VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
3) Gered.
Al zijn opstand is gebroken, zijn bitterheid is opgebouden, er is geen kvacht tot tegenweer meer in hem. Een gevoel van absolute afhankelijkheid, van volkomen lijdelijkheid is over hem. Hij wacht en wacht, de oogen gekluisterd aan het kind, ziende seconde na seconde, hoe het lichtje zachtjes uitgaat
Hij hoort niet, dat de bel overgaat. Hij hoort niet, dat zachte, haastige stappen naar boven komen. Hij hoort alleen Willie's ademhaling, hij ziet alleen Wilie's witte gezichtje met het aureool van goudglans.
„Do!" zegt het kind eensklaps, de oogjes even wijd openend.
Als verschrikt ziet de vader op en — droomt hij of waakt hij ? — daar staat Doortje achter zijn stoel, de oogen vol tranen.
Hij aarzelt geen oogenblik, maar neemt haar hand en doet haar nevens zich knielen aan het bed.
„Daar is Do, lieveling", fluistert hij, om met Willie te bidden".
Doortje neemt de beide handjes van het kind in de hare, maar 't kind poogt ze los te maken en wordt weer onrustig.
„V a d i e doen! — V a d i e bidden !" Eensklaps heeft Doortje een inval.
„Dokter, ik zal u zachtjes voorzeggen. Houd u zijn handjes vast, dan zegt u Willie voor". •
Doortje heeft gefluisterd en 't is heel stil in de ziekenkamer. Heel stil in huis en op straat, want het is nacht.
De lamp brandt in de kinderkamer, getemperd licht door een groene kap. In het bedje het stervende kind. Vóór het bedje geknield naast elkaar: aan 't hoofdeind de vader, aan het voeteind Doortje.
En heel zacht en plechtig gaat van mond tot mond het avondgebed. De kinderlipjes lispelen nauw hoorbaar. En voor die tweede maal ligt de beroemde geleerde geknield op de voetbank van den troon der genade.
„Om Jezus' wil, amen", fluistert Doortje.
„Om Jezus' wil, amen", herhaalt de vader.
„Om — Jezus' — wil — amen", de wegstervende klanken dringen alleen door tot 't oor van den vader. Doortje ziet slechts het met moeite bewegen der lipjes.
In plechtige stilte, vol reine majesteit, fonkelen de sterren aan den diep-donkeren hemel.
Als de nachtelijke uren voortglijden, dan verbleeken de sterren, en een vaal licht spreidt zich uit over de stille stad. Ragfijne, uitgewaaide wolkjes schikken zich als lange witte veeren tegen het frissche morgenblauw der lucht, als wilden ze wegen banen voor de stralen der opgaande zon.
En de zon, als uit dankbaarheid, zendt reeds vooruit warmen, rooden toovergloed en overgiet de slanke veeren met donzig-roze verve. En als de zon zelve het met goud gekroonde hoofd verheft boven de kim en haar gulden stralen zendt langs de nog bontgekleurde gewelven .....
Dan wordt er een gordijn opgetrokken in een der voornaamste huizen van een breede, deftige gracht.
„O, Doortje, kom eens even zien, hoe prachtig! Zoo iets heb ik nog nooit gezien! Kon er schooner beeldspraak zijn van de zon, die dezen nacht in ons huis en in mijn leven is opgegaan? Zoolang het nog nacht was, vreesde ik telkens, dat 't een droom was, maar nu de dag aanlicht, voel ik pas dat het werkelijkheid is, heerlijke werkelijkheid! O, welk een machtig God moet dat zijn, die het kind heeft gered, en die zóó mijn gebed heeft verhoord".
De spreker zwijgt, als in vele gedachten verdiept
En dan — dan weent hij als een kind. Doortje ontroert er van. Het is zoo aangrijpend, een sterken man te zien weenen.
„Ik heb 't niet verdiend! Ik heb 't niet verdiend! Je weet niet, hoe slecht ik geweest ben! Wat ik al niet tegen dien God heb gesproken en geschreven! En toch heeft Hij mij opgezocht in mijn ellende. Hoe is 't mogelijk ! Welk een liefde moet dat zijn, die zich ontfermen kan over dezulken als ik ben! Dat juist mijn collega bij je was, om te zeggen, dat je gaan kon, en dat je zijn rijtuig gebruiken mocht. Dat óók, zie je. Maar bovenal, boven alles uit, die wonderiijke, eenig-heerlijke redding van mijn kind, van mijn Willie! Want 't is een wonder geweest! En ik dacht, dat ik overwinnen kon door mijn wetenschap !
„Maar ik heb de nederlaag geleden. „En toch — er i s overwonnen. Maar door God. Ja, God heeft mijn kind gered; ik zal het getuigen tegen iedereen. Ik heb mijn lieveling uit den dood wedergekregen, en dat uit de handen van Hem, naar Wien ik nooit omgezien heb.
— En Doortje, nu zullen we samen het kind opvoeden in den dienst van dien God. Het zal Hem gewijd zijn. O, indien mijn vrouw dit had kunnen beleven! Wel zijn haar gebeden verhoord! Als ik terugzie, wordt het mij zoo duidelijk, hoeveel moeite God gehad heeft mij klein te krijgen; hoe lang God reeds bezig is geweest mij te zoeken.
Hij sprak als tot zichzelven en Doortje luisterde met een dankgebed in het hart.
„Maar Doortje", zeide hij, eensklaps zichzelf in de rede vallende, „wil je nu niet naar huis gaan?"
Als ze weg is, loopt de vader op de teenen naar het kinderbedje, waar zijn geredden lieveling in zachten sIuimering nederligt.
En dan — ten derden male — knielt hij neder, maar o, zoo anders dan de eerste en de tweede maal — en daar bij het bedje van zijn kind, verlicht door de eerste stralen van den rijzenden dag bidt hij een lang gebed, saam te vatten in deze ééne bede: „Ik geloof, Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp". Zo wijdt hij de toekomst van zijn leven en van zijn arbeid aan den dienst van dien God, die Zich, in dien nooit te vergeten nacht, zoo wonderbaar aan hem geopenbaard had.
Aan den avond van dienzelfden dag ging Doortjes moeder de eeuwige rust in. En Doortje, diep bedroefd, had toch dubbelen troost: Haar moeder in heerlijkheid; en de dokter niet langer een ongeloovige, maar knielend voor God!
„Gode zij dank, die ons altijd de overwinning geeft", juichte ze onder tranen.
EINDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's