STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De eenheid bewaard.
De voorzitter van de Christelijk Historische Kamerfractie in de Tweede Kamer, dr. de Visser, had geen gemakkelijke en nog veel minder een begeerlijke taak, toen hij de vorige week op de jaarvergadering van de Christelijk Historische Unie de bespreking had in te leiden over de jongste Kabinetscrisis en hare oplossing.
Ten opzichte van het gezantschap bij het Vaticaan toch waren de voormannen der Unie in twee groepen verdeeld.
Aan den eenen kant bevonden zich de Christelijk Historischen, die het ministersambt in een Kabinet hadden bekleed of in een Ministerie als zoodanig nog in functie waren, hetwelk de gelden ten behoeve van den gezantschapspost had aangevraagd, resp. dr. de Visser, benevens mr. Schokking en mr. de Geer, gesteund door dr. Slotemaker de Bruine, terwijl anderszijds de Christelijk Historische Kamerclub stond, die op 11 November 1925 haar steun aan de gelden, noodig voor den gezant bij den Paus, had onthouden.
De laatste groep nu hoopte op de aanneming van de motie van de afdeeling „Scheveningen" van de Unie, luidende:
De Christelijk Historische Unie, op 8 April 1926 te Utrecht vergaderd, gelet op de politieke gebeurtenissen der laatste vijf maanden, spreekt zich bij vernieuwing uit — geheel in overeenstemming met de houding der Christelijk Historische Tweede Kamerleden — tegen instandhouding of herstel van het gezantschap bij het Vaticaan.
Op het vereenigen van de Christelijk Historische Unie met deze duidelijke uitspraak, meende de Christelijk Historische Tweede Kamerfractie te mogen aanspraak maken.
Toch is het op de algemeene vergadering niet tot zulk een uitspraak gekomen. Mr. Schokking deed — en terecht — tegen een stemmen over de motie zijn waarschuwing hooren.
Ware toch de motie aangenomen, dan zou daarmede de houding der oud-Ministers en die van de beide Ministers in het extra-parlementaire Kabinet zijn gewraakt geworden. En omgekeerd, ware de motie verworpen, dan zou dit een minder vriendelijke bejegening van de Tweede Kamerclub zijn geweest.
Daarom moest een stemming, wat er ook van komen mocht, worden voorkomen. Het was het beleidvol optreden van de heeren de Visser en Schokking, die de eenheid in de Christelijk Historische Unie wisten te bewaren.
Uit de rede van dr. de Visser is ten slotte nog alleszins de opmerking vermeldenswaard, dat het stemmen tegen den gezantschapspost in het jaar 1920, toen het tijdelijk gezantschap in een definitief gezantschap werd omgezet, van de zijde der Chr. Historischen met een gewetenszaak niets uitstaande had, en voorts dat het twijfelachtig is of de heer de Savornin Lohman op 11 November 1925, gehoord de discussies, wel zijn stem tegen het voteeren van de gelden voor het gezantschap bij het Vaticaan zou hebben uitgebracht.
Intusschen, hoe dit alles ook zij, het is goed geweest dat de eenheid in de Christelijk Historische Unie werd bewaard.
Gewichtige vraagstukken.
Het vraagstuk van de voedselvoorziening van ons volk wordt bij den dag moeilijker en ingewikkelder. Verschillende factoren oefenen daarop hun invloed uit.
Zoo b.v. de toeneming der bevolking. Stond het cijfer der bevolking in Januari 1900 op 5, 1 millioen inwoners, dit cijfer klom tot 7, 3 millioen zielen in 1925. Een aanwas der bevolking gedurende de laatste 25 jaar dus met 2, 2 millioen personen, en dit terwijl de oppervlakte van grond, voor de bebouwing geschikt, bijna niet vermeerderde.
Moest de landsoverheid in het begin der eeuw zich bezighouden met de voorziening in de behoeften van ruim 5 millioen menschen, thans, slechts een kwarteeuw later, heeft zij voor een bevolking van bijna 45% meer te zorgen.
Een andere factor, welke de voedselvoorziening beheerscht, betreft de voorwaarden waaronder ons land graan uit het buitenland kan betrekken.
Deze voorwaarden worden er niet gunstiger op. Er moge worden herinnerd aan het voornemen van alle graanproduceerende landen van Noord-Amerika en Zuid-Amerika, om een kartel (verdrag) te vormen tot het opzetten der graanprijzen voor den uitvoer; en voorts aan hetgeen Canada overweegt, n.l. een uitvoerrecht op graan uit te vaardigen.
Zoo komt langzamerhand ook ons land ten opzichte van de voedselyporziening der bevolking in het gedrang.
De toestand wordt daarbij nog verergerd doordat de werkloosheid onder de bevolking toeneemt en aan de armenzorg steeds hoogere eischen dienen te worden gesteld. Wat dit laatste betreft, wordt de armenzorg b.v. in Amsterdam „groot bedrijf".
Dit kan uit de navolgende cijfers blijken. Bedroegen de uitgaven voor armenzorg in de hoofdstad des lands in 1900 nog maar ƒ87.453, in 1910 was dit cijfer reeds geklommen tot ƒ288.832. In de jaren 1918 tot 1922 steeg het bedrag der uitkeeringen van 1, 5 millioen op 5, 6 millioen, terwijl bovendien nog in 1924 een steunverleening via de crisis-commissie van 2, 3 millioen gulden viel te boeken.
Deze cijfers demonstreeren zeker wel het bedenkelijke van den toestand, waarin ons land zoo langzamerhand gaat verkeeren. Vraagstukken als voedselvoorziening, werkloosheid, armenzorg en dergelijke, blijven de volle aandacht van de regeering vragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's