VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
Gered.
12)
De moede oogjes draaien even. Duidelijk is de blik van herkenning, waarmee het kind op matten toon zegt: „Vader!"
Ha, flikkerende ster in dien bangen, zwarten nacht! Niet van hoop, maar van wellust en weelde om nog eenmaal dat woord van die geliefde kinderlipjes te hooren!
't Kind is uitgeput. 't Mondje, nog half geopend, de oogjes half gesloten, waardoor de lange, zijde-achtige wimpers bijna raken aan het donzig-witte vel der wangen. Onbeweeglijk ligt het kind, iedere ademhaling bijna 'n zucht, alsof het op-en nedergaan van de borst vermoeienis is
Met het geestesoog ziet de arme vader den onzichtbaren dood, die reeds zijn kille schaduw uitspreidt over het warme kinderleven. Hij zou het kunnen uitschreeuwen, hier, bij dat kinderbedje, uitschreeuwen van ellende, van hopeloozen, machteloozen angst! Maar alle stormen daarbinnen worden bedwongen door een verheven gevoel van piëteit voor het gaan sterven van een kind.
Hij knielt bij het bedje en neemt het handje; in de zijne.
„Mijn kleine lieveling", fluistert hij - teeder.
En weer ziet het kind hem aan met dien matten blik:
„Willie — slapen — maar — eerst — bidden" ; brengt hij met moeite uit. Het spreken van veel woorden vermoeit hem blijkbaar zeer.
B i d d e n! Het woord klinkt den vader als hoongelach door de eenzame, sombere gewelven van zijn binnenste. Maar nergens vindt het rust, nergens antwoord. En het klinkt dóór .....
Plotseling grijpt hem aan de waanzinnige gedachte, dat dat nu Willie's laatste wensch is, en dat hij dien niet vervullen kan! Alles dwarrelt voor hem heen: 't is of zijn gansche leven plotseling culmineert in dit afgrijselijke, als of er niets in of buiten hem bestaat dan deze ééne helsche folterpijn. Het snoert hem de keel dicht, het dreigt hem te verstikken
Ineens staat hij bij de tafel en vraagt aan de zuster: „Kun je bidden? Bidden —een avondgebedje met 't kind?" — zóó gejaagd en heftig, met zoo 'n wanhoop in stem en gelaat, dat de zuster meent, dat hij gek is geworden en hem verschrikt aanziet.
„Mensch! antwoord me! Of je met 't kind bidden kunt, nu, direct!"
„Neen, dokter — 't spijt me — maar bidden of zoo, dat kan ik niet", 'zegt zij aarzelend.
„Ga dan oogenblikkelijk naar beneden en vraag het aan een der dienstboden. Misschien Jan. ledere minuut kan het te laat zijn! Iedere seconde! Kom dadelijk terug!"
De zuster ijlt reeds die kamer uit en komt terug met de tijding, dat er niemand in huis is, die bidden kan. De vader ligt weer geknield voor het bedje in stomme smart. De zuster komt voorzichtig nader en zegt, dat Jan aanbiedt, om Doortje te gaan halen, en als de dokter het niet kwalijk neemt, hij kan fietsrijden of hij dan, omdat er haast bij is, meneers fiets zou mogen gebruiken? Kleine Willie schijnt 't gehoord te hebben, want hij zegt nu met een onrustige beweging, op zachten, klagenden toon:
„Do komen — met Willie bidden".
„Meneer, Jan wacht in de gang", dringt de zuster aan.
De vader rijst op om met Jan te spreken.
„Als je haar meebrengt .... Maar haar eigen moeder ligt op sterven, ze kan immers niet !"
„lk kan 't licht probeeren, dokter".
„Ga dan! Maar rep je, en breng haar dadelijk mee. ledere seconde kan te laat zijn!"
Jan verdwijnt met haastige schreden en de vader treedt weer in de kamer. Met gesmoorde stem vraagt hij de zuster heen te gaan. Hij wil nu graag alleen zijn.
Als ze weg is, staart hij wild om zich heen en breidt de handen uit, als zocht hij hulp in de ledige ruimte om hem heen. O, als, als 't kind nu eens stierf, vóórdat Doortje er was .....
En dan, in de radeloosheid van zijn ellende, werpt hij zich voorover op de grond, hij, de groote man, — de man der wetenschap, — die nooit gebeden had en smeekt:
„O God, als Gij bestaat en almachtig zijt — erbarm U dan — heb medelijden — laat Doortje hier komen — laat het kind zoo lang in het leven. — Dan zal ik het gewillig afstaan — verhoor me God, — doe dat allerverschrikkelijkste niet — o God, help me — help me!
Er zijn slechts eenige minuten verloopen, sinds Jan vertrokken is en het schijnen reeds uren. Uren, lang van spanning, van slingering tusschen hoop en vrees, van eindeloos wachten .....
Het kind ligt weer heel stil en zegt niets. De vader hoort nog de nagalm van het vreemde geluid van zijn eigen gebed, dat opschreeuwt door de lucht tot God, en roepen blijft om genade, om medelijden
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's