De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Christus' lijden betracht

11 minuten leestijd

„En dewijl zij hebben een grooten Priester over het huis Gods. Zoo laat ons toegaan ..... in de volle verzekerdheid des geloofs ..... Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden ..... En laat ons op elkander acht nemen tot opscherping der liefde en der goede werken ..... En dat zooveel te meer ..... " Hebr. 10 vers 21—25.

Wat is het toch, dat ons altijd weer treft, als wij het lijden van Christus betrachten?
Is het een drama, een tragedie, zooals de wereld daarna nooit aanschouwde, een man van smarten, een kruiseling, gefolterd en bespot, veracht als geen menschenkind vóór of na hem? een tooneel, dat ons met afschuw vervult?
Of is daar een martelaar, beeld van de meest taaie volharding, die gaat sterven voor een groot levensideaal? Zooals er meerderen geweest zijn vóór en na hem, vaak slachtoffers, een betere zaak waardig?
Of is het een prediking van overgave, een leering van levenslijden om na te volgen en te lijden als Hij, indien het moet; toch goeden moed te houden als alles tegenloopt? Medicijn dus voor levensmoeheid en pessimisme?
Voor ons christenen beteekent dat lijden iets anders; wat 't voor den schrijver van den brief aan de Hebreen was, dat bijbelboek met die rijke prediking van Zijn lijden, als offerande, als verzoening voor onze zonden, als grond en oorzaak van zaligheid.
Immers „met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt".
Dan alleen, heeft Christus' lijden waarde, volstrekte en onvergankelijke waarde.
Want mijn zaligheid is er in geopenbaard, en zonder dat lijden is het onmogelijk in te gaan.
Zoo beschouwd, werpt dat lijden licht op mijn levenspad, en opent het mij een perspectief van eeuwigen vrede, van een leven in overwinning, na een leven van strijd en beproeving. Want die geleden heeft is ook ingegaan, en de heerlijkheid daaraan volgend brengt ons na dien morgen der opstanding, den dag der hemelvaart en de eeuwigheid van de hemelsche glorie. Via crucis — via lucis — de weg van het kruis, is de weg van het licht.
Er is onderscheid tusschen het levensbeginsel van den modernen en den geestelijken mensch. De eerste leeft autonoom, d.w.z. hij is zichzelf een wet. Wat hij goed vindt en waar vindt is zijn levenswet; als hij, in stille uren beluistert de stem van zijn eigen hart, dan heeft hij daar die vastheid van zijn geloof. Geen macht boven hem heeft hij noodig, geen Schrift naast hem, geen Kerk of priester bij hem. Leeft u zelf maar uit, op die schoonste wijze en gij zijt de Christus zelf, gij hebt God en de zaligheid bij u!
Aan die beschouwing ontbreekt maar één diing. Dat is de zelfontdekking. Het is het getuigenis van de blindheid zelve, van den mensch, die meent te kunnen staan in eigen kracht.
De geestelijke mensch heeft dat afgeleerd; met al zijn werken, idealen en zoeken is hij bankroet geslagen; hij moest het opgeven. Zijn steunen werd zinken, zijn kracht zwakheid, zijn hoop werd volslagen wanhoop.
En voor den wanhoopskreet van het ontdekte hart steeg door genade op het halleluja der redding door Hem, die machtig en gewillig was zijn ziel en zijn leven te redden.
Daarom leeft de geestelijke mensch heteronoom; hij heeft een andere wet; wilt gij, theonoom, d.i. God is zijn wet. God en Zijn Woord, Zijn wil en Zijn heil.
Gelukkig als het zoover kwam bij den mensch, dat het volbrachte werk van Christus alleen grond en troost werd; Zijn lijden onze hope, Zijn leven onze vrede.
Ja, dat is nu de prediking van het wankelbare tegenover die van het onwankelbare: de prediking van het hopelooze en het hoopvolle, van Eén, die de Getrouwe is en de Rots der eeuwen, die het beloofd heeft en die het ook doen zal.
Wat u deert, wat u wedervaart, wat u overkomt, in God alleen is een toeverlaat en sterkte. Hoopt op dien Heere en gij zult nooit omkomen. Gelooft in den Heere Jezus en gij zult zalig worden.
Wie Hebr.10 met aandacht leest, ziet, dat bij het 19de vers begint het tweede gedeelte van den Hebreërbrief. In het eerste deed gaat het al maar over de hoofdzaak, den Hoogepriester, over het huis Gods, over Zijn werk en offer, volmaakt, heerlijk.
