De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

9 minuten leestijd

Het Calvinisme (7)
Johannes Calvijn.

Een trieste, ijskoude fiiguur is Calvijn niet geweest.
Wat een Melanchton eenmaal tot hem zeide: „mijn broeder, wanneer ik sterven ga, weet ik geen liever plek om 't hoofd neer te vleien dan aan uw hart", zegt ons genoeg hoe innig de vriendschapsbanden waren.
Toch blijft het contrast over, dat bij Luther meer de zonnige kant van het leven, bij Calvijn meer de stroeve ernst domineert. „Maar", zoo schrijft prof. dr. H. Kuyper, „wie daarvan Calvijn een verwijt zou willen maken, moge drieërlei niet vergeten.
Vooreerst dat Calvijn veel meer dan Luther heel zijn leven lang door lichaamlijk lijden gemarteld is geworden. Calvijn zelf droeg daaraan schuld. Door des nachts veel te waken en overdag te weinig voedsel te gebruiken — reeds als student deed hij dit — ondermijnde hij zijn toch al niet sterk gestel. Al de rampen, door Bilderdijk in zijn „Ziekte der geleerden" beschreven, kwamen over hem. Zijn slechte spijsvertering bezorgde telkens weer de heftigste aanvallen van hoofdpijn. Daarbij kwam, dat hij een zwakke borst had, in het gure klimaat van Genève telkens verkoudheden opdeed, en dit borstlijden tenslotte in tering overging. En alsof de maat der ziekten daarmede nog niet vol was, voegden zich daarbij op later leeftijd aambeien, galsteen, geregeld wederkeerende koorts en gewrichtsrheumatiek, waarvan de pijnen soms bijna ondragelijk waren. Terecht kon een van zijn vrienden hem schrijven: „aan u is niets gezonds dan uw geest alleen". Verontschuldigt dat lichaamslijden niet, wanneer Calvijn soms gedrukt zich voelde en wekt het geen bewondering voor den man die onder dat lijden nog zooveel gearbeid heeft?
Daarbij komt in de tweede plaats, dat de strijd dien Calvijin te voeren had, een zooveel persoonlijker en bitterder karakter droeg dan bij Luther. Ook Luther is een strijder geweest, maar zijn worsteling droeg een heroïsch karakter. Het was een strijd tegen de grootmachten dezer wereld, een strijd tegen Paus en Keizer, een strijd om de hoogste beginselen, een strijd, die adelt en verheft. Maar in Wittenberg zelf, waar Luther woonde en werkte, werd hij, op de handen gedragen, werd elke steen des aanstoots van zijn pad verwijderd, was zijn wil wet. Calvijn's arbeidsveld lag te Genève, waar de Overheid hem telkens dwarsboomde, waar men den leeuw tergde met speldeprikken, waar 't volk spotliederen op hem zong en men des nachts zoo 'n kabaal voor zijn huis maakte, dat hij niet werken kon; Geneve, het wufte en lichtzinnige Genève, dat de ondankbaarbeid zelfs zoover dreef, dat het hem, den grooten Reformator, een tijd lang gebannen heeft en waar Calvijn, zelfs na zijn terugkeer, nog jaren lang voor zijn leven gevreesd heeft. En al is 't aan Calvijn's reuzenenergie gelukt dat weerbarstige en lichtzinnige Genève om te scheppen in een streng puriteinsche stad, die als een model voor heel de protestantsche christenheid dienen kon, verstaat ge niet hoe die worsteling in eigen kring Calvijn's levensvreugde heeft gedempt?
Maar zwaarder nog dan dit lichaamslijden en die tegenstand van volk en regeering te Genève, heeft op Calvijn gedrukt het martelaarschap zijner Kerken. De Gereformeerde Kerk is de martelaarskerk bij uitnemendheid geweest. En die martelaren waren voor Calvijn geen vreemden, ze waren zijn eigen leerlingen, zijn persoonlijke vrienden. En toch heeft Calvijn nooit geaarzeld, al kostte het hem zijn hartebloed, die leerlingen, die hij, de man zonder kinderen, lief had als zijn eigen zonen, uit te zenden uit het veilige Genève naar de landen, waar het Evangelie moest gepredikt worden, al wist hij dat een bijna zekere dood hun wachtte. Hij sterkt en bemoedigt ze door zijn troostbrieven, wanneer ze ge­vangen zijn; hij lijdt met hen mede in hun folterkwalen; hij stort heete tranen bij hun dood. Calvijn met zijn teergevoelig hart heeft in dat martelaarschap der zijnen zelf een martelaarschap gedragen, erger dan de wreedste pijnen der folteribank. Men zegt dat Dante, na voor het oog zijner verbeelding de straffen der hel te hebben laten voorbij gaan, nooit meer gelachen heeft. Zou het wonder zijn, dat de gulle lach wegstierf van Calvijn's lippen, waar hij dagelijks om zich heen schrikkelijker lijden zien moest dan Dante's verbeelding hem voortooverde?"
„Is hiermede", zoo vervolgt prof. dr. H. H. Kuyper in zijn lezing in Transvaal gehouden, „deze beschuldiging tegen Calvijn's karakter ingebracht, genoegzaam weerlegd, even onjuist is de tweede aanklacht, die men gewoonlijk hoort, n.l. dat Calvijn eer-en heerschzuchtig was, een tyran en despoot, die geen tegenspraak kon verdragen, zijn wil op de meest onbarmhartige wijze doorzette, wreed tegenover zijn vijanden was, een eenzijdig en bekrompen drijver. Ook deze voorstelling van Calvijn komt daaruit voort, dat men den waren Calvijn niet kent of de diepste motieven van zijn handelingen niet begrepen heeft. En ik wil trachten ook hier u Calvijn in een ander en beter licht te doen zien.
