om alles te maken tor één Nationale, Nederlandsche Gereformeerde Kerk van Noord tot Zuid, van Oost tot West.
Bewijs? 30 December 1667 werd in Groningen het „Stadsplakkaat tegen de Pausgezinden" uitgevaardigd. Dit plakkaat, door de Synode van stad Groningen en Ommelanden goedgekeurd ja, zóó goedgekeurd, dat men daar uitsprak dat „deze ordonnantie goeden voortgang zou hebben" ging uit van de stelling, dat er hier te lande maar één Kerk was, de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, en dat alle menschen, of ze Protestant of Roomsch waren, hun kinderen in de Gereformeerde Kerk moesten laten doopen. En die zijn kind een jaar na de geboorte nog niet had laten doopen in de Gereformeerde Kerk, kreeg een boete van 150 gulden voor ieder kind.
Is het niet fraai? Maar schrikkelijker nog wordt het, als we dan bemerken dat 8 Mei 1668 negen predikanten het verzoek richten aan de Ed. Mog. Heeren Burgemeesteren en Raad der Stad, om de bezwaren van de Roomsche Ouders, die hun kinderen niet wilden laten doopen in de Gereformeerde Kerk, als niets te achten, de boeten vooral te handhaven, verzoekende „dat de Magistraat het burgerrecht moest ontzeggen aan allen, wier namen niet stonden in de Doopboeken, der Gereformeerde Kerk".
't Is bijna ongeloofelijk! Maar 't is in deze van kwaad tot erger gegaan.
Want toen honderd jaar vóór het Groningsch Plakkaat de Staten van Holland en Zeeland in den jare 1576 wilden voorschrijven dat „zoo menigmaal er kinderen gepresenteerd worden, zal de doop niemand geweigerd worden", hebben onze Gereformeerde vaderen toen zóó ernstig geprotesteerd tegen dat artikel, alsook tegen art. 2, 3 en 24 (waarin bepaald was: „de Kerk mocht niet vragen, van welke ouders de kinderen waren of wie als getuigen voor een christelijke opvoeding waarborg gaven") dat de Kerkenorde niet is ingevoerd, maar door de Staten is teruggenomen.
Toen voelde men nog, dat de Kerk, naar luid van art. 27 Ned. Geloofsbelijdenis, „Een heilige vergadering is van ware Christ-geloovigen, die al hunne zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest", 'waarbij allen, die geen deel hebben aan het christelijk geloof, volgens Zondag 27, vr. 74, geen deel hebben aan het genadeverbond.
Toen werd nog gevoeld dat zij, die zich met hunne belijdenis en hun leven openbaren als ongeloovige en godddooze menschen, naar de ordening van Christus en Zijn Apostelen, door de sleutelen des hemelrijks moesten worden buiten gesloten — totdat er verandering, verbetering en bekeering te bespeuren viel.
Maar 100 jaar later wilde de Overheid over de Kerk en over de Sacramenten heerschappij voeren en van verbieden der sacramenten en buiten sluiten buiten de Kerk mocht in Nederland geen sprake, zijn. En ja, in alle Kerken — zoo als art. 37 van de Dordtsche Kerkenorde de plaatselijke Kerken aanduidt — was een Kerkeraad, bestaande uit Dienaren des Woords en Ouderlingen. Maar de Overheid voerde heerschappij over de Kerken en helaas ging men van plaats tot plaats zich beijveren om, weinig zorg hebbend over de zuiverheid der leer en de rechte bediening der Sacramenten, alle inwoners van stad en land binnen de muren der Gereformeerde Kerk te brengen, zóó zelfs, dat in Gelderland werd vastgelegd in art. 16 van het Plakkaat van 24 Juli 1651: „dat de landheeren hunne landerijen niet mochten verhuren, aan iemand, die niet uitdrukkelijk beloofde niet ter mis te zullen gaan en zijn kinderen in de Gereform. Kerk te zullen laten doopen".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's