De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie.
XX.
Voor den christen moet het gaan om de vraag: welke plaats de Heere aan Zijn Kerk wil aanwijzen en niet om wat de m e n s c h wel gaarne zou wenschen en willen. De mensch heeft in deze slechts te dienen en is niet geroepen te h e e r s c h e n. En wat is dan de ordening Gods inzake de Nieuw-Testamentische Kerk? Gewis een gansch andere dan er voor de Oud-Testamentische was. Toen was de Kerk Gods particularistisch, d.w.z. beperkt tot één volk en héél het volk was in de Kerk opgenomen, waarbij de besnijdenis het teeken van de nationaliteit èn het teeken van het verbond was. Israëliet te zijn was dus in Kanaan hetzelfde als te behooren tot de Kerk Gods. Maar dat is alles gansch anders geworden en het is de Souvereine God, Die dat nu anders wil dan het vroeger was; waarin de mensch den Heere niet alleen heeft te eerbiedigen, maar Hem heeft te aanbidden en te prijzen! Wij kunnen nooit goed begrijpen, dat zelfs theologen van professie uit het oog kunnen verliezen het gansch verschillend karakter der Oud-en der Nieuw-Testamentische Kerk en dan zóó maar wat onder de Oud-Testamentische Bedeeling gold willen overnemen voor en willen toepassen op de Nieuw-Testamentische Kerk. Zulk een eigen-wijze manier van handelen mag de mensch er toch niet op na houden? De mensch mag toch Gods weg en werk niet in 't aangezicht slaan om het te verachten en er eigen werk voor in de plaats te stellen? Integendeel, de mensch heeft eenvoudig geloovig den Heere in Zijn weg te volgen en te doen wat Hij wil, dat we doen zullen. En dan komt het universalistisch of algemeene karakter van de Nieuw-Testamentische Kerk aanstonds uit.   
't Is nu niet meer voor één volk, met uitsluiting van alle andere volkeren. 't Is nu voor alle landen en alle natiën; maar dan zóó, dat hier en elders in het midden der natie, in het midden der burgerlijke maatschappij, de Kerk van Christus als een eigen stichting en planting Gods staan zal, waarbij de doop nu niet het ééne volk van de andere volkeren scheidt (zooals de besnijdenis onder Israël de Joden scheidde van de heidenen), maar waarbij nu — als het Verbond Gods geheiligd wordt — de doop de geloovige Nederlanders van de ongeloovigen onder ons volk scheidt.
De algemeene, Katholieke, Christelijke Kerk is dus een vrucht van de genade Gods onder het Nieuwe Testament in Christus geopenbaard. En die algemeene, Katholieke, Christelijke wereldkerk wordt dan gevonden èn in Nederland èn in Duitschland èn in Engeland èn in Oostenrijk èn in Afrika èn in Azië èn in Amerika — evenwel niet zoo, dat een héél volk om de wille van zijn nationaliteit tot die Kerk behoort, maar steeds zóó, dat de Kerk in Nederland, de Kerk in Duitschland enz., zal bestaan uit degenen, die door de genade des Geestes den Heere wenschen te dienen naar Zijn Woord en al hun heil zoeken in Jezus Christus en Dien gekruist.
Zóó zal het dan ook gansch gewoon zijn, indien een deel van een volk — b.v. van het Nederlandsche volk - tot de Kerk van Christus behoort, om zich onder Zijn geestelijk opzicht te stellen; en het is geenszins te verwachten dat — wanneer het Verbond Gods heilig zal worden gehouden — héél het volk tot de Kerk van Christus zal gerekend kunnen worden. Want de weg van de wereld is en blijft breed, maar de weg des Heeren, de weg der genade en des Geestes, is en blijft smal! 't Is en blijft hier „velen" tegenover „weinigen". Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis — waarvan artikel 36 een deel is! — spreekt in deze allesbehalve onduidelijk. Laten we de artikelen 27 tot en met 35 maar eens samen lezen!
