De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Geen koninklijke goedkeuring.

Het Sociaal Democratisch Dagblad „Het Volk" is slecht te spreken over de audiëntie, welke een paar dagen geleden eenige hoofdbestuursleden van den Nieuw-Malthusiaanschen Bond hadden met den Minister van Justitie.
Het onderwerp, dat bij die gelegenheid ter sprake kwam, betrof de koninklijke goedkeuring van dien Bond.
Zooals men zich herinneren zal, werd in October 1923 de koninklijke goedkeuring op de statuten van den Bond verzocht, doch tot op dit oogenblik werd nog steeds geen beslissing genomen.
De Minister opperde het bezwaar, dat er gevaar bestond dat van de koninklijke goedkeuring misbruik kon worden gemaakt, door het te doen voorkomen, dat de Koningin met het doel en streven van den Nieuw-Malthusiaanschen Bond instemde.
Dit motief nu noemt „Het Volk" on­waardig.
Het moet dienen, zooals het blad dit aanduidt, om de Antirevolutionaire dwangpolitiek te maskeeren.
Wij gelooven, dat het Sociaal Democratisch orgaan hier mis is.
Want er valt in de zaak, waarover het hier gaat, niets te maskeeren of te verbergen. Wat naar onze meening afkeuring zou verdienen, dat is, wanneer een Minister er toe zou medewerken om aan den Nieuw-Malthusiaanschen Bond koninklijke goedkeuring te verschaffen.
Merkwaardig is, wat door de hoofdbe­stuursleden van den Bond als argument voor de koninklijke goedkeuring ter audiëntie werd aangevoerd, n.l. dat het Nieuw-Malthusianisme een sociaal belang vertegenwoordigt en de Bond dienen moet om verkeerde practijken tegen te gaan.
Deze beschouwing moge een socialistische zijn, zij is zeker in strijd met het christelijk levensbeginsel.
Wij hopen van harte, dat mr. Donner, die in de zaak, evenals zijn voorganger, een principiëelen kant ziet, zich er van zal onthouden om aan het verlangen van den Nieuw-Malthusiaanschen Bond te voldoen.

Een initiatief-voorstel.
Het behoort naar de meening van de voorstanders van wettelijke, maatschappelijke en economische gelijkstelling van man en vrouw, tot een daad te komen. Deze daad moet hierin bestaan, dat de Kamerfractie van den Vrijheidsbond binnen den kortst mogelijken tijd een initiatiefvoorstel inzake de huwelijkswetten bij de Tweede Kamer indient.
De wijzigingen, welke men in het Burgerlijk Wetboek zou wenschen, betreffen bijzonderlijk de artikelen160, 161 en 163.
Artikel 160 bepaalt dat: de man het hoofd is der echtvereeniging.
Artikel 161 stelt den eisch, dat de vrouw aan haren man gehoorzaamheid is verschuldigd.
En artikel 163 schrijft voor: dat de vrouw zonder bijstand van haren man niets mag geven, vervreemden of verpanden. Ter wille van de moderne begrippen en de heerschende zeden moet onverwijld aan deze gebonden positie van de gehuwde vrouw een einde worden gemaakt
De dames en heeren zijn van meening, dat op dit oogenblik de kansen voor aanneming van een initiatief-voorstel zeer gunstig staan. Zij verwachten op goede gronden dat met behulp van enkele Christelijk Historische en vooruitstrevende Roomsch-Katholieke Kamerleden de gewenschte wijzigingen in het Burgeriijk Wetboek zullen kunnen worden verkregen.
Wij vertrouwen, dat de genoemde Kamerieden wel wijzer zullen zijn en dat de geheele rechterzijde onverzwakt zal staan in het afwijzen van elk, deze zaak betreffend, initiatief-voorstel. ledere poging om de christelijke grondslagen van ons volksleven aan te tasten, behoort met alle beslistheid te worden tegengestaan.

