STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Het nieuwe Kabinet.
Eindelijk is na een duur van bijna _____ maanden en dan nog vrijwel onverwachts, de ministeriëele crisis tot een oplossing gekomen.
Het is n.l. Mr. de Geer gelukt een 9-tal mannen saam te brengen, die bereid zijn de leiding van de Staatszaken in handen te nemen. En met dit optreden van het Kabinet-De Geer is het ministerie-Colijn van de baan.
Voor hen, die van het afgetreden kabinet-Colijn hooge verwachtingen hadden, en dat waren onder alle rangen en standen van ons volk niet weinigen, moet dit heengaan, bijzonder van den gewezen Minister van Financiën, een groote teleurstelling wezen.
Het ligt nog zoo versch in het geheugen, het is nog geen half jaar geleden dat het rechtsche Ministerie optrad met de aankondiging in de Troonrede: „zoowel voor Bestuur als Wetgeving blijft handhaving van de christelijke grondslag van ons volksleven richtsnoer".
En nauwelijks met den arbeid begonnen, werd het Kabinet-Colijn reeds gedwongen om af te treden.
Met dit nuchtere, doch veelbeteekenende feit zullen wij ons hebben vertrouwd te maken.
Wat het program van het nieuwe kabinet zal zijn en welke houding het zal aannemen ten aanzien van het doorwerken van de christelijke beginselen van het leven van ons volk, daarover zullen wij reeds meer vernomen hebben, wanneer ons blad onze lezers , zal hebben bereikt.
Tal van vraagstukken zullen in de naaste toekomst de aandacht van de regeering vragen en niet weinige belangen, voor ons christelijk volksdeel van gewicht, zijn er, die op bescherming van de Overheid zullen aanspraak maken.
Voor het oogenblik zullen wij een wachtende houding hebben aan te nemen. Dit betreft bijzonder ook de vraag omtrent de voornemens der regeering met betrekking tot de moeilijkheid met de gezantschapspost bij het Vaticaan.
Er is echter een punt, ten aanzien waarvan het noodzakelijk is dat onverwijld het noodige licht worde ontstoken, opdat duidelijk blijkt wat van het Kabinet te wachten is.
Dit punt betrefit het karakter van het nieuwe Ministerie.
Het Kabinet wordt aangediend als een extra-parlementair Kabinet. Maar is het dit wel? Wij stellen deze vraag, omdat de Kabinetsformateur de heer de Geer niet een extra-, maar een partementair man is, zelfs een der leiders van de Christelijk Historische Unie.
Hoe komt deze Staatsman in een extra-parlementair Kabinet te zitten?
Wij zouden deze vraag ook kunnen doen ten opzichte van dr. Slotemaker de Bruine, den nieuwen titularis van het Departement van Arbeid, die lid der Eerste Kamer was en ook een vooraanstaande plaats in dezelfde Unie inneemt.
Komt het zitting nemen van deze mannen in een extra-parlementair Kabinet niet in strijd met de gangbare gedachte, welke bij tal van Staatslieden van naam ten aanzien van zulk een Kabinet bestaat?
Deze vraag is er een van principieele beteekenis, waarop een afdoend antwoord niet kan uitblijven.
Met belangstelling zien wij de discusles, ook op dit punt, in de Tweede Kamer tegemoet.
Het echtscheidingsproces.
Met groote ingenomenheid lazen wij enige dagen geleden een artikel in „De Roterdammer", dat ongetwijfeld in breede kringen van ons volk bijval zal hebben gevonden, doch waaruit tevens blijkt op welke ergerlijke wijze door de rechterlijke macht het echtscheidingsproces wordt vergemakkelijkt. Onder het opschrift: „De groote leugen", schrijft het blad:
Beslist en onvoorwaardelijk luidt artikel 263: „Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben". Op de meest brutale wijze wordt dit voorschrift overtreden door echtparen, van wie een zich bij verstek van overspel laat bechuldigen.