En dan (in 10 vers 19 is dat afgewerkt) nog alleen een recapitulatie, een herhaling, een samenvatting: „dewijl wij dan vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus" of (vers 21) „dewijl wij een grooten Hoogepriester hebben over het huis Gods"; weer een recapitulatie of zelfs een accentuatie, een onderstreping om dan over te gaan tot de heerlijke gevolgen voor allen die dat gelooven: „laat ons toegaan in de volle verzekerdheid des geloofs"!
Dat is Nieuw-Testamentische taal.
Oud-Israël bleef vóór die gordijnen; ze mochten het zien, als uit die verte, soms van nabij, maar inkomen mochten zij niet; toegaan konden zij niet.
Maar het Nieuw-Testamentisch volk mag volgen en ingaan.
Deze Hoogepriester is ook Vertegenwoordiger, maar meer, ook Voorlooper. Hij heeft het werk gedaan en den weg gebaand. Daarom is de uittocht uit de wereld mogelijk, en de intocht in het Heilige zeker en de optocht naar den hemel gewis.
De toegang is gebaand. De gordijnen zijn gescheurd, de weg is geopend en over den gebaanden weg gaat het via Golgotha naar het Jeruzalem dat boven is.
Sta daar nu even bij stil. Dan beluistert gij in die prediking van dien van God geïnspireerden schrijver drieerlei zegen voor dit leven, vruchten van het Kruis van Christus, en gij gaat in die verzekering des geloofs, met die belijdenis der hoop, en in de beoefening der liefde.
In de volle verzekerdheid des geloofs.
Want dat geloof is een weten en vertrouwen, de sterkte van het hart, de stuwkracht om er te komen.
Met dat geloof omhelzen zij al wat de Hoogepriester heeft volbracht en bereikt, heeft gedaan en geschonken. Met dat geloof schrijden zij voort tot het zalige einddoel.
Met dat geloof wordt alle levensworsteling volbracht, wetend in Hem meer dan overwinnaar te zijn.
Met dat geloof maken zij gebruik van de aangebrachte en aangeboden genade, en met gereinigde harten treden zij toe en voort, wetende dat hun zegen volkomen is.
Is dat geen heerlijke verzekering? Omdat het een heerlijk geloof is, dat alles omvat en alles in zich opneemt, is de verzekering gewis. Een geloof, dat gemeenschap oefent en dat Christus en Zijne weldaden in bezit en eigendom brengt!
Maar daarbij komt de belijdenis der hope.
Want Christus' lijden doet in de verzekering des geloofs den rijkdom der genade aanvaarden, maar ook verwachten. 
Deze beide zijn nooit te scheiden; het geloof is met de hoop verbonden. Die gelooft, mag ook hopen; die godzaligheid heeft belofte voor het tegenwoordige en voor het toekomende; 't is niet alleen wissel op de eeuwigheid, maar ook niet alleen goed voor den tijd.
En zoo wekt de apostel op: gaat toe in de verzekerdheid des geloofs; houdt vast de onwankelbare belijdenis dier hope.
Genade voor het heden en voor de toekomst, rust voor dien tijd en voor de eeuwigheid.
Wat een rijke zegen, vrucht van Hoogepriesterlijk werk; beleeft het alles voor uw ziel in het heden en verwacht het voor de toekomst. Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot.
Zoo zijn er alvast twee: de lijdenstijd van Christus leert ons het ware levensbeginsel, want in Hem alleen is de grond van uw heil. Maar dat lijden leert ook de ware verzekering en belijdenis van geloof en hoop, bezit en verwachting.
Doch nu: komt er ook een derde.
Want de ware godsdienst heeft ook de beoefening der liefde.
„En laat ons acht geven op elkander tot opscherping der liefde en der goede werken".
Lijdenstijd is ook de ware levenstijd. Is het toevallig, dat het lijden van Christus en Zijn herdenking valt in het voorjaar ? Als wij na 21 Maart de gure stormvlagen gehad hebben en de lieflijke lentetijd aanbreekt, de zangtijd in de natuur, de tijd van nieuw, uitspruitend leven, waarin die knop profetie geeft van de bloem, gelijk de bloem draagster is van geur en weelde, pracht en schoon­heid? Lijdenstijd, levenstijd, lentetijd.
Dan kan het wat bebben; de harten gaan open en de tongen gaan los, de liefde dringt, de liefde heerscht.
Wij hebben soms het gevoel, dat de gemeente des Heeren bestaat uit een aantal menschen, wier namen slechts een alphabetiscbe stemlijst vormen. Maar gelukkig is 't anders, Gods Kerk is meer dan een levende lijst van stemgerechtigde lidmaten, Gods groote, levende, saamlevende huisgezin; en als de Geest het hart versterkt en verblijdt, dan komt de lentetijd en de zaaitijd. Dan zingen ze veelstemmig en toch eenstemmig, zielsvereend en blij van hart.
