KERKELIJKE RONDSCHOUW
Op ter vergadering!
Zoo de Heere wil en wij leven hebben we Donderdag 25 Maart a.s. onze gewone jaarvergadering. Dat is onze Bondsdag waarop de band tusschen de Gereformeerden in het midden der Ned. Herv. (Geref.) Kerk weer bizonder gevoeld wordt; dat we elkander zien en spreken; dat we met elkander bidden en zingen; om ook met elkander te handelen over de beginselen, die ons bij onzen arbeid, ook in onzen strijd, saambinden. Onze aanstaande Bondsdag - 't is al de 21ste — belooft zeer interessant te worden. Niet door bizondere, pikante dingen; gelukkig niet; maar doordat over dingen zal gesproken worden — niet in heftige debatten; gelukkig niet — die de geesten van onzen tijd bizonderlijk bezig houden en het moet ons een eere zijn, om ook in deze te mogen meewerken tot verheldering, tot verdieping, tot verbreiding, ook tot verdediging van de Gereformeerde, echt-Schriftuurlijke Waarheid; waarbij onze tijd weer een andere is dan de tijden van Luther en Calvijn; ook weer anders dan in de 17de en 18de eeuw.
Zoo staan de dingen niet stil en alleen wanneer we de duidelijke en wèl-gefundeerde waarheid naar Gods Woord recht verstaan en ook weten toe te passen op onzen tegenwoordigen tijd, zullen we de wapenen bezitten die, na langer of korter tijd, tot de overwinning kunnen brengen.
Laat ons dan saam, broeders en zusters in den Heere, Donderdag 25 Maart opgaan naar Utrecht, met een gebed in ons hart voor onze vergadering, den dichter van Ps. 145 nazeggende:
Ik zal, o HEER ! dien ik mijn Koning noem,
Den luister van Uw Majesteit en roem.
Verbreiden en Uw wonderlijke daan
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Art. 36 Ncd. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XIX.
Dat binnenhalen van de Overheid in kerkelijke zaken, omdat men het algemeen niet afkon, èn omdat men zich voorstelde, dat het dan, met hulp van de Overheid, heerlijk tot uitbreiding en tot bevestiging van de Kerk des Heeren in dezen lande zou komen, — vinden we door heel de geschiedenis van onze Vaderlandsche, Gereformeerde Kerk.
Financieel bij het beroepingswerk en bij de kerkelijke vergaderingen; moreel bij het handhaven van de positie der Gereformeerde Kerk; ook wel om eendracht onder het volk te bewaren, door andere secten en Kerken te weren of uit te roeien — ja, die hulp van de Overheid was niet te versmaden!
En principieel ging men redeneeren, dat de Overheid als Gods dienaresse tot taak had niet alleen God te dienen op haar terrein, maar ook de Kerk des Heeren te helpen en bij te staan, telkens i n te g r ij p e n in godsdienstige en kerkelijke aangelegenheden en zoo de uitbreiding van de Kerk onder het volk, in het Vaderland en in de Koloniën te bevorderen, werend en uitroeiend wat van de ware Kerk verschilde, wat haar hinderde, aanviel of schade toebracht.
De positie van den Staat en de positie van de Kerk onderscheidde men daarbij niet altijd even goed.
Calvijn zelf en zijn eerste volgelingen, evenmin als Luther en Zwingli, hebben hier de rechte onderscheiding weten te maken; wat ook in Art. 36 Ned. Gel. Belijdenis uitkomt. Hun stond de Overheid met 't zwaard voor oogen en dan in dienst van de Kerk — om bij alle geroep van „hier is de Christus en daar is de Christus", of bij alle „leeringen", die „dwalingen" waren, met de scherpte des zwaards beslissing te geven, opdat de ware Kerk zich, mee met de hulp van de Overheid, zou kunnen handhaven en uitbreiden; waarbij dan de leuze moest wezen: „één volk, één Kerk" en „héél het volk en héél de Kerk"; — alsof het g e e s t e l ij k karakter van de Kerk van Christus in het midden van een afgevallen, zondige wereld, toch nog wel ongeveer gelijk is met het natuurlijk karakter van een land en van een volk!
