KERKELIJKE RONDSCHOUW
Art. 36 Ned. geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XVIII.
De hoofdlijnen van het Gereformeerd Kerkrecht, waarin de hoofdbeginselen van het Gereformeerd kerkelijk leven uitkomen, hebben onze Vaderen aanstonds getrokken in de Wezelsche artikelen van 1568, waarbij zij in artikel 3 verklaarden, dat nog niet over alles nauwkeurig kon worden gehandeld — omdat de ervaring straks zeker nog vele dingen zou duidelijk maken — maar „nadat de Heere de deur voor de prediking des Evangelies zal geopend hebben", zoo zeiden onze Vaderen, moeten „alle Kerken en alle dienaren der Kerken met allen ijver er naar streven dat er gemeenschappelijk gelden bijeengebracht worden tot het saamroepen eener provinciale Synode van geheel Nederland, teneinde door een wettige Synode kunne vastgesteld worden wat in deze en alle andere zaken dient nagekomen te worden ten bate van de gemeenschappelijke inrichting der Kerken en de onderhouding van een zoo voortreffelijk mogelijke orde". „Aan haar" — d.i. dus aan die Synode van geheel Nederland, voorloopig een „provinciale" genoemd — „zal ter beslissing moeten worden voorgesteld alles aangaande de instelling der Colleges, de bezoldigingen, ambt, gezag der Leeraars, de oefeningen in de Scholen, de godgeleerde studiën enz." „Kortom alle mogelijke zaken, die in het algemeen op alle Kerken en den algemeenen dienst zien". „Want zoo gaan onze Gereformeerde Vaderen, die Gods Woord tot regel voor leer .en leven eerden, voort — „want het komt noch met het gezag der Schrift, noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere Kerk alléén zouden worden vastgesteld zonder dat de andere Kerken gehoord zijn, op welke zij evenzeer betrekking hebben". (Cursiveering van ons. Red. Wh.vr.).
Hier hebben we: als grondzuil van het kerkelijk leven: de plaatselijke Kerk; en tegelijk als onmisbaar Schriftuurlijk beginsel: de saamhoorigheid in belijdenis en Kerkorde van al de gemeenten (Kerken) saam, als Nederlandsche Gereformeerde Kerk in dezen lande dus. Daarom schreven we in ons vorig artikel: laat men nu niet zoo kleinzielig zijn, dat men niet wil of niet durft te spreken van „Kerken". Laat men ook niet halsstarrig weigeren het beginsel van "de algemeene Kerk" in den lande naar voren te brengen. Alleen wanneer men hier juist en zuiver de lijnen weet te trekken en de beginselen weet te eeren kan men veilig verder gaan! We moeten noch het „algemeene" hebben, dat de plaatselijke Kerk vermoordt en alles wil opsmelten tot een synodaal geheel; noch ook moeten we propageeren dat de plaatselijke Kerk het éen en het al is, waarbij dan, naar de beginselen van bet Independentisme, zoo gemakkelijk „het geheel" uit het oog wordt verloren, om met dat „geheel" dan naar willekeur te handelen. Want zoo hebben onze Gereformeerde Vaderen gezegd: „eenige orde en betamelijkheid in het gemeen moet onderhouden worden, waardoor als door een band de eenparige overeenstemming der Kerken kan bewaard worden — welke ieder voor zich in de Kerk, waarover hij gesteld is, zoolang heeft te volgen totdat na het samenroepen der Synode iets beters en volkomeners zal zijn verordend". (Art. 8 Hoofdstuk I. Wezelsche Artikelen).
Voor "de vrijheid der Kerken" wordt daarbij gewaakt door onze Vaderen in artikel 9, doch tegelijk voor „het gezag van de Synode", (waar toch immers de Kerken als leden van hetzelfde lichaam saam vergaderen) om „als door een band de eenparige overeenstemming der Kerken te verkrijgen en te bewaren".
Zoo zou iedere plaatselijke Kerk vrij zijn om b.v. den doopeling één of twee of driemaal te besprengen met water; den doop vóór of na de predicatie te bedienen; de kwestie van getuigen bij den doop; of men bij de Avondmaalsbediening de Schriften zal lezen of psalmen zingen en wat meer van zoodanige dingen voorkomen. (Art. 10).
Vrijheid der plaatselijke Kerk.
En daarom komt in de Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder 't Cruys sitten, ende in Duytschlandt ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn, gehouden te Embden, den 4 October Anno 1571, in 't allereerste artikel voor: „Geen Kercke sal over een ander Kercke.... heerschappie voeren".
Dat is een fundamenteel beginsel van ons Gereformeerd kerkelijk leven, dat niet verdwijnen mag, noch veronachtzaamd mag worden.
Waarnaast dan staat, dat geen Kerk zich van de andere Kerken los mag gevoelen, daar ze onderling met elkaar verbonden zijn als leden van één gezin, leden van één lichaam, één in geloof, in belijdenis, in leven, naar uitwijzen van Gods Woord, onder de opperhoogheid van den eenigen Koning Jezus Christus.
