MEDITATIE
Eere toegebracht aan den Man van Smarten
..... zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis. Joh. 12 vers 7 (ged.).
Gij zult u terstond herinneren waarvan de Heere dit heeft gezegd. Jezus neemt in den vriendenkring te Bethanië aan een maaltijd deel ten huize van Simon den melaatsche, die in dezen toenaam, de herinnering meedraagt aan zijn vroegere kwaal, maar tevens wel aan de ontfermende wondermacht van den Heiland, Die hem genas. Ook Lazarus is tegenwoordig als levend getuige van 's Heeren macht over dood en graf. De bedrijvige Martha is naar gewoonte bezig met veel dienens. Van Maria's naam wordt aanvankelijk geen melding gemaakt, geheel in overeenstemming met haar teruggetrokken karakter, waardoor zij zich altijd liever op den achtergrond zal gehouden hebben. Maar ook voor Maria komt er een oogenblik, waarop zij gedrongen wordt van haar liefde tot haren Zaligmaker te doen blijken. En dat oogenblik is thans gekomen. Haar liefde-daad zal eveneens in overeenstemming zijn met haar stille natuur, die alle luidruchtigheid schuwt. Als namelijk de maaltijd aangevangen is, treedt zij op den Heere Jezus toe met een albasten kruik met nardus in de hand. En als zij den smallen hals van de broze vaas heeft afgebroken, giet zij den geheelen inhoud over Zijn hoofd en voeten uit, zoo dat het huis vervuld werd van den reuk van deze welriekende en kostbare vloeistof waarvan slechts enkele druppels voldoende waren om een geheel vertrek met balsemgeur te doordringen. Daarna knielt zij neer om met voorovergebogen hoofd Zijne voeten met haar losgewikkelde haren af te drogen.
Voor ons, Westerlingen, behoeft deze daad van Maria eenige nadere toelichting. Naar Oosterscbe gewoonte werd de huid gezalfd om haar tegen den fellen zonnebrand te beschermen. En iedere gastheer, die zijn gasten voornaam wilde ontvangen, liet hem met dikwijls zeer kostbaar reukwater besprenkelen als een betuiging van beleefdheid en eerbied. 't Moet dus Maria's bedoeling zijn geweest om op deze wijze den Heere Jezus eere toe te brengen. Haar zwijgende daad is een zwijgende hulde. En, waar zij niet volstaat met enkele druppels uit den nauwen hals van de vaas op Zijn hoofd te laten neerdruppelen, maar heel den kostbaren inhoud over Hem uitgiet, is haar zwijgende hulde tevens een koninklijke hulde.
Maria heeft den Heere aldus eere toegebracht.
En de Heere verklaart deze hulde met dit woord: Zij heeft dit bewaard tot den dag mijner begrafenis.
Niet alleen de levenden, ook de dooden werden gezalfd. Deze zalving, die aan den ingang van Jezus' uitgang te Jeruzalem staat, is dus profetie van JeZus' dood. En in die zalving wordt door Maria haar hulde gebracht aan Christus, Die sterven gaat. 't Is niet met stelligheid te zeggen of dit ook de bedoeling van Maria is geweest en zij de beteekenis van hare zalving zelf wel zoo klaar bewust beeft verstaan als de Heere Jezus haar verklaart. Misschien heef de Heere hierin alleen het voorzienig bestel van Zijn Vader wilen doen opmerken, die Maria, juist nu Hij naar Jeruzalem is gekomen om Zijn lijdensweg te betreden, waarvan 't einde is de smaadheid van dood en graf, deze daad in het hart heeft gegeven. Dan zou Maria met deze hare hulde onwetend profetes zijn geweest van Jezus' dood en begrafenis. Maar als de Heere volgens Johannes zegt, dat zij dit „bewaard" heeft tot den dag Zijner begrafenis, is het zeer waarschijnlijk, dat Maria meer dan de discipelen Jezus' voorspelling van Zijn lijden en sterven heeft begrepen. Nu de Heere Zelf deze verklaring heeft gegeven, ligt er althans voor ons een aanwijzing in, hoe wij den Man van Smarten hebben te zien, zelfs in het diepst van Zijn vernedering. In deze lijdensweken wordt ons meer nog dan anders die Heere Christus voor oogen gesteld, zooals Hij gesmaad en bespot is om als een gevloekte Zijn leven te eindigen op een kruis en straks door vriendenhanden te worden - gelegd in de plaats, waar alle heerlijkheid van den mensch vergaat, namelijk het graf. Maar de zalving van Jezus door Maria herinnert er ons in het licht van 's Heeren eigen verklaring aan, dat Hij, hoewel veracht en de onwaardigste onder de menschen geworden, hulde, ja koninklijke hulde waardig is. Zóó hebt gij nu de geheele lijdensgeschiedenis te zien. Ook als Man van Smarten moet Hem eere worden toegebracht.
Die eere zult gij Hem ook toebrengen, wanneer uw hart een Maria-hart mag zijn. Wat haar dan tot die hulde gedrongen heeft? . . . . . 't Is moeilijk om de gevoelens 'van haar hart te ontleden op het oogenblik van hare zalving. Wij mogen deze daad van Maria echter toch wel beschouwen in het licht, dat de H. Schrift over de Maria-gestalte werpt.