De rechterlijke macht sanctioneert dergelijke overeenkomsten door geen onderzoek naar de waarheid van het ten laste geegde in te stellen.
Een door en door onwaarachtige toestand is daardoor in het leven geroepen. Mr. C. Briët, een der Amsterdamsche rechters, heeft een goed werk gedaan daar in „Het Nederlandsche juristenblad" de aandacht te vestigen in een artikel dat tot opschrift draagt: „De groote leugen", en waarvan het begin aldus luidt:
„Wanneer zal eindelijk eens een eind gemaakt worden aan den door en door onwaren toestand, die hier te lande heerscht op het gebied der rechtspraak in echtscheidingszaken?", is eene verzuchting, die menig lid der rechterlijke macht, gedwongen aan die rechtspraak deel te nemen, wel eens zal uiten.
En terecht. Immers de toestand, zooals die thans is, moet inderdaad allerbedroevendst geacht worden.
Sedert het arrest van den H. R. van 22 juni 1883 (W. 4924) werkte de geheele rechterlijke macht welbewust mede aan een volkomen terzijdestelling van 't voorschrift van artikel 263 B. W., dat de echtscheiding door onderlinge toestemming verbiedt".
Zoo diep is het kwaad ingeworteld, dat overeenkomsten werden aangegrepen tusschen echtgenooten om tot echtscheiding over te gaan, waarbij dan de een formeel de schuld van overspel op zich neemt, de ander verklaart te weten dat dit overspel niet is geschied.
Dergelijke overeenkomst kwam onlangs bij de Amsterdamsche rechtbank in behandeling en mr. Briët deelt daarover het volgende mede:
„In de hoop de aandacht weer eens te vestigen op dezen onwaarachtigen toestand, die de rechterlijke macht telkens eer noopt tot met de wet in flagranten trijd zijnde beslissingen, wil ik hier wijzen op een merkwaardig vonnis der Amsterdamsche Rechtbank, uitgesproken op 8 Februari 1926, gepubliceerd N. J. 1926, bladzijde 256.
Op prijzenswaardige wijze heeft de Rechtbank toen verklaard niet hare medewerking te willen verleenen aan de erkenning van en overeenkomst vóór de echtscheiding tusschen de echtgenooten gesloten, met het blijkbare doel om door onderlinge overeenstemming tot echtscheiding te geraken.
Van de rechtbank werd hier gevraagd die overeenkomst wegens wanprestatie te ontbinden.
De Rechtbank overwoog, dat de oveneenkomst een onderdeel was van een onderlinge afspraak van partijen om te scheiden van recht, welke overweging zij motiveert met aanhaling uit de verschillende tusschen partijen en hare raadslieden gewisselde brieven, in de conclusiën van partijen overgenomen, en besliste ambtshalve dat bedoelde overeenkomst om zonder bepaalden bij de wet toegelaten grond te scheiden van echt, fals hebbende een bij de wet verboden, dus ongeoorloofde oorzaak, krachteloos is, zoodat de eischende partij in hare vordering niet ontvankelijk is.
Het wil mij voorkomen, dat deze uitspraak niet genoeg te waardeeren is. Immers de Rechtbank heeft hier op de stelligste wijze stelling genomen tegen een poging van partijen om haar met volkomen bewustheid en volmaakte kennis van zaken eene beslissing te doen nemen, waarbij een door de wet ten stelligste verboden overeenkomst zou worden gesanctioneerd.
Noch bij partijen, noch bij hare raadslieden is blijkbaar ook maar één oogenblik de gedachte opgekomen, dat hier van de Rechtbank iets gevraagd werd dat met de wet in strijd was.
Men beschouwt eenvoudig — en dit is eigenlijk het bedenkelijkste — het voorschrift van artikel 263 B. W. als niet bestaande en heeft naar het schijnt alle begrip, dat van den rechter wetsovertreding gevraagd wordt, verloren".
Weggedaan worde uit onze rechterlijke practijk „de groote leugen", die het bestaan van artikel 263 B. W. eenvoudig negeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's