Zoo echt gereformeerd en in de lijn der historie is het dan, ook om met onze Gereformeerde Vaderen te spreken van „de Kerk van Amsterdam", „de Kerk van Utrecht" enz.; om te spreken van „sommige Kerken" (b.v. Embdensche Synode 1571, Aanhangsel, punt 14); om te spreken van de „vereeninghe der Kercken" welke is „de Nederlandscbe Kerk" (Opschrift Wezelsche Artikelen).
Wij gaan hierop nu verder niet in; want het was ons om de hoofdlijnen van 't Gereformeerd kerkelijk leven te doen in verband met ons onderwerp: Kerk en Staat.
We hebben, als Gereformeerden, het presbyteriale stelsel van Kerkregeering, met het vrij functioneeren van de ambten, welke door Christus zijn ingesteld.
Dit stelsel staat lijnrecht tegenover alle hiërarchie.
Geen Kerk kan volstaan met slechts te hebben een dienaar des Wooirds. Naast hem de ouderlingen, die met hem vormen den kerkeraad en de diakenen, geroepen tot den dienst der barmhartigheid.
Daarbij geen clericalisme.
De meerdere vergaderingen bestaan uit zooveel ouderlingen als predikanten.
Waarbij ook een kenmerk is van het Gereformeerd presbyteriale stelsel, dat het de Kerk vrij wil houden van de suprematie der Overheid: scheiding tusschen het Overheidsgezag en het kerkelijk gezag; aan de overheid geen recht in de heilige, in de kerkelijke dingen toekennend.
Kostelijke beginselen!
De absolute autoriteit van Gods Woord voor leer en leven, voor belijdenis en Kerkorde.
Aan dat Woord ontleent de Kerk haar inrichting.
Als vergadering van geloovigen belijdt de Kerk dat Woord.
Zij heeft haar ambten, in overeenstemming met hetgeen het Woord haar leert.
Zij heeft haar sacramenten en de tucht, naar dat Woord.
Zij leeft en schikt zich onder het regiment van haar Hoofd Jezus Christus.
Zij duldt geen gezag van anderen.
Zij zoekt gemeenschap met alle Kerken, die buiten onze grenzen éénzelfde geloof belijden, éénzelfden Koning eeren, éénzelfden strijd strijden; met éenzelfde hope vervuld zijn voor de toekomst. Zóó is zij plaatselijke Kerk, landskerk, wereldkerk! Evenwel ..... de oude Gereformeede Kerk heeft, in strijd met haar eigen Schriftuurlijke beginselen, telkens de Overheid binnengehaald tot hulpe, om op haar te leunen en te steunen, verwachtende, dat de Overheid haar zal helpen in wat zij zelve niet mocht te doen.
Om' één ding te noemen: als in, Wezelsche artikelen van 1568 de beginselen voor 't beroepings-en verkiezings werk voor de „Nederlandsche Kerk" wordt uiteengezet, dan voelt men aanstonds dat er in onderscheidene Kerken wel eens heele groote moeilijkheden zouden kunnen voordoen „wegens onderlinge partijstrijd". (Hoofdst. II, art. 5). En wat zou men daarom wel willen? Ge staat verwonderd, dit uit den mond van onze Gereformeerde Vaderen te vernemen. Want in art. 3, Hoofdst. II, zeggen zij niets meer en niets minder, dan dat ze eigenlijk wel wilden, dat de Overheid het beroepingswerk en het verkiezingswerk maar verrichtte of leidde, dan was men van veel ellende in de gemeente met haar ondelinge partijstrijd af; dan had men ook niet zo'n last van „de kuiperijen van den beroepene; ook niet van „de teugellooze, onbezonnen genegenheden van 't volk; ook niet van de eerzuchtige heerschappij van de Ouderlingen en Voorgangers.
Verbeeldt u! Daar zeggen onze Gereformeerde Vaderen in artikel 3: „Opdat dit (n.l. het beroepings-en verkiezingswerk) op rechte wijze geschieden kunne, zou n zeker te wenschen zijn geweest, date vrome Overheid harerzijds haar hulp wilde verleenen bij het rijp beraad de voorzichtige keuze der Ouderlingen. Want op deze wijze zou elke beslissing van het volk veilig kunnen berusten hun beider saamgevoegd gezag".
Wat een wanhoopsdaad de Overheid binnen halen, omdat men met kerkelijke ambten alleen ..... het ... niet kan beteugelen en de zaken niet naar behooren kan regelen! Dan om die verzuchting: „Och, dat de Overheid ons helpen kon!"
Doch onze Gereformeerde Vaderen wanhoopten dadelijk aan hetgeen zij dus als zeer begeerlijk hadden getekend. Want zij laten aanstonds, na teekening van hun heerlijk ideaal (!) deze sombere woorden volgen: „Dat dit echter nauwelijks schijnt te kunnen worden verwacht, zoo meenen wij, dat geen betere regeling kan ingesteld worden dan dat de gemeene bewilliging de Kerk gevoegd worde bij het gezag der Ouderlingen".
Noodgedwongen moest de Kerk dan haar eigen zaken dan maar doen.
Dadelijk dus, in 1568, een bedenkt lijke en noodlottige afbuiging, in de practijk, van het heerlijk en hooge gereformeerd beginsel, door in de handen van de Overheid te willen leggen, wat aan de gemeente, wat aan de ambten toekomt en zéér stellig niet behoort tot de competentie noch van de lands- noch van de stedelijke regeering.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's