KERKELIJKE RONDSCHOUW
Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XXIII.
Werd de Kerk van Christus hier op aarde vergaderd in de toebrenging van afzonderlijke personen, door de krachtige werking des Geestes, door wedergeboorte en bekeering, dan zou de geschiedenis héél anders zijn dan nu, nu de Heere wandelt in den weg des verbonds en ook de kinderen zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn — en mitsdien door den Doop, als door het teeken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd moeten worden. (Zondag 27).
Dat brengt de vleeschelijke lijn midden in het geestelijk huis des Heeren, maar met de uitgesproken wilsbepaling Gods, dat het huis Gods niet mag worden ontheiligd, dat de Sacramenten niet vleeschelijk mogen worden bediend en dat de Kerk zelve als een getrouwe wachter op Sions muren dag en nacht wakende moet zijn, opdat in het midden van de gemeente door ongeloovigen en goddeloozen, door leugenaars en dwaalgeesten, het verbond Gods niet worde ontheiligd en Zijn toorn niet over de gansche gemeente worde verwekt, waarom de Kerk nauwkeurig op belijdenis en leven van al hare leden zal moeten achtgeven. (Zondag 30).
In de Kerk, in den weg van Gods verbond, mag het niet anders gaan dan om geestelijke dingen en overal waar een roemen in het vleesch de plaats inneemt van een wandelen door den Geest der waarheid, staat het gevaar dreigend voor de deur, om van ware Kerk valsche Kerk te worden. (Zie art. 29 en 31 Nederl. Geloofsbelijdenis).
De geestelijke toetssteen moet steeds in handen zijn bij de ware Kerk. En al de geïnstitueerde Kerken, waar ze zich ook bevinden op aarde, in welk land, in welke stad ook, zullen moeten beoordeeld worden naar de merkteekenen, ons in de belijdenis gegeven, om te weten, of het een ware dan wel een valsche Kerk is, die men voorheeft.
Men komt daarbij zoo gaarne aandragen met allerlei eigengemaakte kenmerken en condities; omdat de mensch zélf zoo gaarne, op allerlei vleeschelijke, menschelijke gronden, een Kerk voor ware of voor valsche Kerk verklaart. En niet zelden wil men dan nog de Overheid er bij halen, om mee te beslissen, wat een ware en wat een valsche Kerk is! Maar de vleeschelijk-gezinde mensch zal naar 't Woord des Konings moeten leeren luisteren en naar Zijn wil alléén, zal het goed zijn, "Wij gelooven" — zoo beleden onze Gereformeerde Vaderen — „dat men wel naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij". (Art. 29).
Onomstootelijk moet hierbij vast staan, dat het Koninkrijk Gods niet van deze wereld is, dat de Kerk des Heeren niet vleeschelijk is; gelijk het Evangelie — en dus ook het verbond Gods — wel voor den mensch, doch niet naar den mensch is. En mitsdien heeft de Heere ook voor de Kerk van Christus, de Katholieke of algemeene Kerk, welke aan alle plaatsen van Gods heerschappij door de werking des H. Geestes en de kracht van 's Heeren Woord, tot zichtbare openbaring komt in de Christgeloovigen, die al hun zaligheid verwachten van den van God gegeven Bonds-Middelaar, een eigen orde van leven gegeven, volgens welke Christus' Kerk moet handelen en wandelen en waarnaar zij moet worden geregeerd.
„Wij gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie (bestuurswijze), die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord", zegt art. 30 Ned. Geloofsbelijdenis. Waarop dan volgt :
„door dit middel moet de ware religie onderhouden worden en moet worden gemaakt, dat de ware leer haren loop hebbe; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden". „Door dit middel zullen alle dingen in de Kerk wèl en ordelijk toegaan, enz."
Menschen behoeven hier niet te komen aandragen met allerlei wat zij zelf hebben uitgedacht, om z.g.n. den welstand en de uitbreiding der Kerk te bevorderen. God heeft het alles te voren verordend en het ons in Zijn Woord bekend gemaakt en nu behoeven de menschen niets anders te doen dan Gods ordinantiën in deze op te sporen en door de hulpe des Heiligen Geestes naar uitwijzen van Gods Woord te handelen en te wandelen. „Heer, ai! maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend; leer mij, hoe die zijn gelegen en waarheen Gij uw treden wendt. Leid mij in U w waarheid; leer ijvrig mij Uw wet betrachten; want Gij zijt mijn heil, o Heer! 'k Blijf U al den dag verwachten". (Ps. 25 vs. 2).
Zoodra de Kerk nu vleeschelijk de geestelijke dingen gaat aanvoelen en op vleeschelijke wijze faat handelen en wandelen, daarbij de Overheid in den arm nemend, gaat het met de Kerk van Christus, waar zij ook gevonden wordt, verkeerd!
Dat zien we nu ook ten opzichte van de leer des Verbonds. Men is op vleeschelijke wijze gaan spreken van „volkskerk"; van „héél het volk en héél de Kerk" — daarbij het genade-verbond Gods vleeschelijk toepassend. Men liet niet alleen van plaats tot plaats, waar de Gereformeerde Kerk zich openbaarde, af van „het heilig houden van Gods verbond", door na te laten het toezicht op leer en leven („om alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods ; waartoe geëischt wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgene daaraan hangt". Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis). Maar men heeft bovendien dwingend willen ten uitvoer brengen: ieder Nederlander moet tot de Gereformeerde Kerk behooren en alle Nederlandsche kinderen moeten in de Gereformeerde Kerk gedoopt worden. Met bedreiging, dat die Nederlanders, die niet tot de Gereformeerde Kerk wilden behooren, uit hun burgerrechten zouden worden gezet; en die menschen, die hun kinderen niet in de Gereformeerde Kerk wilden laten doopen, door de Overheid gevoelig zouden onder handen worden genomen!
