De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag

7 minuten leestijd

Verslag van de 21ste jaarvergadering van den Gereformeerden Bond op Donderdag 25 Maart 1926 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
I.

Donderdag 25 Maart kwam onze Bond weer in jaarvergadering bijeen. Ook ditmaal bleken velen aan den oproep ter vergadering gehoor gegeven te hebben. Middag-en morgenvergadering waren beide flink bezet. Om 11 uur werd de vergadering op de gebruikelijke wijze geopend. De voorzitter deed dit met het doen zingen van Psalm 87 vers 1 en 3, het voorlezen van 2 Kronieken 30 vers 1—12 en gebed. Hij heet hierop alle aanwezigen hartelijk welkom en spreekt ongeveer aldus: Het verheugt ons dat we onzen Bondsdag weer samen mogen doorbrengen. Daar zijn vele dingen die ons neer drukken, die ons schier hopeloos en moedeloos doen nederzitten, zoowel in als buiten onzen kring. Als er echter zoo heel veel is waarvan we niet weten wat we er van denken moeten, dan is het toch goed dat we met elkander gemeenschap zoeken en dat we daarbij aflaten van wat ons niet tot zegen zal kunnen zijn. Het verheugt ons dat ds. Batelaan zich bereid heeft verklaard om hier een onderwerp in te leiden en dat hij tot ons spreken zal over „de Anti-Christ", een onderwerp, dat zeker van de allergrootste beteekenis is.
Ds. Batelaan verkrijgt hierop het woord en houdt een referaat over het aangekondigde onderwerp, waarvan hier een kort overzicht volgt.
Na een inleidend woord in verband met Efeze 6 vers 13, over „den boozen dag", die voor de Kerk des Heeren te wachten is, komt de spreker op zijn onderwerp „de Anti-christ", die zich in het laatst der dagen openbaren zal.
Eerst gaf hij een kort overzicht van de Schriftuurplaatsen, die over den Antichrist handelen, daarbij inzonderheid sprekend over de Schriftuurlijke gegevens van Paulus en Johannes. Vooral 2 Thessal. 2 vers 1 tot 12 brengt hij daaruit naar voren als de klassieke plaats voor de leer van den Antichrist, en bespreekt daarna, wat Johannes in zijn brieven en de Openbaring omtrent den Anti-christ schrijft. Zijn conclusie is, dat Johannes in zijn brieven vooral waarschuwt tegen anti-christelijke stroomingen en richtingen, reeds in zijn dagen te voorschijn tredend, maar dat hij in het laatste Bijbelboek „de Openbaring", evenals Paulus het oog heeft op den Anti-christ als een levend persoon, die aan het eind der eeuwen alle antichristelijke machten samentrekt om, ware het mogelijk, het rijk van Christus te vernietigen.
In het dogmenhistorisch overzicht dat nu volgde, gaf hij in het kort weer, hoe in verschillende tijden over dit leerstuk in de Christelijke Kerk gedacht is, daarbij er op wijzend, dat in den tijd der Reformatie en lang daarna algemeen de overtuiging leefde, dat de Paus van Rome de Anti-christ was. Hierop breeder ingaande, haalt hij met instemming aan een stuk uit „de Engelen Gods", van dr. A. Kuyper, en een ander gedeelte uit het Leerboek over de Geref. Geloofsleer van dr. E. C. Gravemeijer. Daar wordt betoogd, dat het niet aangaat zonder meer den Paus van Rome als den Anti-christ te beschouwen, zooals hij in 2 Thess. 2 geteekend wordt, al moet erkend worden, dat bij de vervolging der Roomsche Kerk in de 16de eeuw, een anti-christelijke macht zich openbaarde. De Antichrist, zooals Ezechiël, Daniël, Paulus en Johannes hem voorstellen, is niet een groeps persoon (het Pausdom) maar een enkel persoon, die aan het eind der eeuwen openbaar zal komen. Hij kan volgens spreker dus ook niet een persoon in het verleden zijn uit de dagen van Paulus en Johannes, gelijk de moderne Theologen het gaarne voorstellen. Ook gaat 't niet op, den Anti-christ te vereenzelvigen met een richting, gelijk prof. Chantepie de la Saussaye deed, al moeten wij bij de beschouwing van den Anti-christ, het anti-Christendom als richting in den loop der eeuwen niet uitschakelen.
De Anti-christ is een toekomstpersoon, die — zijn naam zegt het reeds — de tegenvoeter van Christus en Zijn Koninkrijk is. Maar naar Johannes' en Paulus' beschrijving mag de Anti-christ niet geïsoleerd worden van de richting, die hem het aanzijn zal geven, het anti-christendom. In het antichristendom heeft de Anti-christ zijn voorlooper.
