De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis

De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XXIV.
Onze Gereformeerde Vaderen, onze Gereformeerde Kerken hier te lande hebben, helaas! in de practijk zoo dikwijls over boord geworpen, wat ze krachtens Gods Woord leerden en in hare belijdenis hadden geformuleerd en saam aangenomen als levensregel. Zij wisten, dat de Kerken hier, gelijk overal, stonden onder het regiment van het eenig Hoofd, Jezus Christus, Die altijd waarschuwt niet aan de wereld gelijkvormig te worden, maar te leven bij het licht, dat de wereld haat, zeggende dat de waarheid van hare kinderen wordt gerechtvaardigd. Daarom spraken zij ook altijd uit, dat de bediening van Woord en Sacrament zuiver moest gehouden worden, ook in de toepassing en dat daarom de rechte bediening der tucht niet mocht ontbreken tot heiliging des levens en tot afwending van Gods toorn over de gansche gemeente. Want wat men hierin — om vrijere practijken, welke afwijken van de heiligheid van Gods Woord en de heiligheid van Gods Verbond te verdedigen of goed te praten — wel eens leert, nl. dat onze Gerefor­meerde Vaderen meer spraken van de be­diening van het Woord dan van de bedie­ning der tucht tot heiligheid des levens, omdat dit laatste van minder waardij is, is eenvoudig in strijd met de waarheid en  werkelijkheid. Gods Woord moet ook in de toepassing, de Sacramenten moeten in de bediening zuiver gehouden worden en dus moet, zal de ware Kerk niet worden tot een onzuivere, en de onzuivere niet, on­der den toorn Gods, tot een valsche Kerk worden, de tucht worden gehandhaafd; en dan niet onder patronaat van ambachtsheer, collator, stedelijke overheid of gewestelijke Staten, enz., maar in vrije openbaring des levens van die Kerk, die weet, dat Eén onze Meester is, Die gezegd heeft: „Indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijne discipelen en zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrij­ maken. Joh. 8 vers 31, 32.
Het is een praatje dat de christelijke tucht van minder waarde zou zijn in Gods Kerk. Want of Beza, Alsted, Amesius, Heidanus, Maresius maar één kenteeken opgeven voor de ware Kerk, n.l. de zuivere bediening des Woord; Calvijn, Bullinger, Junius, Gomarus, Mastricht, a Marck twee n.l. zuivere bediening van Woord en Sacrament; en Hyperius, Ursinus, Walaeus, Amyraldus, Heidegger drie, n.l. zuivere bediening van Woord en Sacrament en de rechte bediening der tucht of de heiligheid des levens — dit is meer een verschil in naam dan in de zaak zelve, daar het tenslotte aankomt op de zuivere bediening van het Woord in al de toepassing, zoowel in prediking, onderricht, belijdenis. Sacrament, leven, enz.
Of dus het Kort Begrip zegt, dat de Heere Zijn Kerk vergadert „waar men Gods Woord recht predikt en de Heilige Sacramenten bedient naar de instelling van Christus" (Vr. 41) en dus de oefening der christelijke tucht niet noemt, later bij de Sacramenten (Vr. 62 en 63) wordt wel degelijk over de tuchtoefening gesproken, gelijk in Zondag 30 en 31 van den Heidelbergschen Catechismus, evenals in Art. 30 en 32 van de Ned. Geloofsbelijdenis.
Daarom moeten er geen „menschelijke vonden en vreemde wetten" in Gods Kerk worden ingebracht, maar de Kerk moet in hare ambten leven naar Gods Woord, „waartoe geëischt wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgene daaraan hangt" (Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis).
Bij de ware Kerk des Heeren hoort dus de oefening der christelijke tucht, om de wille van het Woord en de Sacramenten. En nu zijn de Gereformeerde Kerken hierin juist door Overheidsbemoeiingen voortdurend verhinderd in gehoorzaamheid aan Christus en Zijn Woord te handelen.
In 1576 schreven de Staten van Holland en Zeeland voor, dat „zoo menigmaal er kinderen gepresenteerd worden, zal de doop niemand geweigerd worden".
Gelukkig hebben onze Gereform. Kerken daartegen ernstig geprotesteerd, evenals tegen Artt. 2, 3 en 24 van die verordening, waarin bepaald was: „de Kerk mocht niet vragen van welke ouders de kinderen waren of wie als getuigen voor een christelijke opvoeding waarborg gaven". Het protest van de Gereformeerde Kerken heeft toen geholpen en deze Kerken-orde is niet ingevoerd, doch door de Staten teruggenomen. Evenwel verliezen onze Gereformeerde Kerken langzamerhand haar zuiver, gereformeerd karakter!