't Kostte wat het kostte, maar volk en Kerk moesten elkander zoo ongeveer dekken. En het zwaard van de overheid zou hier redding geven! Met alle onwaarheid, leugen, verwarring moest het in het midden des volks uit zijn; de Overheid moest daarvoor zorg dragen!
Onze Gereformeerde Vaderen spraken het nadrukkelijk uit, dat de Overheid niet alleen in burgerlijke, maar ook in geestelijke en kerkelijke aangelegenheden in den naam des Heeren heeft op te treden; niet dus alleen op haar eigen terrein, maar óók op het terrein van de Kerk. „Hun ambt, hier en elders, is" — zoo staat er — „n i e t a l l e e n acht te nemen en te waken over de Politie (d.i. de burgerlijke orde) maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iege lijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt". (Art. 36).
Oorspronkelijk luidde Art. 36 nog ietwat anders.
Want oorspronkelijk stond er: „En hare ampt ende officie, en is niet alleenlick te bedwingen ende te waken over de Burgerlicke regeringhe ende policie, maer oock over de Kerckelicke saken"; (ains aussie sur les choses ecclésiastiques).
Dat is in 1566 gewijzigd in „de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst". (Prof. dr. J. J. van Toorenenbergen in „De Symbolische Schriften der Ned. Hervormde Kerk, 1895, Kemink & Zn., Utrecht leest hier: „Kerkendienst).
Historisch verklaard kan dit wel niet anders beteekenen, dan dat onze Gereformeerde Vaderen van oordeel waren, dat op het terrein des publieken levens afgoderij en valsche godsdienst door de Overheid niet straffeloos mag worden geduld, maar desnoods met het zwaard moet worden gestraft; dat het rijk van den antichrist mee door de Overheid te gronde moest worden gebracht en dat de Overheid de ware Kerk moest beschermen en er voor moest zorgendat de Kerk van Christus zich uitbreidde en het Koninkrijk van Jezus Christus vorderde, waartoe de Overheid overal het Woord moest doen prediken". (Art. 36).
Want als wij de Confessie onzer Vaderen belijden, mogen wij onder de woorden waarin zij beleden niet anders verstaan dan hetgeen zij zelven, blijkens het stellige getuigenis der geschiedenis, met deze woorden bedoeld hebben. En men heeft maar even de teksten in te zien welke aan den rand der eerste uitgave van de Ned. Gel. Belijdenis voorkwamen om te bemerken, dat die plaatsen der Heilige Schrift hun voor oogen stonden, waarin sprake is van daadwerkelijk, met geweld, met het zwaard vervolgen, uitroeien, vernietigen, te gronde werpen, enz. [De Fransche tekst heeft: oter, ruiner et de truire; de Latijnsche: submoveant, evertant et diruant; terwijl de oorspronkelijke editie van 1562 (zie Belijdenisse des gheloofs, uitgegeven door dr. A. van der Linde, 3de druk, 1865, fol. 29) in plaats van uitroeien heeft te niet te doen]. Zelfs bij vluchtig lezen van de Schriftuurplaatsen 1 Kon. 15 vs. 12, 2 Kon. 23 vers 1 enz., Rom. 13 vers 1, bemerkt men het aanstonds, dat het uitroeien met het zwaard van Koning Asa en van Koning Josia als ideaal voor oogen staat.
