MEDITATIE
Den armen wordt het Evangelie verkondigd
Matth. 11 vers 5b.
Dat woord sprak eenmaal de Heere Jezus tot de boden van Johannes den Dooper. Deze was door Herodes Antipas in de gevangenis gezet. Nu had Johannes Christus vroeger aangekondigd als Dengene, Wiens wan in Zijne hand was en Die Zijnen dorschvloer zou door zuiveren. En ziet! van die wan en van dat doorzuiveren van dien dorschvloer bemerkte Johannes in den kerker zoo weinig. Nu begon hij waarlijk kennelijk te twijfelen, of Jezus wel de beloofde Messias was en zond daarom twee van zijne discipelen tot Hem met de vraag: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij eenen anderen? En nu wees Christus die boden er op, dat juist door Hem geschiedde, wat de profeten aangaande Hem geprofeteerd hadden.
Een der kenmerken van Zijn Messlasschap was juist 't geen door Hem plaats had: Den armen werd het Evangelie verkondigd.
Hier op aarde zijn verschillende standen. De een is rijk, de ander arm; en een derde behoort tot den middenstand. En velen zelfs daar nog weder tusschen in. Maar in de geestelijke wereld gaat het zoo niet. Daarin zijn niet vele standen, maar slechts twee. In geestelijk opzicht zijn we óf onuitsprekelijk rijk óf onvergelijkelijk arm. Een derde bestaat hier niet.
Van nature nu zijn wij allen bitter arm; en noodig is het, daaraan ontdekt te worden. Want dan geldt 't ook ons: Den armen wordt het Evangelie verkondigd.
Ja, arm, dat zijn we van nature allen. Bedelarm.
Oorspronkelijk was dat niet zoo. Toen de mensch uit de hand van Zijnen Formeerder voortkwam, was hij niet arm, maar schatrijk. Hij had God tot zijn deel, en met dien God alles. Hij genoot vrede en zaligheid in volle mate. En hij mocht wonen in een Paradijs, 'n schoonen lusthof, waarin veel meer groeide, dan hij voor zijn lichamelijk leven noodig had. Maar sedert hij naar slang en Satan luisterde is dat gansch anders geworden. Toen werd hij opeens schrikkelijk arm. Hij verloor op eens alle goed. Want hij raakte God kwijt en met God alles. Ja, zelfs het aardsche Paradijs moest hij uit en verliezen. Alles kwijt.
Dat mag wel arm heeten. Doch dat was het niet alleen. De mensch was niet slechts arm, maar hiji had nog eene groote schuld daarbij, eene schuld van tienduizend talenten.
Luther brengt dit eigenaardig in verband met de tien geboden. Hij roept uit: Elke dier tien geboden overtreden wij duizend maal.
Wij hebben het leven verbeurd en den dood verdiend. Alzoo zijn wij des eeuwigen doods schuldig. Niet slechts hebben wij den zegen des Allerhoogsten verloren, maar ook Zijnen geduchten vloek ons op den hals gehaald.
Ontzaglijk! Maar dat is nog het ergste niet. Het indroevige is juist dat wij van nature, tengevolge van onze afstamming van den gevallen Adam, ons onze schrikkelijke ellende niet bewust zijn. Ons beeld vinden wij in Laodicéa, We achten ons rijk en verrijkt en hebben in eigen schatting geens dings gebrek, en we weten niet dat we jammerlijk, ellendig, arm, blind en naakt zijn. We zijn van nature voor onze schuld en armoede blind.
En het allerdroevigste is, dat ons die blindheid niet tot smart en leed is, maar dat wij die lief hebben en naar Christus eigen getuigenis de duisternis liever hebben dan het licht, omdat onze werken boos zijn. En dat maakt juist onze schuld zoo groot; en maakt dat wij ter verontschuldiging niets kunnen inbrengen.