Tegen het vrije onderwijs.
Onder de schoolwet van 1806 heerschte er dwang. De Staat had het recht de volksopvoeding naar eigen inzicht en goedvinden te bestieren, voor zich alleen opgeeischt! Alle gezindten werden op de school vereenigd, terwille van de v o l k s e e n h e i d. Het volk moest en zou zoo ongeveer 't zelfde denken en 't zelfde gelooven, en de openbare school met een soort „Staatschristendom" werd beschouwd als een prachtmiddel, om dat te bevorderen.
Vrijheid van onderwijs was er niet. De rechten van de ouders werden in dezen niet erkend. Ook niet, al werd het „Staatschristendom" hoe langs hoe meer doortrokken van de in dezen tijd opkomende rationalistische en humanistische theorieën. Het schoolonderwijs werd een prachtmiddel om het volk tot het modernistisch ongeloof te brengen. En er mochten geen bizondere scholen zijn, daar dan de „volkseenheid" werd bedreigd!
De Roomschen, vooral in Zuid-Nederland, en de orthodoxe protestanten begonnen de gevaren van de openbare volksschool te zien en mannen als Groen van Prinsterer. Pierson, De Savornin L o h m a n, K u y p e r, hebben tegen den dwang op schoolgebied en tegen de openbare school als moderne secteschool krachtig geprotesteerd, opkomend voor de rechten van de ouders en voor het geloof, dat waarlijk christelijk geloof mag worden genaamd.
Men schermde wel met de zinsnede „opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden", waarmee men dan de openbare Staatsschool wilde houden als geschikt voor alle kinderen. Natuuriijk wilde men geen „dogmatisch" godsdienstonderwijs, want dat was de wig, die ons volk verdeelde, maar men wilde op school christelijke deugden als eerlijkheid, naastenliefde, eerbied voor ouderen, ja, ook eerbied voor God bevorderen.
Mannen als Groen van P r i n s t e r e r c.s. wilden van zulk een „christendom", waarbij Jood en christen, ongeloovige en Roomsche en Protestant, zich „thuis" moesten voelen, niet weten. 't Was voor hem een absolute onmogelijkheid om met een „christendom boven alle geloofsverdeeldheid" tevree te zijn. Zulk een christendom bestond niet; evenmin als er een vierkante cirkel is, „Christendom heeft" — zoo zeide Groen — „het K r u i s tot middelpunt ; en het Kruis is den Joden een ergernis, den Grieken een dwaasheid. Neem het Kruis weg, gelijk geschiedt in een school voor Israëliet en Christen, dan valt naar mijne beschouwing (zoo exclusief ben ik) het christendom weg". (Rede, uitgesproken in de Tweede Kamer, 9 Juli 1857).
Groen heeft zich tegen de schoolwet van der Brugghen (1857) heftig verzet. Hij zeide later, (in Ons Schoolprogram, 1869): het „christelijk" uit art. 23 der wel moet verdwijnen, niet om te bederven, maar omdat ik niet wil, dat onder het masker eener christelijke benaming een antichristelijk onderwijs gegeven worde".
C h r i s t e l i j k moest voor Groen ook Christelijk wezen en dus in verband staan met Christus, met den Christus Gods, met den Christus der Schriften. Men kan nu eenmaal geen appels plukken als men den appelboom uitroeit en wegwerpt, en zoo kan men ook niet krijgen het waarachtig „christelijke" als men Christus, als men Gods Woord niet in de school haalt.
Neem, om één ding te noemen, de „christelijke" deugd: eerbied voor God. Hoe kan men die „christelijke" deugd nu „kweeken" bij de kinderen? Over welken God zal men dan spreken? Over den god (de goden) der heidenen? of der Mohammedanen? of der Joden misschien? Heeft men, als men eerbied heeft voor God, geen eerbied te betoonen voor het Woord, dat God ons gaf? Moet men Gods Woord dan niet binnenhalen in de school, waar men den kinderen wil leeren eerbied te hebben voor God? En moet men dan geen eerbied toonen voor 't grootste Godsgeschenk Jezus Christus.
Zal het spreken van "eerbied voor God" geen ijdel gepraat zijn en blijven, dan moet men zelf ten aanschouwe van de kinderen eerbied voor God toonen en met eerbied spreken naar Zijn Woord, met eerbied getuigen van Jezus Christus; met eerbied vertellen van het kruis van Golgotha, waar God gerechtigheid oefent en genade schenkt ja. Zijn hoogste liefde voor zondaren openbaart. Dan moet men spreken van val en opstanding, van zonde en verlossing, van leven en sterven, van tijd en eeuwigheid om zóó zelf eerbied voor God hebbend den kinderen met eerbied van God te spreken en ze op te wekken tot het „God lief te hebben en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft".
Met de gedwongen openbare school met een opgelegd „Staats-christendom", waar uit het christendom wèg is, hebben de orthodoxe protestanten nooit vrede gehad" en ze hebben gevraagd om het vrije, het bizondere onderwijs; ze hebben gevraagd zonder ophouden!"
Bij de wet van 1857 (de wet van de Brugghen) gelukte het evenwel niet. De wet is aangenomen; maar het artikel regelende de subsidie voor het bijzonder onderwijs viel als een baksteen met 63—2 stemmen!
De openbare school als het symbool van de volkseenheid - der liberalen waan! - bleef!
En dat men eigenlijk doodsbenauwd was voor het vrije onderwijs, bewijst o.a. de zotte uiting van prof. Hofstede de Groot, die schreef: „Zijn er drie, of vier scholen waar er nu één is, dan zullen vele meesters, om leerlingen te krijgen, dezen vleien, tucht en straf zullen op de meeste plaatsen verdwijnen, een toomelooze hoop zal over het geheel in de zoogenaamde scholen, eigenlijk speelplaatsen, zich oefenen in baldadig en woest vermaak, zonder bijna iets te leeren, de toenemende zedeloosheid en onkunde der burgers zal ondragelijk worden de maatschappij mag wel vier gevangenissen hebben, waar er nu één is, om al de luie bedelaars en bedriegers in op te sluiten. Wat hadden de liberalen toch een goeden kijk op de dingen!
Waarbij het schrikbeeld was: het vrije onderwijs, met den nasleep van bedelaars, bedriegers, gevangenissen en meer van dat moois !
Daarom was en bleef men tegen het vrije onderwijs!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's