De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT - VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT - VERKLARING

1 Timotheüs (61)

5 minuten leestijd

Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen die waar lijk weduwen zijn genoegzame hulp moge doen. 1 Tim. 5 vers 16.

1 Timotheüs.
61
Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen die waar lijk weduwen zijn genoegzame hulp moge doen.
                                       1 Tim. 5 vers 16.

Twee wegen van liefdadigheid. De eerste weg is die van den geloovige persoonlijk, de tweede die der gemeente. De apostel besluit met het bovenstaande woord het gedeelte over de weduwen. Vanaf vers 3 heeft hij over hen gehandeld. Het is uit dit alles wel duidelijk dat hun geestelijke en stoffelijke verzorging hem zeer ter harte gaat. Timotheüs mocht in zijn herderlijken arbeid hen niet vergeten.
Ook in dit sluitvers roept de apostel een ieder op om zijn of haar plicht te doen omtrent de stoffelijke verzorging van anderen. De kas der gemeente mag niet onnoodig bezwaard worden.
„Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, enz." Wat bedoelt de apostel met deze woorden? Er zijn er, die zeggen: „de weduwen die een geloovige in zijn familie heeft" óf „de weduwen die hij in zijn huis heeft". Toch meen ik dat door deze verklaring onze tekst te veel los gemaakt wordt van zijn verband. Natuurlijk mag een geloovige zich niet onttrekken van de weduwen in zijn familie. Maar in ons tekstverband wordt niet over die familie gesproken, wèl over de gemeente-weduwen, die op een lijst gezet („gekozen") moesten worden en aan wie dan een of ander werk van liefdadigheid of verzorging was toevertrouwd. Als nu een geloovige van de hulp dier weduwen gebruik maakte, mocht hij er zich maar niet zoo gemakkelijk en goedkoop mogelijk van af maken. De gedachte mocht bij hem niet voorzitten: „zij zijn immers gemeente-weduwen; ik geef aan de gemeente-kas ook mijn deel, ik mag er dus vrij gebruik van maken". Hiertegen gaat de apostel in. Wij hebben ook hier weer een bewijs van den fijnen speurzin van dezen herder der schapen. De apostel weet het wel. Er wordt zoo vaak op de gemeente gesteund, zonder dat men die gemeente helpt steunen. En zij, die er het minste aan bijdragen, willen er vaak het meeste van trekken, 't Komt nog altijd voor in dorp en stad. Men is immers lidmaat van de Kerk! Wel, waarom zou men dan niet vrij gebruik mogen maken van eenen gemeentelijken diaconessenarbeid, of even goed als een ander inschrijven naar een werk dat door de diaconie of door de kerkvoogdij wordt aanbesteed? Men ziet verder nooit naar de kerk om, of als men het doet, moppert men over de hooge huur der zitplaatsen of over de kerkelijke belasting. Ik denk dat zulke mopperaars ook niet veel zullen geven in het kerkezakje! Maar als er iets van de kerk te profifeeren valt dan zijn zij er bij! Dit kwaad bestrijdt de apostel hier. Het is toch opvallend dat wij al het kwaad dat in onze tijden in allerlei vormen zich openbaart, in onzen Bijbel vinden genoemd, indien wij tenminste de Schrift grondig onderzoeken. Er was een instelling van gemeente-weduwen, en tegelijkertijd van gemeentelijke verzorging. Nu ging het niet aan dat een geloovige, die het kon doen, er zoo maar profijt van trok. Neen, zegt de apostel, daarvoor zijt gij een geloovige! Laat uw geloof ook nu gezien worden in uw werken. Gij moet genoegzame hulp doen aan die weduwen, die u in uw dienst hebt. Niet slechts zóó, dat de diensten betaalt, maar dat gij liefdadigheid daarin oefent. Men moest ook in onze dagen nimmer voordeel willen trekken van de kerk! Een geloovige moest zijn winst die hij door inschrijving naar een of ander werk voor kerkvoogdij of diaconie verkregen heeft, terugstorten in de kas der gemeente. Daarvoor is hij een geloovige. Een kaars op een kandelaar, een stad, een berg! Van de kerk mag een geloovige geen voordeel hebben.

Er worden in onzen tekst twee wegen van liefdadigheid genoemd. De tweede van deze, dat de gemeente genoegzame [ bewijze aan hen die het waarlijk nodig hebben, die waarlijk weduwen zijn. Het is een schoone zaak dat broeders en zusters, elkanders lasten dragen, dat de gemeente hare eigene armen onderhoudt. De diaconie is eene instelling die haar oorsprong heeft in den meest geestvollen tijd der gemeente zooals uit de Handelingen der Apostelen blijkt. Wij moeten onder elkander die stelling, hoog houden; ook de leraren moeten daarin krachtig medewerken. Ik hoorde eens een predikant zijn nieuwe lidmaten bevestigen. Hij vond het noodig tot hen te zeggen: „Misschien doet gij dit (lidmaat worden) om later ondersteuning te verkrijgen". Ik vond deze waarschuwing tóén te laat en bovendien buitenmate grievend voor de armeren onder hen. De predikant had de twijfelachtige voldoening en anderen konden zeggen: „hij heeft het dan toch maar goed aangezegd! En ik dacht: wat is er tenslotte nog tegen dat men in de zooveelste plaats, ook dit nog bij bedenkt? Kan ook deze zaak onder het oog van een alwetend en ..... gend God gebracht worden? Natuurlijk, voornaamste en hoogste drang om lidmaat te worden is toegang te verkrijgen tot het Heilig Avondmaal, om aldus en daarvan zijn geloof te belijden. Maar mag een lid die in ootmoed en oprechtheid aldus tot de gemeente als belijdend lid toetreedt, dan niet aan mogelijke armoede denken? En voorzorgsmaatregelen zijn toch niet uit den booze? Het hangt er maar van af of we het alles mogen zien en gebruiken in het licht van het Woord des Geestes. Arm te zijn, is op zich zelf geen schande. Hij is arm, die geen liefde in zijn hart heeft, geen liefde voor anderen. En wij moeten, als we de hooge beteekenis van het Woord Gods kennen, ons best doen ook de instelling die de Heere aan Zijn gemeente gaf aan te houden. Een geloovige, die zijn dagelijksch brood heeft, en soms veel meer dan dat, mag geen voordeel van de kerk trekken, maar hij steune haar, door gebed en gave, opdat die kerk haar eigene armen niet karig onderhoude, maar genoegzame hulp met blijdschap bewijzen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT - VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's