Daarom is het juist zoo noodig dat wij aan onze armoede ontdekt, en gewillig gemaakt worden om ze te zien. Dat Christus komt met Zijne oogenzalf om onze blinde oogen te zalven, en door Zijnen onmisbaren Geest onzen weerbarstigen wil te buigen, zoodat we onze armoede willen zien, en wezenlijk met smart opmerken.
Want als dat zoo mag zijn, dan geldt ons het woord van den Zaligmaker tot de door Johannes den Dooper gezonden boden: Den armen wordt 't Evangelie verkondigd.
Dat dit waar is, heeft de Heere Jezus Zelf bewezen. Toen Hij op eenen berg in Galiléa eene rede hield, en een bepaalde groep van menschen zalig sprak, toen was de eerste dier zaligsprekingen: Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Met die armen heeft Hij kennelijk niet alle menschen op het oog, want dan werden alle menschen zalig. Ook niet alle natuurlijk armen, want dan zou er nooit een, die arm naar de wereld is, voor eeuwig verloren gaan. En wie zou dat durven beweren? Ook niet degenen, die arm zijn aan geest, alsof het verstand een beletsel zou wezen om behouden te worden, en gebrek aan verstand een waarborg voor de zaligheid, hetgeen de Heilige Schrift nergens leert. Maar dan heeft Christus op het oog de armen van geest; en dat zijn zij, die hunne geestelijke armoede kennen en aan hun schuld hartgrondig ontdekt mochten worden.
En deze zijn rijk. Niet altijd naar de wereld. Dat zij verre. Maar, ach! wat is ten slotte toch aardsche rijkdom? Keizer Severus, die in zijn jeugd arm was geweest, en straks keizer was geworden van het groote Romeinsche rijk, in dien tijd verre het machtigste op aarde, moest op zijn sterfbed verklaren: Ik heb alle standen doorleefd, maar het ware geluk in geen van die alle gevonden. Ja, het is zoo waar, wat Thomas Watzon zegt: De rijke zondaar bindt zijn geld als in een zak en God bindt er den vloek bij in.
Neen, die armen van geest ontvangen een beteren rijkdom. Hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zij zijn koningen. Erfgenamen van dat hemelsch heerlijk Koninkrijk, dat nooit teniet gaat. Zij zullen met Christus zitten in Zijnen troon, gelijk Hij met den Vader in Diens troon is gezeten, en zij zullen als koningen met Hem heerschen in alle eeuwigheid.
En daarom, M.V. is het zoo noodig, dat bijtijds onze armoede door ons worde gezien opdat wij niet straks, evenals de rijke man in de gelijkenis, onze oogen open doen in de hel, in de pijn. Wee ons, wanneer eerst aan de andere zijde des grafs ons oog voor onze armoede open, gaat. Want daar wordt den armen het Evangelie niet meer verkondigd.
Zullen wij dus waren rijkdom deelachtig worden, dan zal het noodig wezen dat wij bijtijds aan onze matelooze schuld worden ontdekt.
En als dit gebeurt, ach! dan doen we evenals die man in de gelijkenis en zeggen we: Heere! wees lankmoedig over mij, en ik zal U alles betalen. Dan denken wij het morgen beter te maken dan vandaag, en overmorgen weer beter dan morgen. De volgende week beter dan deze en de daarop volgende week al weder beter dan de volgende. En zoo steeds beter. En zoo zal het, denken we, aan het eind nog wel goed komen.
Ja, zooals de uitnemende Alex. Comri zegt: We zouden eigenlijk van God wel willen leenen, om het later met de oude schuld af te betalen. Als de Heere ons maar verlenging van bet leven en krachten schenkt, dan zullen wij trachten alles nog goed te maken. En komen we aan het eind nog te kort, de Heere is immers goed en zal wel willen aanvullen, wat ons nog ontbreekt, als Hij ziet, dat wij ons best hebben gedaan.
En zoo bedriegen wij onszelven, totdat ook voor dat zelfbedrog door genade; ons oog mag open gaan.