Men wist het zoo goed, dat de eisch des Konings was te b l ij v e n in en bij het Woord, waarbij tegen allerlei ketterijen moet gewaakt worden, die als een zwarte rook uit den afgrond opkomen (Openb. 9 vers 2) en die de geloovigen vergiftigen en ze geestelijk doen sterven, waarom Petrus, ze ook verdervers noemt. (2 Petrus 2 vers 2, 3).
Dat wisten onze Gereformeerde Vaderen ook, dat diegenen, die met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen zich aanstellen, door de sleutelen des hemelrijks moesten worden uitgesloten van de Christelijke Kerk, opdat het verbond Gods niet zou worden ontheiligd en Gods toorn niet over de gansche gemeente zou worden verwekt.
De Kerk, die dien toorn Gods zou opwekken en uitlokken door af te laten van de heilighouding van het Verbond, zou het kwalijk vergaan. En in artikel 37 van de Dordtsche Kerkorde stond dan ook: „in alle Kerken d. w. z. in alle plaatselijke Kerken, dus van gemeente tot gemeente, in stad en dorp zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit Dienaren des Woords en Ouderlingen, dewelke ten minste alle weken eens te zamen komen zullen", om — zooals in art. 30 van de Ned. Geloofsbelijdenis staat — „door dat middel de ware religie te onderhouden en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe en de overtreders op geestelijke wijze zouden worden gestraft".
En dan laten de Staten van Gelderland in art. 16 van het Plakkaat van 24 Juli 1651 vastleggen: „dat de landheeren hun landerijen niet mochten verhuren aan iemand, die niet uitdrukkelijk beloofde niet ter mis te zullen gaan en zijn kinderen in de Gereformeerde Kerk te zullen laten doopen"!
Had Luther daarom 10 December 1520 buiten de Elsterpoort te Wittenberg bij den pauselijken bul óók de papieren, waarop de pauselijke rechten en inzettingen geschreven waren, na langen en bangen strijd in de vlammen geworpen, daarmee verklaren: dat hij de Heilige Schrift opnam om alle menschelijke leering, die daarmee in strijd was, te verachten; dat hij tot de Schrift terug keerde, om zich onder geen juk van menschen meer te laten krommen?
En had daarvoor Calvijn een „Onderwijzing in den christelijken godsdienst" gegeven, waarin was uiteengezet dat de Kerk des Heeren, door God uitverkoren en geroepen, zich als de Bruid van Christus had te gedragen en de geestelijke dingen op geestelijke wijze moesten behandeld worden?
Gods Woord, het zwaard des Geestes, brengt in deze booze wereld, te midden van een krom en verdraaid geslacht, scheiding. Maar de Overheid — en de Gereformeerde Kerken waren er niet afkeerig van in den voortgang — wilde volk en Kerk, wereld en Kerk, akker en Kerk, geld en Kerk vereenigen, omdat men meer oog had voor de eenheid des volks, dan voor de heiligheid van Gods Kerk en de heiligheid van Gods Verbond. Deze dingen hebben de Fransche Kerken, de Nederlandsche Kerken, de Duitsche Kerken, de Engelsche Kerken — en waar ook de Heere van plaats tot plaats Zijn Kerk tot openbaring brengt door Zijn Geest en Woord — wel te bedenken. 
De aard, het karakter het wezen van Christus' Kerk hangt ten nauwste samen niet met de Overheid, maar met Christus; niet met het land, maar met de waar­heid Gods. En als de Heere het lichaam van Christus hier op aarde tot openbaring brengt, dan heeft zij als heilige plantinge Gods de heilige roeping om der Waarheid getuigenis te geven in de prediking des  Woords, de bediening der Sacramenten, de regeering der Kerk, de oefening der barmhartigheid, enz.
Overal, van plaats tot plaats, is zij gebonden aan het Woord des Heeren en de ambten en bedieningen daarin bevolen; terwijl zij krachtens haar goddelijke instelling recht heeft om zich vrij te openbaren in de organen, die aan haar wezen beantwoorden, opdat zij als pilaar en vastigheid der waarheid in het midden derzelve staan kan en haar roeping vervullen. "
De Christ-geloovigen moeten, mogen op zichzelf blijven, los van en verborgen voor anderen. Zij moeten als leden van het lichaam zich in hun éénheid openbaren als het lichaam van Christus; om als geïnstitueerde Kerk in haar eigen organen op te treden en zoo als „het lichaam van Christus" worden opgebouwd. (Efeze 4 vers 11). Maar dan mag de Overheid haar niet belemmeren in haar gangen. Dan moet Overheid haar, als goddelijke instelling, in eigen rechte, geheel vrij laten. De Overheid moet verstaan niet geroepen te zijn, om met de zaken der Kerk, die Christus toebehoort en door Christus verzorgd word; (... vers 11, 12), te bemoeien.