Hoezeer dat ook nu nog de gedachte is, en men het nu zou wiilen, dat de Overheid daadwerkelijk optreedt met 't zwaard om allen valschen godsdienst en afgoderij met het zwaard uit te roeien, bleek ons uit een brief uit Friesland van iemand, die onze artikelen over Artikel 36 met heel veel belangstelling leest en ons o.a. schreef: „Ik zoude wel gaarne eens eenige opheldering omtrent Artikel 36 hebben, daar ik in Uw zoo veelgelezen blad de stoute indrukking heb gelezen, dat in zeker gedeelte onze oude reformateurs zoo wat roomsch waren. Wij beleven mijns inziens vreeselijke tijden, die geheel tegen Gods dierbaar Woord aanloopen". En dan vervolgt de schrijver: „Wie zal het durven wagen als de Heere J e h u het zwaard in handen geeft om het afgodisch huis Achabs te verdelgen, om te zeggen, dat hij daar geen macht toe heeft, die hem van God gegeven is? Wie zal durven bestaan, dat, toen E l i a de Baalspriesters doodde, de Heere niet zelf aan de spitse was en dat Elia daartoe niet van den Heere geroepen was, om dat groote werk uit te voeren? De Heere heeft wel terdege Zijn welbehagen betoond, door te antwoorden, door vuur uit den hemel! Wie zal 't durven wagen, dat God de Heere de Overheden 't zwaard niet in handen heeft gegeven, daar de Heere zelf onder Israël heeft bevolen, dat de s a b b a t s c h e n d e r moest gedood worden? Ik meen, dat God onveranderlijk is; wie zal het durven wagen om dat te betwisten, hoe de Heere ons land en volk goedgunstig was, toen de Overheden voor God, Zijn Woord en Zijn eere alles aanwendden en wanneer de nood het vereischte, het zwaard trok, 't welk hun God gegeven had? Wie durft het zeggen, dat David Goliath versloeg toen hij de eere Gods aanrandde en dat de Heere zelf niet den slingersteen bestierde en David 't zwaard in de hand gaf om dien grooten Godslasteraar te dooden? Voorwaar, een koninklijke daad, hoewel David toen nog geen koning was, inderdaad hij was er toch door den Heere voor aangewezen en de Heere heeft het hem immers niet kwalijk genomen. Och, hadden wij zulke Overheden en machten! enz."
Op de verschillende geschiedenissen en gebeurtenissen aangaande Jehu, Elia, David en Goliath enz., gaan we natuurlijk niet in. Wat de Heere toen nadrukkelijk gezegd en bevolen heeft en wat er in 's Heeren naam en 's Heeren kracht is gedaan, gaan we nu natuurlijk voorbij. Slechts willen we opmerken, dat uit dit schrijven blijkt wat „men" in Artikel 36 leest en wat „men" in dezen tegenwoordigen tijd van de Overheden en de machten verlangt! Het zwaard, om uit te roeien: m e n s c h e n, die van een anderen godsdienst zijn, die tot een andere Kerk behooren, met name den Paus, dien men dan „de antichrist" noemt en de Roomschen, die men „afgodendienaars" heet. Die moesten met het zwaard gedood en van den aardbodem verdelgd worden! Zooals Israël de Kanaanieten moest dooden met het zwaard, zooals Elia de Baaispriesters slachtte, zooals David Goliath velde, zooals Jehu Achab's huis uitroeide, enz. enz.
Nederland moest zijn een theocratie, een Godsstaat met een Godsregeering en de Gereformeerde Kerk moest zijn de eenigerkende Kerk. Nederland een Gereformeerde natie met een Gereformeerde Kerk. En daarom moesten de Roomschen, de Remonstranten, de Lutherschen, de Doopsgezinden geweerd, desnoods uitgeroeid worden; buiten alle rechten en alle ambten gezet; en het moest verboden worden, dat er kerkgebouwen voor zulke afgodendienaars, voor zulke secten, voor zulke van de waarheid afwijkende menschen zouden staan in de straten der steden of in het midden der dorpen. Bij hooge gratie slechts zouden ze "geduld" worden in den lande en zou een kerkgebouwtje in de achterbuurten mogen wegschuilen tusschen en achter onooglijke pakhuizen of woningen! .
Wanneer men hier dan bij deze kwestie, gelijk onze briefschrijver uit Leeuwarden, een beroep doet op de onveranderlijkheid Gods, dan zeggen we, dat men een gansch verkeerden, een mechanischen, een onschriftuurlijken kijk op de wegen en werken Gods heeft.
Weet men niet, dat de onveranderlijke God met souvereine majesteit onder het Oude Verbond een gansch andere b e d e e l i n g heeft gehouden dan onder het Nieuwe Testament ? Wat we zouden kunnen aanduiden met het particularism e onder Israël en het universeele onder de volkeren na de dagen van Jezus' omwandeling op aarde, 't welk aan Abraham, den vader, niet der Joden, maar der geloovigen van gansch de aarde, was voorspeld.
De onveranderlijke God heeft in Zijn souvereine majesteit, naar Zijn onveranderlijken Raad, Zijn wegen anders gericht onder de Nieuwe Bedeeling, dan in Israels dagen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's