Reinvis Feith roept het ons terecht toe: Vergeefe is al het moedloos duchten. Vergeefs 't wanhopig kermen, zuchten; Niets buiten Jezus heelt de smart. Ja, Jezus ! Die alleen kan ons redden en onze schuld wegnemen. Die is voor goddeloozen gestorven en heeft voor zondaren volkomen betaald. Hij kon op Golgotha naar waarheid getuigen: Het is volbracht. En al wat wij nu nog willen bijbrengen tot onze eigene rechtvaardiging, is in dien grond niet anders dan een beleediging van dat volbrachte werk van den Middelaar. En daarom: met alle onze schuld en zonden naar dien Christus heen! Voor Hem ze beleden en Hem om vergiffenis gesmeekt.
Maar als wij die niet zien en daar nog maar al te blind voor zijn? Dan maar van Christus terug gebleven? En maar buiten Hem heil gezocht en verwacht?
Maar mijn vriend of vriendin! gij gevoelt het wel: van Jezus terugblijven is zeker de dood. Die weg kan niet anders dan uitloopen op het eeuwig verderf. Juist naar Jezus heen met uwe schuld, maar ook met uwe blindheid, met uw gebrek om ze te zien, en Hem gesmeekt, dat Hij uw oog opene voor uw diep bederf; dat gij uwe blindheid recht moogt gevoelen en Hij u uwe schuld niet toerekene, maar genadiglijk met Zijn Middelaarsbloed bedekke.
En dan is er vergeving. Zijn bloed reinigt van alle zonde. Dan zegt de Heere: Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg. Ik gedenk uwer zonden niet. Dan doet Hij niet als wij. Wij zeggen wel eens: ik kan het wel vergeven, maar niet vergeten. Maar dat is geen vergeven; en zoo doet de Heere niet. Hij vergeet ze. Hij wil er niet meer aan denken. Daarom zegt ook de profeet Micha: Gij zult alle hunne zonden in de diepte der zee werpen. Wat is die weldaad der schuldvergeving toch onuitsprekelijk groot. God werpt de zonden der Zijnen in de diepte der zee. De berg van onze zonden is hoog. Ze zijn, zooals Ezra het uitdrukt, groot geworden tot aan den hemel. Maar de zee van Gods genade is nog veel dieper. Die is onpeilbaar. En daarin werpt de Heere de zonden der Zijnen, zoodat ze in eeuwigheid niet meer worden gezien.
„Welzalig is de mensch, wien 't 'mag gebeuren. Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren".
En toch is dat nog niet alles. Wanneer de Heere niet meer gaf, dan was de mensch wel al zijne schuld kwijt, maar toch nog arm. Zonder bezit. Van de hel verlost! Heerlijk! Maar wij behoeven meer. Wij hebben den hemel noodig. Wij hebben God noodig. Hem, Dien we in het Paradijs hebben verloren. De Heere doet daarom ook meer. Hij doet geen half werk. Hij geeft Zichzelven. En dan zijn we rijk. Met God tot ons deel kunnen wij niet arm wezen.
Als de belangrijkste figuur wordt beschouwd de cirkel. Die is, welbezien, volmaakt. Daar is geen einde aan. Die keert tot zijn punt van uitgang terug. Die cirkel, zegt Watzon, is een juist beeld van 't ware geestelijk leven. Terecht. Want dat keert ook tot zijn punt van uitgang terug. Het vloeit uit God en keert tot God. Hier reeds aanvankelijk, wanneer 's Heeren kind Hem gedurig mag zoeken en aankleven. En straks volkomen, wanneer hij in den zaligen hemel dien God eeuwig mag grootmaken en prijzen.
En als we dat leven mogen kennen, dan zijn we rijk voor tijd en eeuwigheid. Dan is sterven ook geen sterven meer. Dan kunnen wij van dat woord sterven de eerste twee letters aflaten. Dan mogen we zeggen: sterven is erven. Dan brengt de dood ons in het bezit van die onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor al Gods volk wordt bewaard.
Neerlangbr. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's