Als Christus' lijden de band is die bindt, dan is er samenstemming, tot opscherping der liefde en der goede werken; en zij gaan uit, ieder in het zijne, als uitdeelers der genade, als medearbeiders-Gods, als plichtgetrouwe en zielsvertroostende broeders en zusters in den Heere.
En dan ontbreekt in dien kring de belijdenis der liefde weer niet. Want de lijdenstijd van Christus is de levenstijd der Zijnen, en de lentetijd Zijner gemeente, en ook de belijdenistijd der jongeren.
Is het toevallig dat in dezen tijd des jaars de nieuwe belijders toetreden tot de Kerk, de ware belijders toetreden tot den disch? Dat Goede Vrijdag en Paschen een schouwspel toonen van een vereende gemeente, in gemeenschappelijk geloof en eenparig beoefenen der liefde?
Dat de ouderen hun belijdenis herzien en de jongeren opscherpen in de liefde tot God en Zijn volk, tot den dienst in Zijn huis, tot de samenwoning bij Zijne altaren?
Christus' Kerk is een belijdende Kerk. In Hem onze grond, ons geloof, onze eer. Zoo wordt het belijden beleven en uit het opbloeiend leven stijgt op de verheerlijking Zijns Naams.
Maar dan is er nog iets.
Lijdenstijd, levenstijd, lentetijd, belijdenistijd.
Niemand ontzette zich bij het vernemen van het laatste.
Die tijd is ook parousie-tijd, tijd van het uitzien tot Hem, die te komen staat.
Alle bijbelschrijvers van het Nieuwe Testament stonden in de parousie, zij verwachtten hun Heere, komende op de wolken des hemels. „En dat zooveel te meer als gij ziet, dat de dag nadert".
Dat spreekt toch ook vanzelf.
Jezus gaat door 't lijden tot de heer­lijkheid. 't Gaat op het einde aan.
Alles is volbracht om voltooid, voleindigd te worden. Zoo staat het vast voor Gods Kerk: na het lijden verblijden en door het lijden verlossing. Elke ware lijdenstijd is voorbereiding voor de eeuwigheid. Want het Koninkrijk is er en wacht zijn voltooiing. Jezus gaat in het lijden, om eenmaal, door den hemel heen, weder te komen.
Heeft dat beteekenis? Voor die tegen de waarheid in zich verhardt, draagt 't een oordeel in zich. Voor die leven uit eigen levensbeginsel is het einde een eeuwig omkomen.
Voor die willens (opzettelijk) zondigen is er geen slachtoffer meer voor de zonde, maar de afrekening ligt gereed, die afstraffing zijn zal.
Lijdensprediking is ook gerichtsprediking.
Maar — aan de andere zijde — dat lijden geeft ook verlossing voor die leven, naar de wet van Christus, uit een ander levensbeginsel, door het geloof, in de gemeenschap der liefde en der hope, vast verzekerd zijnde dat Hij het maken zal.
Door het geloof in Hem zijn zij zalig en zullen zij gezaligd worden.
Laat de moderne mensch dan spotten met zondeval en kruis, met „die legende van de slang" en de dwaasheid van den Middelaar, en even luchthartig als lichtvaardig voortgaan op den weg des levens en te midden van de gevolgen der zonde, wij weten dat de gemeenschap met God gebroken is en de klove al dieper wordt en dat aan onze zijde elke poging tot herstel onherroepelijk mislukt.
Maar ook, dat voor die zich 't diepst verzonken weet en het meest rampzalig, de hand der redding is uitgestoken en de zegen der zaliging gewis.
Lijden brengt troost voor troosteloozen.
Brengt ze ook thuis, want Christus, die de zaligheid verdiende, past ze ook toe.
Zoo is er rijkdom en zekerheid der zaligheid.
Jezus Consolator (Trooster) zal hen gedurig verkwikken. En allen, die met Hem één plant werden in die gelijkmaking Zijns lijdens en stervens, gaat Hij voor tot aan 's levens einde, tot in des Vaders heerlijkheid.
Wat een opgewekte toon ligt er toch in dit woord der overdenking van het lijden van Christus! Dewijl .....
zoo laat ons toegaan in de verzekerdheid des geloofs,
en laat ons hopen met een onwankelbare hoop,
en laat ons liefhebben tot opscherping van elkander!
't Kan ook niet anders.
Want Jezus' lijden predikt zoo'n volkomen zaligheid.
De voorwaarde is volbracht.
De mogelijkheid is gegeven.
En de zekerheid wordt geschonken aan allen, die hooren Zijn stem, die kennen Zijn genade, die volgen Zijn gang, die vertrouwen op Zijn Woord, en leven uit Zijn werk.
L.                                                                                                                 G. H. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's