Zij wordt ons geteekend als een vrouw die zich gaarne neerzette aan de voeten van Jezus, op die plaats van een leerlinge dus, om met een hart, dat van heilsbegeerte dorstte, de woorden des levens, door Hem gesproken als in te drinken. Dat goddelijk onderwijs blijkt vrucht te hebben gedragen. Zij heeft de woorden des Heeren in haar ontvankelijk hart mogen opnemen en bewaren. Het ééne noodige heeft zij gezocht en het goede deel gekozen, dat niet van haar kan worden weggenomen. Door het geloof is zij verbonden met Hem, in Wien zij vrede voor hart en leven gevonden heeft. De Heere Jezus Christus is haar dierbaar geworden. Geen offer is voor Hem te kostbaar. Even onvervalscht als haar nardus in de vaas, is de nardus harer liefde in het hart tot haren Zaligmaker. En nu brengt zij Hem het offer harer liefde in den nardus, dien zij uitgiet over Zijn gezegend hoofd, waarheen zij zoo menigmaal had opgezien met den blik der zielsbegeerte naar Zijn heerlijk onderricht, en over Zijn gezegende voeten, waaraan zij zich zoo menigmaal had neergezet om te luisteren met de volle spanning harer dorstende ziel.
In die zalving brengt zij echter ook het offer harer algeheele toewijding aan den Heere en Zijn dienst. Met haren nardus wijdt zij Hem hart en leven. Daartoe is alleen het uitgieten van dien nardus haar niet genoeg. Haar plaats is niet om vóór Hem te staan als profetes van Zijn dood. Die eere heeft zij niet gezocht. Haar plaats is aan Zijn voeten om te leeren of anders om te dienen. Geen offer is haar te groot, maar ook geen dienst haar te gering. En met haar haren, die immers als „de kroon der vrouwen" gelden, droogt zij Zijn gezalfde voeten af ; een werk, dat alleen door de geringste slaven werd verricht. Daar mede brengt zij Hem het offer van, haar toegewijde hart. Haar offer stijgt vervolgens tot de hoogte der aanbidding, omdat zij goddelijke grootheid en genade heeft gezien in de diepste vernedering van den Christus Gods. Meer nog dan de discipelen — met uitzondering van Johannes misschien, de discipel met het Maria-hart — heeft zij begrepen, wie de Heere Jezus was en het doel van Zijn komst verstaan. Die goddelijke grootheid heeft zij gezien, ais Hij tot haar sprak van het eeuwige Koninkrijk Zijns Vaders en die eeuwige wereld zich voor haar geloofsoog ontsloot. Onder den indruk van die goddelijke grootheid is haar ziel nog stiller geworden, toen Zijn machtwoord haren broeder Lazarus deed uittreden uit het graf. En dat aanschouwen en bewonderen van de grootheid Zijner heerlijkheid en genade klimt tot aanbidding, wanneer Hij in deze laatste dagen in den discipelenkring veelvuldig zinspeelt op Zijn lijden en sterven, dood en opstanding, en zij iets gaat doorzien van dat ondoorgrondelijke verlossingswerk, dat Hij straks in Jeruzalem volbrengen gaat. Dat brengt heel haar anders zoo gelijkmatige ziel in beroering en dringt haar om in het offer van haren nardus Hem het offer harer aanbidding te brengen, door Zijn hoofd te zalven, dat straks met doornen zal worden gekroond en Zijn voeten, die straks doornageld zullen worden aan het kruis.
Maar nu wiordt dat offer dier liefde, der toewijding en der aanbidding tevens een daad naar het hart van Gods volk, dat de beweegredenen wel kan verstaan, die Maria daarbij hebben geleid. Want die zelfde gevoelens leven er immers in het hart van al degenen, die Hem liefhebben, omdat Hij hen eerst heeft liefgehad; die zich gaarne neerzetten aan Zijn voeten om Zijn goddelijk onderricht te ontvangen en door Zijn Woord en Geest geleid, den Heere en Zijn dienst zijn toegewijd ; die in aanbidding verzonken kunnen zijn vanwege de grootheid Zijner heerlijkheid en niet minder over het wonder der verzoening, door Zijn lijden en sterven tot stand gebracht. Aan zulk een volk is de vernederde Christus dierbaar, omdat Hij hen kocht tot den duren prijs van Zijn bloed. En die liefde des Heeren keert als wederliefde tot Hem terug, wanneer een hart, dat met den nardus Zijner genade is vervuld, Hem toe gaat brengen het offer des lofs, dier toewijding en der aanbidding. Kan Hij ooit genoeg geprezen worden? Is Hij niet waardig om te ontvangen niet het allergeringste, maar hrt allerbeste, dat zij geven kunnen?