Menschen, die zóó met den mond de leer des verbonds roemden, hebben bewezen niets van het verbond Gods te verstaan, in der daad het verbond Gods verloochenend. Ze hebben Gods ordinantiën daarbij geschonden en Zijn Kerk schade toegebracht; — mede door de Overheid te betrekken in de zaken der Kerk!
Deze dingen hebben we wel goed onder de oogen te zien, omdat juist menschen, die schijnbaar zoo heel veel voelen voor de leer des verbonds, hier de grootste bedervers zijn van deze heerlijke zaak! En we moeten zulke menschen, die den mond vol hebben van deze heerlijke zaak, maar klaar en helder doen zien, dat zij de grootste sta-in-den-weg zijn, omdat ze niet nederig believen te wandelen in Gods weg, maar eigenwijs zichzelf wegen maken en zelf allerlei middelen kiezen, welke duidelijk en klaar in strijd met Gods Woord en onze Gereformeerde belijdenis blijken te zijn!
Vroeger hebben we al herinnerd aan de kerkelijke wetten door de Overheid opgesteld en aanbevolen in den jare 1576, waarbij het streven van Oldenbarnevelt en de zijnen uitkwam om hier in Nederland de veelsoortige protestanten: Calvinisten, Zwinglianen, Lutherschen en Doopsgezinden in één Kerkverband te brengen — waar tegen onze Gereformeerde Vaderen zich gelukkig! zóó krachtig hebben verzet, dat die voorgestelde Kerkenordening niet werd aangenomen.
Maar dat heeft helaas niet kunnen verhinderen, dat de Gereformeerde Kerken in dezen lande toch vergeten hebben, dat de Heere Christus Zijn Kerk vergadert door Zijn Geest en Woord — om de zorg voor de Kerk in handen te leggen van de Overheid.
En het „Stadsplakkaat tegen de Pausgezinden", door de Synode van stad Groningen en Ommelanden goedgekeurd (ja, zóo goedgekeurd, dat men daar uitsprak dat „deze ordonnantie goeden voortgang zou hebben) ging uit van de stelling: dat er hier te lande maar één Kerk was, de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, en dat alle menschen, of ze Protestant of Roomsch waren, kun kinderen in de Gereformeerde Kerk moesten laten doopen. En die zijn kind een jaar na de geboorte nóg niet had laten doopen in de Gereformeerde Kerk, kreeg een boete van 150 gulden voor ieder kind.
Is het niet fraai? Hier hebben we de teer van „de heerschende Kerk". Eén volk, één Kerk. Héél het volk, héél de Kerk. En de Overheid, die dat bevorderen moet!
Dat men 't héél ernstig meende in deze, blijkt uit het volgende: 8 Mei 1668 richten negen predikanten het verzoek aan de Ed. Mog. Heeren Burgemeesteren en Raad der Stad, om de bezwaren van de Roomsche ouders, die hun kinderen niet wilden laten doopen in de Gereformeerde Kerk, als niets te achten, de boeten vooral te handhaven, verzoekende „dat de Magistraat het burgerrecht moest ontzeggen aan allen, wier namen niet stonden in de Doopboeken der Gereformeerde Kerk".
Wat een beleediging, 't genade-verbond aangedaan; door de leer van „de heerschende Kerk"; door de leer van „héél het volk en héél de Kerk"; door de leer van de volkskerk — wat is de leer van den vierkanten cirkel!
Waarom laat men de Kerk van Christus niet als een vrije Kerk, vrij op eigen terrein, onder het regiment van Jezus Christus, zich ontwikkelen?
Waarom bevordert men niet dat de Kerk van Christus zich openbare en zich blijft openbaren als „een heilige vergadering van ware Christ-geloovigen, die al hunne zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den H. Geest". (Art. 27 Ned. Geloofsbelijdenis), waarbij, naar luid van Zondag 27, allen die geen deel hebben aan het christelijk geloof, geen deel hebben aan hef genadeverbond ?
Waarom eerbiedigt men in deze niet „de ordening van Christus en Zijn Apostelen", om te waken over belijdenis en leven van allen die tot de Kerk behooren, aflatende van allerlei vleeschelijke, wereldsche middelen om de Kerk grooter te maken, waarbij het geestelijk toezicht en de christelijke tucht uit den aard der zaak dan contrabande wordt ?
Juist zij, die waarlijk voelen voor de leer des verbonds, zullen het scherpst laken, op Schriftuurlijke gronden, de valsche leuze als: „héél het volk en héél de Kerk", waar door het verbond Gods wordt ontheiligd, de Kerk in verval raakt en de toorn Gods over de gansche gemeente ontstoken wordt.
Zij, die zulke wegen bewandelen, bevinden zich in den weg, waarlangs de deformatie van ware Kerk tot valsche Kerk ligt!
Terwijl de Heere Zelf beloofd heeft, dat als het verbond Gods heilig gehouden wordt, Zijn heilige Kerk, hier en elders, staan zal in het midden des volks als een pilaar en vastigheid der waarheid, zijnde een zoutend zout en een lichtend licht, zegen verspreidend voor volk en Vaderland. Maar de „breede" weg is begeerlijker dan de „smalle" weg. Grootschheid des levens is ook hier aanlokkelijk voor de oogen der menschen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's