VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
Buurvrouws bezoek.
11) „o, juffrouw", zei Doortje, „of ik het gehoord heb. En 't is me zoo tot troost geweest. Ik dacht eigenlijk, dat ik het me verbeeld had, want ik had zelf geen mooier psalm-vers kunnen uitkiezen. Wil ik u eens vertellen, aan welke woorden ik dacht, toen ik de wijs hoorde?" Buurvrouw wilde niets liever, en toen Doortje gereed was, moest zij de verzen voor haar uitschrijven, om, als de neef nog eens kwam, mee te kunnen zingen bij het orgel. Maar Doortje gaf haar een psalmboekje, dat zij best kon missen, en zoo vertrok de goedhartige buurvrouw weer naar haar eigen kamer, en Doortje dacht over haar bezoek na, en dankte God in stilte voor Zijn liefderijke besturing, waarvan zij gisterenavond zoo 'n heerlijken zegen ondervonden had.
Gered.
Gansch andere tafereelen werden af gespeeld in de ziekenkamer van den kleinen Willie, en weinig vermoedde Doortje, welke gevaren haar blonden lieveling dreigden. Een der dienstboden had Doortje beloofd te zullen schrijven, zoodra een der huisgenooten aangetast werd, want er mocht geen gemeenschap zijn met 't besmette huis, waarin Doortje vertoefde. Tot nog toe was er geen tijding gekomen, en Doortje waande alles nog veilig. De brief, die haar van het tegendeel overtuigen sou, was reeds op weg.
Het is in de ruime kinderkamer nog alles 't zelfde. De vader zit nu bij het bedje, en heeft het poesje van zijn lieveling in de hand. De vrees, de angst, reeds overgaand in wanhoop, hebben hun stempel op zijn wezen gezet. Bleek, met doffe oogen, 't hoofd gebogen, met matte beweging, staat hij op, met lusteloozen stap treedt hij aan tafel om de opgenomen temperatuur neer te schrijven. De zuster ziet 't cijfer staan, denkt en zwijgt. De vader zet zich aan tafel, steunt het hoofd met den elleboog, en staart wezenloos voor zich uit. Niemand spreekt. Een zwoele, onheilspellende stilte, waaruit men opschrikt door den verwachten, plotselingen donderslag Het is zes uur. Een rijtuig houdt voor de deur stil. De professor is teruggekomen. Eenige oogenblikken — doffe, langzame stappen in de gang — 't voorzichtig openen en toedoen van deuren — de stappen komen nader. De vader rijst op en opent de deur voor den professor. En plotseling flikkert als een straal van boop in hem op de gedachte, dat hij zich vergist kon hebben, door angst, door zenuwen; zijn gedachten waren immers zoo verward. In het licht van die opflikkering loopt hij met dien professor naar het bedje. Zwijgend zetten zij zich neder.
De professor spreekt het eerst. „Bewusteloos"? „Bewusteloos". „Zuster, het temperatuurlijstje". De zuster staat op en brengt het. „De laatste temperatuur is van nu pas"?
„Ja, maar u zoudt mij genoegen doen de temperatuur nog eens op te nemen". Aan 't verzoek van den vader wordt voldaan. Het consult duurt maar kort.
Als zij van het bedje opstaan, heeft de vader weer dezelfde uitdrukking in houding en gelaat als te voren. Ze nemen afscheid aan de deur.
„Sterkte", zegt de professor, en drukt hem zwijgend de hand. De deur wordt gesloten.
„Geen hoop meer"! zegt de vader met klanklooze stem tot de zuster, en gaat naast het bedje zitten, terwijl hij het schut om zich heen trekt. Geen hoop meer voor 't kleine leven. Geen hoop meer in het gefolterde hart van den vader. Roerloos zit hij daar, het hoofd gesteund door beide handen, starend op het schier beweginglooze lichaampje. Het verhitte, magere gezichtje rust in het goudgespin der fijne, blonde kruikjes, waardoor hier en daar het witte kussen schemert.
Morgen om dezen tijd zal hij bij het lijkje zitten. Hij weet het nu. Er is niets meer aan te doen. 't Kind zal van hem afgescheurd worden. Als van een vlijmend lancet voelt hij; die pijn van het scheuren der banden. Trek voor trek drinkt hij in de lijnen, de vormen — tint voor tint, de kleuren van het kind zijner liefde. Teug voor teug drinkt hij leeg den bitteren beker, op welks bode de alsemdrop van den dood hem wacht. En langzaam voelt hij wegvloeien zijn geluk, zijn hoop, zijn lach, zijn lust-om-te-leven, zijn toekomstdroomen, — waar ze wegvloeien, komt ijzige koude en zwarte nacht, en donkere vlakken somber en doodsch.
Zoo zit hij daar, stom en stil de klok slaat half-uren en uren, maar hij hoort het niet. Hij hoort niets, ziet niets dan Willie, en Willie alleen
Maar plotseling rijst hij op! Willie's lippen hebben zich bewogen!" Hij moet iets gezegd hebben! Was het spel der verbeelding? Maar neen, opnieuw die beweging, en duidelijk hoorde hij:
„Do !"
Zou 't kind bij kennis zij? Hij buigt zich over hem heen. „Ventje, kijk eens naar Vadie !"
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's