De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

Een theologisch debat.
Hoewel de Tweede Kamer de vorige week met versneld tempo de Staatsbegrooting afdeed en bij dezen ongewonen gang van zaken heel wat gewichtige aangelegenheden onbesproken liet, bleek bij 't Hoofdstuk „Financiën", „afdeeling Eerediensten", dat er nog wel eenigen tijd voor een theologisch debat beschikbaar was.
Bij de discussie waren er twee onderwerpen, beide de Hervormde Kerk betreffende, die bijzonder op den voorgrond traden.
Het eerste onderwerp liep over de opheffing van een predikantsplaats in de Ned. Hervormde Gemeente te Dokkum.
De kerkeraad van die gemeente had verzocht om een der twee predikantsplaatsen te mogen opheffen en het daardoor vrijkomend Rijkstractement te mogen bestemmen tot verhooging van het tractement voor de overblijvende plaats.
Zooals het de gewoonte is, wordt wanneer ergens een predikantsplaats wordt opgeheven, de daardoor vrijvallende gelden, hetzij tot verhooging van een andere predikantsplaats, hetzij tot een ander soortgelijk doel voor dezelfde kerkelijke gemeenschap besteed.
De regeering nu had op het desbetreffend verzoek van den kerkeraad van Dokkum gunstig beschikt, echter, zooals de Minister van Financiën mededeelde, onder de gebruikelijke voorwaarde, dat aan 't Departement van Financiën werd ingezonden een gewaarmerkt afschrift van het besluit van het Classicaal Bestuur, goedgekeurd door het Provinciaal Kerkbestuur, tot opheffing van de tweede predikantsplaats.
Dit afschrift was intusschen nog niet bij het Departement ingekomen.
Van deze omstandigheid maakte het Chr. Historisch Kamerlid ds. Langman in de Tweede Kamer gebruik, om de zaak ongedaan te maken. Hij stelde n.l. den Minister van Financiën de vraag, of deze zijn invloed zou willen aanwenden, dat, als daartoe het verzoek kwam, de tweede predikantsplaats te Dokkum niet zou worden opgeheven.
Deze vraag lijkt ons van hoogst bedenkelijken aard, want zij hield niets meer of minder in dan den wensch, dat de regeering zich direct of indirect zou gaan bemoeien met de interne aangelegenheden van de Kerk te Dokkum.
Ds. Langman was zich bewust, dat hij zich in deze kwestie op glad ijs bewoog. Hij bood wel zijne verontschuldigingen aan voor het doorheen haspelen van de taak van de Overheid en de roeping van de Kerk,  maar dit belette hem toch niet zijn vraag aan het oordeel van den Minister te onderwerpen.
Gelukkig ging mr. de Geer op het verlangen van het Chr. Historisch Kamerlid niet in. Hij noemde het standpunt van ds. Langman — zeer terecht — onjuist en verklaarde voorts, dat, wat het Kamerlid wilde, buiten zijn bevoegdheid als Minister lag, want dat zou zijn het uitoefenen door de Overheid van het recht om zich met kerkelijke zaken te bemoeien. En dit achtte de Minister verboden terrein.
Wij hopen, dat ds. Langman door het betoog van den Minister van Financiën, zoo mede door hetgeen dr. Scheurer in de Kamer tegen zijn vraag aanvoerde, voor goed van zijn dwaling zal genezen zijn, want waartoe zou het leiden, wanneer de regeering de besluiten van een kerkeraad aan een Overheids-veto ging onderwerpen? Het zou dan met de vrijheid en zelfstandigheid van de Kerken voorgoed uit zijn.
Het tweede onderwerp, waarover van gedachten werd gewisseld en dat ook door ds. Langman, thans bijgestaan door dr. de Visser, aan de orde werd gesteld, was de oude kwestie van het instellen van nieuwe predikantsplaatsen.
Ditmaal ging het om de godsdienstige verzorging van de Hervormden in de gemeenten Erica, Lemelerveld en Maarn. Voor die gemeenten werd nu niet minder dan op principiëele gronden de Staat, instede van de Kerk, aangewezen om voor de geestelijke belangen der bevolking te zorgen.
Wij achten het met mr. Heemskerk, die het gevoelen van ds. Langman en dr. de Visser bestreed, niet goed, dat de Staat de zilveren koorde met de Kerken nauwer aanhaalt en daarmede ook tegelijk aan de Overheid de gelegenheid geeft, gelijk dit steeds regel is, om naast een paar nieuwe Hervormde predikantsplaatsen ook weer de salarissen ten behoeve van eenige pastoors en kapelaans op de Staatsbegrooting te brengen.
De Staat heeft de Kerken vrij te laten, vrij te laten op de meest volkomen wijze, en niet direct noch indirect de Kerken te bevoordeelen.
Intusschen was Minister de Geer niet ongevoelig om op een volgende begrooting met de wenschen van ds. Langman en dr. de Visser, en zeker ook met die van dr. Nolens, rekening te houden, zoodat in het najaar opnieuw een theologisch debat in de Tweede Kamer is te verwachten. Of wel, wat wij nog hopen, Minister de Geer zou op zijn aanvankelijk voornemen moeten terugkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's