Heel helder en klaar hebben onze Gereformeerde Vaderen aanstonds de Kerk des Heeren voorgesteld als de universalistische, algemeene christelijke Kerk, verdeeld over alle landen, hebbende overal te midden van de burgerlijke maatschappij een eigen levensaard en een eigen levenswijze, niet naar natuurlijke, maar naar geestelijke wetten levend, onder bescherming en regeering en bewaring van den verhoogden Heiland Zelven.
In de artikelen 27—35 is van een Nederlandsche Kerk geen sprake. Onze vaderen hebben niet gedacht aan een volkskerk. Ze hebben gedacht aan de Katholieke, algemeene Christelijke Kerk van alle landen; geheel naar uitwijzen van hetgeen de Heiland en Zijn Apostelen ons hebben geleerd. Nergens lezen we in het Nieuwe Testament, noch in de Evangeliën, noch in de Brieven, noch in het boek de Openbaring van een „volkskerk". Nooit is er sprake van een volkskerk, maar steeds van de algemeene, Katholieke Kerk, waarvan de leden hier en elders en overal op geestelijke wijze en langs geestelijke wegen en door geestelijke middelen worden vergaderd, toegebracht, geregeerd, bewaard, gevoed, behouden.
Artikel 27 zegt: „Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke of algemeene Kerk, dewelke is eene heilige vergadering der ware Christ-gelioovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot den einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwige Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden, tegen het woeden der geheele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zéér klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen enz."
Hier denkt natuurlijk niemand, die dit leest, aan de Nederlandsch Hervormde Kerk of welke Kerk ook, maar aanstonds en alleen aan de algemeene, Katholieke, Christelijke Kerk van alle landen en alle tijden.
Daarom gaat artikel 27 ook voort met te zeggen: „Ook mede is deze Heilige Kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nochtans te samen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in éénen zelfden Geest, door de kracht des geloofs".
Als een planting Gods staat die Kerk daar dus. Als een geestelijk huis. En dat wel te midden van zooveel wat niet tot de Kerk behoort, wat niet door den Geest is saamgevoegd. En zoo zullen hier en elders en overal zoovelen zijn die zich niet bij de Kerk voegen, ja, die deze Kerk van Christus haten en tegenstaan en vervolgen. Daarom moeten de geloovigen zich des te meer aaneensluiten en zich bij die Kerk voegen en niet van verre blijven staan, want daar, in het midden van Zijn Kerk, wil de Heere in den dienst des Woords en der Gebeden en der Sacramenten onder Zijn volk wonen, in Nederland, in Duitschland, in Frankrijk, in Engeland, ja, overal waar de Heere Zijns Naams gedachtenis komt stichten.
In artikel 28 wordt dan gezegd, dat alle geloovigen zich bij die (algemeene, Katholieke, Christelijke) Kerk hebben te voegen, 't zij ze hier, 't zij ze elders woonachtig zijn; ze moeten zich daarmee vereenigen, onderhoudende de eenigheid der Kerk, zich onderwerpende aan hare onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, — waarbij zekerlijk niet op de goedkeuring van de wereld valt te rekenen; maar de geloovigen hebben zich saam, hier en elders, als Gods Kerk te open­baren in de onderhouding van Zijn Woord en Wet, ook al zouden „de Magistraten en plakkaten der Prinsen (Vorsten) daartegen zijn, enz.
In artikel 28 komen de Magistraten en Prinsen dus al om den hoek gluren; maar dan ..... als vijanden; als tegenstanders van Christus' Kerk, waarvan de geloovigen, hier en elders, veel verdriet en moeite zullen hebben, waarbij zij nochtans de gemeenschap met de Kerk zullen moeten blijven onderhouden en naar Gods Woord zullen moeten blijven leven. "
Artikel 29 zegt dan, dat die algeme Katholieke, Christelijke Kerk, waarbij ware geloovigen hier en elders zich hebben te voegen, overal naast zich zal zien veinzen wat den naam van Kerk zal dragen maar niet de ware Kerk, met de kenmerken van Gods Woord, is. Dat moet wel bedacht worden steeds en overal! En niemand van de geloovigen mag voor die kenmerken van de ware, van de echte Kerk van Christus onverschillig zijn; ieder moet er nauwkeurig acht op geven en moet zich bij de ware Kerk voegen en er bij blijven en zich niet inlatend met de valsche kerk welke aan haar eigen voorschriften meer macht toekent dan aan het Woord Gods en zich niet aan het juk van Christus wil onderwerpen en de Sacramenten niet bedienen naar de inzetting van den Heiland. (Art ...)