Calvijn was van nature — zijn vrienden getuigen het, evenzeer als hijzelf — eer schuchter en verlegen, dan dat hij zich zelf op den voorgrond wilde dringen. Het stille studeervertrek, waar hij zich rustig aan zijne studiën kon wijden, trok hem meer aan dan actief te moeten deelnemen aan het practische leven. Ge weet, hoeveel moeite 't Farel heeft gekost hem te bewegen als reformator te Geneve op te treden. Van persoonlijke eerzucht kon reeds daarom bij Calvijn's arbeid te Geneve geen sprake zijn. Er zijn weinig menschen geweest, die minder eerzucht hebben gekend dan Calvijn. Indien hij met zijn geniale gaven, zijn organisatorisch talent, zijn scherpen blik in politieke zaken, zijn ijzeren wilskracht het gewild had, de hoogste eereposten in den Staat zouden voor hem hebben opengestaan; hij had een dictator te Genève kunnen worden. Maar Calvijn heeft nooit een eere-ambt voor zichzelf begeerd; de eenige officiëele onderscheiding als predikant hem geschonken, was, dat hij in den Kerkeraad geregeld op verzoek zijner ambtgenooten het praesidium waarnam. In den Staat heeft hij nooit eenig officieel ambt bekleed; zelfs werd het burgerrecht van Genève hem eerst kort voor zijn dood geschonken. Zijn inkomen was net genoeg om van te leven en na zijn dood bleek, dat de man, die Genève tot een rijke industriestad had gemaakt, nauwelijks meer achter liet dan een wèlvoorziene bibliotheek en wat huisraad. En teekent het niet, dat wanneer op Calvijn's initiatief te Genève een Hoogeschool wordt opgericht, hij de openingsrede niet zelf houdt, maar dit over laat aan den zooveel jongeren Beza en dezen als Rector der nieuwe school laat optreden, omdat hij hem voor geleerder houdt dan zichzelf".
Tusschen Luther en Calvijn liggen, wat aard en karakter, wat leven en arbeid betreft, dus nog al verschillen.
Luther, een zoon van het Duitsche bergvolk, was een volksman, dichter, prediker, volksredenaar bij de gratie Gods. Hij was daarbij de man van het oogenblik, met een warme, diepe inborst, met de opbruisende en alles neerwerpende kracht van een hartstochtelijk gemoed, welke spoedig weer week voor versaagdheid en zwakheid. Calvijn, geboren Franschman, was een denker, een meer organiseerende dan scheppende geest, die de gave bezat om veel te verwerken, onder één gezichtspunt te stellen, n.l. hoe komt God aan Zijn eer? — waarbij hij de gave had een harmonisch aaneensluitend stelsel te creëeren, hetwelk een afgeronde levens-en wereldbeschouwing omvatte. Hij, werkte voor het heden en de toekomst, zijnde een architectonische geest, die bij alle heftigheid en hartstocht van zijn spoedig geprikkeld gemoed, toch een ijzeren zelfbeheersching bezat. Was bij Luther het uitgangspunt de mensch, waarbij 't gaat om de vraag: hoe word ik zalig? — bij Calvijn gaat het uit van God en hij stelt als de hoogste vraag: hoe komt de Almachtige, Souvereine God, de Schepper van hemel en aarde op alle terreinen des levens tot Zijn recht en tot Zijn eer? Het Soli Deo Gloria was voor Calvijn het innerlijkste motief, waardoor hij bij al zijn daden werd beheerscht. En zijn wapen was: een brandend hart op een uitgestrekte hand aan God ten offer geboden.
Calvijn's leven kende maar één doel: God. Hij heeft maar één maatstaf waarnaar hij alle dingen beoordeelt: Gods eere. Hij heeft maar één wet, waaraan hij alles begeert te onderwerpen: Gods wil, geopenbaard in Zijn Woord. Alles trok Calvijn onder zijn gezichtskring. Alle schepsel is op zich zelf goed, geen enkel levensterrein is op zich zelf zondig en daarom wordt de Christen geroepen in 't midden van het volle leven den Heere te dienen naar Zijn Woord. Geen wereldmijding. In de wereld heeft de christen de zonde der wereld te haten om gansch het leven Gode te heiligen. Het persoonlijke, het huiselijke, het kerkelijke leven; het maatschappelijke, het staatkundige leven; krachten en gaven, kunsten en wetenschappen, de actie in elken levenskring moet de polsslag hebben van het leven dat Gode eere wil geven; 't zij dat gijlieden eet, 't zij dat gijlieden drinkt, 't zij dat gijlieden iets anders doet, doet het alles ter eere Gods!
Over de aarde, over heel het leven, over alles heeft Calvijn de heerlijkheid van Gods schepping gezien en over alles heeft hij de glans van Gods Woord laten uitstralen en daardoor heeft 't Calvinisme met de leer van de volstrekte souvereiniteit Gods, zoo zegenrijk gewerkt en zijn de burgerlijke en de maatschappelijke deugden in de Gereformeerde landen, waar Gods Gereformeerde Kerk een pilaar en vastigheid der Waarheid mocht zijn, tot zoo heerlijke ontwikkeling gekomen, tot zegen voor héél het volksleven.
Calvijn heeft geen hoogen leeftijd bereikt. 10 Juli 1509 geboren, is hij op 55jarigen leeftijd, Zaterdag 27 Mei 1564, tegen 8 uur 's avonds gestorven, na veel en bitter, doch geduldig en biddend gedragen lijden. Den volgenden dag, op Zondagmiddag, werd hij in allen eenvoud begraven in de stad, waar hij, zooveel gewerkt had en waar hij den 6den Februari 1564 voor het laatst had gepredikt.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's