Zoo komt spreker tot het derde deel van zijn rede: de verschijnselen van het antichristendom, die de komst van den Antichrist voorbereiden. In de Kerkgeschiedenis trad dat anti-christendom te voorschijn in de dwaalleeraars en vervolgers der Kerk. (Vervolgingen tijdens Nero; het Pausdom; door Mohammedanen, enz.). De macht van het anti-christendom zal sterker worden, naarmate het einde nadert.
In onzen tijd moet de Kerk des Heeren met ernst acht geven op zoo velerlei antichristelijke verschijnselen. Prof. Hepp in zijn „de Anti-christ" spreekt over den grooten afval in onzen tijd van God en Zijn dienst, het breken met Zijn Woord, het modernisme, de ongeloovige wetenschap, wereldpolitiek en wetteloosheid. Dr. Kuyper wijst vooral op de revolutie-ideeën, die den Anti-christ den weg bereiden. Spreker wijst daarbij op de nieuwe mystiek en occultisme los van Gods Woord, die naast het materialisme het hart zoekt te bevredigen.
Om de geestesgesteldheid van allerlei anti-christelijke herauten en verschijnselen te teekenen, geeft hij enkele aanhalingen en uitdrukkingen weer van Nietzsche, die aan het einde der vorige eeuw zijn boek: Anti-christ" schreef, en daarin met enthousiasme den Anti-christ begroette.
Ten slotte wijst spreker op de roeping voor de veiligheid van Gods Kerk tegen het anti- christendom met den Anti-christ als eindfiguur, herinnerend aan het Schriftwoord waarmede hij zijn referaat begon: „Neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, alles verricht hebbende staande blijven.
Als de voorzitter den spreker gedankt heeft voor zijn uitnemend woord, wordt door hem gelegenheid tot bespreking gegeven, waarvan door enkele aanwezigen gebruik wordt gemaakt.
De heer Jansen van Zeist, had het eerste punt gaarne wat breeder zien toegelicht in verband met de toestanden in de Hervormde Kerk.
De heer Korver van Vinkeveen, zich daarbij aansluitend, meent dat wij als christenen meer de vaandelen moeten opsteken in de Naam onzes Gods.
De heer Degenhart van Berkel, zou gaarne zien dat vooral ook de jeugd bij het catechetisch onderwijs bij de werking en macht van den Anti-christ bepaald zou worden.
Ds. van den Berg van Amersfoort b... bij het historisch onderzoek van spreker dat hij mist den naam van Calvijn, en meent dat deze juist zegt dat degene, die den anti-Christ volgens 2 Thess. 2 „wederhoudt" ..... Raad Gods is. Ook had hij gaarne van spreker vernomen of niet kan gezegd worden dat ieder onwedergeboren zondaar een antichrist is.
Ds. Benes van Monster vraagt naar sprekers meening over het getal 666 uit Openbaring van Johannes.
De heer Mohr van Rijswijk heeft wel gehoord wie de Anti-christ niet is, maar niet wie hij wèl is.
Ds. Batelaan beantwoordt de sprekers. Tot de beide eersten zegt hij, dat zijn onderwerp niet een kerkelijk onderwerp en dat hij juist naar zulk een onderwerp heeft gezocht, omdat de kerkelijke kwestie zoo ingewikkeld en voor hem zoo heel moeilijk was. Met den heer Degenhart is hij volkomen accoord en meent ook dat noodig is niet het minst onze jonge menschen voor de werking van den Anti-Christ te waarschuwen.
Ds. van den Berg doet hij opmerken, hij wel niet speciaal van Calvijn, maar wel van alle hervormers gesproken heeft. Hij begrijpt niet, hoe Calvijn zou kunnen zeggen dat „die hem wederhoudt" de Raad Gods is, omdat er in 2 Thess. 2 duidelijk staat, dat deze, n.l. die hem wederlegt: „uit het midden zal weggedaan worden hetgeen toch nooit op den Raad Gods kan zien. Wat het anti-christelijke van de wedergeboren zondaar betreft, gelooft hij (niet?) dat van zulk een zondaar als zoodanig als van een Anti-christ gesproken kan worden, hoewel natuurlijk ieder die niet ..... Christus weet, wel een anti-christelijk karakter draagt, en al wat niet uit het geloof is, zonde is.
Ds. Benes wijst hij op de bekende verklaring van het bedoelde getal in het boek van Mauro, en den heer Mohr herinnert hij aan enkele uitspraken uit zijn referaat, waarin hij althans getracht heeft te zeggen wie de Anti-christ wèl is.
Nadat de voorzitter hierop den spreker nogmaals heeft dank gezegd ook voor beantwoording van de sprekers, sluit hij de morgen-vergadering, nadat nog gezongen is Psalm 118 vers 8 en ds. Batelaan met dankzegging is voorgegaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verslag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's