Nu heeft ieder zich echter in deze lijdensweken bij het gedenken aan dien smarteweg van den Man van Smarten aan deze daad van Maria te toetsen. Heeft de Heere Jezus Christus bij ons deze plaats al ingenomen? Ontvangt Hij van ons reeds den nardus der liefde, der toewijding aan Hem en Zijn dienst, der aanbidding vanwege de grootheid Zijner heerlijkheid en genade?
Ach, wat is dat voorbeeld van Maria beschamend voor ons allen, zooals wij van nature zijn. De Heere Jezus Christus beeft zich zoo diep vernederd. De overdenking van de zwaarte en de diepte van dat lijden leert het ons telkens opnieuw en voortdurend weer anders. Misschien komen wij er in deze lijdensweken onder de lijdensprediking van onder den indruk. Wellicht worden wij in een oogenblik soms tot tranen toe onder bewogen. Gij hebt echter den Heere Jezus niet te zalven met uw tranen, maar Hij heeft u te zalven met Zijn genade. Anders zal niemand onzer Hem zelfs een enkelen druppel nardys toebrengen. Deze wordt Hem alleen geschonken uit een hart, dat als Maria's kruik éérst verbroken is om de smart over de zonde, die Hem dit lijden heeft gekost. Want zulke verbroken harten vervult Hij met den nardus Zijner genade, in dit lijden geopenbaard, en met den geur Zijner verdiensten, door dit lijden verworven. Eerst zulk een hart zal den Man van Smarten het dankoffer der liefde, der toewijding en der aanbidding gaan brengen.
Maar voor zulke harten is Maria's voorbeeld andermaal beschamend. Maria bracht Hem haren onvervalschten nardus, zoodat het heele huis met den reuk dezer zalf werd vervuld. Gij kunt den Heere dit offer niet meer brengen, want lichamelijk is Hij thans niet meer onder ons. Gij behoeft ook dit offer niet meer te brengen. Die zalving had slechts waarde in den dag Zijner vernedering, waarin de wereld Hem haatte en de discipelen Hem niet verstonden. Maar als uw arme ziel vrede gevonden heeft in Zijn bloed, als uw ontledigd hart vervuld is met Zijn genade, heeft Hij recht op het offer van uw hart, het dankoffer van uw leven en de offeranden voor Zijn Koninkrijk. Dan moet het geloof in liefde werkzaam worden en het geheele huis vervuld zijn met dezen nardusgeur der offerende liefde.
Uw zielehuis moet er van vervuld zijn.
En uw levenshuis moet er van vervuld zijn.
Deze nardusgeur moet doortrekken de roerselen van uw ziel tot God en de roerselen van uw leven onder de menschen.
Er moet „een lieflijke reuke van Christus" van u uitgaan.
Met alles, wat gij van den Heere ontvangen hebt, behoort gij u te stellen tot een levend dankoffer den Heere. Niet door luidruchtig van Hem te spreken of luidruchtig voor Hem te arbeiden. Maar als het offer van Maria, in stilheid gebracht. En als een offer, waarbij niet gerekend wordt, hoeveel het wel kost, maar, indien 't hart er toe dringt, overvloedig. Immers, Maria bracht haar loffer tot zeer kostbaren prijs. Dat is Hij toch wel waard om te ontvangen? In Simon's huis waren levende getuigen van Zijn ontferming vereenigd. Voor den gastheer was Hij tot een Geneesmeester, voor Lazarus tot een Levensvorst, voor Maria tot een Profeet en voor die allen tot een Zaligmaker. Dat alles is Hij voor u tezamen.
Wat wordt daarvan nu in u en in uw leven openbaar? Zeker, er zijn misschien wel eens tijden, waarop uw hart van liefde, toewijding en aanbidding voor Hem overvloeit, uw lippen niet zwijgen kunnen, en uw offeranden gegeven worden met een blijmoedig hart. Maar moet gij u niet diep wegschamen, als gij op het voorbeeld van Maria let? Wanneer u gevraagd wordt: waar is uw geloof? zult gij misschien de lippen openen om rekenschap te geven van de hope, die in u is. Maar als u gevraagd wordt: waar is nu uw liefde? dan moet gij immers beschaamd zwijgen. En toch, ook wie deze liefde niet heeft, is een klinkend metaal en luidende schel gelijk.
Moge dan het getuigenis van 's Heeren lijden en sterven in deze weken uw geloof in Hem versterken, uw liefde tot Hem verinnigen, uw toewijding voor Hem opwekken en uw aanbidding van Hem verdiepen. Want als uw hart opspringt van vreugde om den vrede, dien gij vindt in Zijn bloed, en uw dorstige ziel wordt gelaafd uit de stroomen van eeuwig leven, die van Golgotha's kruis ontspringen, en uw hongerend hart verzadigd wordt met het manna Zijner kruisverdiensten, dan zult gij niet karig zijn om Hem de Maria-hulde en het Maria-offer te brengen. Neen, dan zult gij u verblijden om de minste Zijner dienstknechten en dienstmaagden te mogen zijn om slavendienst voor Hem te verrichten.
Echter niet met een slavenziel.
Maar met een Maria-hart om Hem eere toe te brengen door den Geest der aanneming tot kinderen Gods.
's Gr.-C. A. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's