Er is dus een Kerk van Christus, de gemeene, Katholieke Kerk des Heeren, welke de Heere Zichzelf vergadert uit alle landen. God heeft niet geopenbaard, dat Hij bizonder in Nederland, bizonder in Engeland, bizonder in Transvaal, bizonder op Celebes Zich een Kerk wil vergaderen. Neen, de Heere heeft geopenbaard, dat in Christus van alle natie, van elk volk zal toevergaderen tot Zijne Gemeente, die zalig worden. En de geloovigen hier en geloovigen elders hebben zich nu plaatselijk te vereenigen, om de gemeenschap de Kerk van Christus te oefenen en te bewaren, waarbij zij steeds naar de kenmerken van de ware Kerk moeten vragen, opdat niet met een Kerk gemeenschap hebben welke niet een ware, doch een valsche is, hebbende niet de geestelijke gehoorzaamheid aan den Heere naar Zijn Woord.
Artikel 30 zegt dan ook, hoe de Kerk Heeren zich overal moet inrichten om op waardige wijze te openbaren en tot ere Gods te leven. Daarvoor heeft de Heere geen bizondere regels gegeven voor Nederland; neen, wat Hij geopenbaard heeft in Zijn Woord geldt voor gansch Zijn Kerk en voor Christus' Kerk overal, in alle landen en in alle plaatsen, opdat de Kerke Gods zich partieel, plaatselijk, maar tegelijk universeel, algemeen kan organiseeren en ook alle deelen met het geheel gemeenschap kunnen oefenen; van land tot land en van volk tot volk.

In de Kerk moet een geestelijke levenswijze en een geestelijke bestuurswijze zijn en dus niet naar wereldsch model, maar naar g ee s t e l ij k model! „Wij gelooven — zegt de Kerk des Heeren in artikel 30 van de Ned. Geloofsbelijdenis — „wij gelooven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie (bestuurswijze) die ons onze Heere heeft geleerd in Woord; n.I. dat er Dienaars of Herders moeten wezen, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk door dit middel de ware religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer haaren loop hebbe, dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in toom gehouden, opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naar dat zij van noode hebben. Door dit middel zullen alle dingen in de Kerk wel en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn en naar regel, dien de heilige Paulus daarvan geeft in den Brief aan Timotheüs".
Daar staat dus de Kerk van Christus in 't midden van de wereld, hier en elders ten voeten uit geteekend als een eigen stichting en planting Gods, met een eigen levenswijze en een eigen bestuursorganisatie naar uitwijzen van de Heilige Schrift, te staan als een heilig, geestelijk huis te midden, van een krom en verdraaid geslacht.
Zelf zal zij op hare leden letten en zoo noodig tucht oefenen.
Zelf zal zij hebben herders en leeraars en ouderlingen en diakenen, om haar het huishouden te verzorgen. Zij zal de armen helpen, zij zal de bedrukten troosten, zij geeft ze niet over aan het Burgerlijk bestuur, maar zij doet het zélf. En zij zorgt er voor dat, door in den weg des Heeren te gaan, de ware religie in en door hetzelve wordt onderhouden en dat de ware ..... haren loop hebbe.
De Kerk met een eigen huishouden, een eigen levenswijze, met een eigen regering, met eigen werk.
De Kerk als een stichting en planting Gods van eigen rechte zijnde. De Kerk als het huis Gods, staande en vrij in het midden des volks, hier en elders, onder de besturing en regeering haar verhoogden Koning, Die haar herders en leeraars, ouderlingen en diakenen gadert om zoo te zijn en te blijven een huis of een pilaar en vastigheid der Waarheid zijnde een vrije Kerk in het midden den Staat, door God Zelf verzorgd en God Zelf bewaard. (Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's