En helaas! zijn de Gereformeerde Kerken in Nederiand eigenlijk nooit vrij geweest. Ze mochten zelfs niet in Nationale Synode samenkomen — door verzet der magistraten, die meenden, dat de goedkeuring der Overheid daartoe noodig was; en dat de Staten-Generaal die eerst konden en mochten geven, indien de soevereine gewestelijke Staten, van provincie tot provincie eenstemmig waren!
(Wordt voortgezet).

Vraag en antwoord.
Vraag: Een predikant heeft op zijn beroepsbrief staan, dat de Kerkvoogden, zullen voldoen aan het Reglement op de predikantstractementen (Raad van Beheer) Dit is gewaarborgd op den beroepsbrief met hunne handteekeningen. Bedoelde kerkvoogden willen zich nu onttrekken aan deze verplichting. Kan dat?
Antwoord: Neen, dat kan en dat mag niet. De beroepsbrief zou dan waardeloos worden gemaakt.
Vraag: In onze gemeente wil de Kerkeraad moeite doen om met den Raad der Beheer in onderhandeling te komen en overeenstemming te treffen, om te beroepen. Er is hier een vacature. Men wil dan beroepen,om, na aanneming van het beroep de bijdrage volgens het Reglement op de predikantstractementen niet meer te s..... en zich dus weer los te maken van de Raad van Beheer. Kan dat?
Antwoord: In zekeren zin kan alles, de zotste en ook de oneerlijkste dingen kan men gaan uithalen. Maar die even nadenkt en nog wat eerlijkheidsgevoel heeft, zal aanstonds verachtelijk zulke practijken van zich zetten. „Een man, een man, een woord, een woord" — is altijd een Neerlandsche spreekwijze geweest. Laat het zoo blijven!
Vraag: Weet u ook een boekje, dat handelt over Spiritisme, Magnetisme, Theosofie, Occultisme, enz.?
Antwoord: De christelijke brochure reeks "Ons Arsenaal"; uitgave van J. v.d. Brink & Co. te Zutphen; Stroomingen en Sekten van onzen tijd, door ds. Bakker te Amsterdam; uitgave (2de druk van Kemink & Zoon, Utrecht; en Geestelijke Stroomingen door dr. Nicolette Bruining (modern) in Handboekjes, 't Beste, uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam.

De tegenwoordige psalmberijming en de verhouding van Staat en Kerk
In »de Geref. Kerk«, het orgaan der Confessionelen, wordt door ds. Lingbeek onder aanroeping van Hoedemaker (geen heiligen-vereering !), nog eens verzekerd, dat men de Gezangen wel zingen mag, omdat ze op wettige wijze, onder de oude Dordtsche Kerkorde (in welk jaar was 't ook alweer? ) zijn ingevoerd (als de zaak formeel, kerkrechtelijk maar in orde (?) is dan kan men gerust zijn!); maar dat men de Vervolgbundel onaangeroerd moet laten (Hoedemaker deed dat óók!), omdat de Vervolgbundel is ingevoerd onder de tegenwoordige Kerkorde van 1816; door een Synode, waaraan uitdrukkelijk door Koning Willem de bevoegdheid onthouden was om leerzaken te regelen en alleen mocht de Kerk besturen.
Koning Willem en Hoedemaker verbieden dus allen goeden Confessioneelen om dien vervolgbundel te gebruiken en dan is men ook niet geraden om tegen zulke hooge heeren in te gaan!
Naast deze dingen: waarom men oude Gezangen dus wel en de z.g. nieuwe gezangen niet mag gebruiken (we zijn heelemaal niet formalistisch!) wordt er ook nog iets gezegd over de tegenwoordige Psalmberijming. Op deze kwestie willen we nu niet ingaan. Misschien schrijven we er later nog eens breedvoeriger over. Maar iets willen we er toch van zeggen en wel om nog eens aan te toonen, tot wat zotte en dwaze dingen men komt, als de Staat, de Overheid zich met kerkelijke zaken bemoeit ; iets, wat men van de zijde van ds. Lingbeek c. s. toch zoo heerlijk vindt; zóó heeriijk, dat men dagelijks tranen schreit (er zijn ook krokodillen-tranen) en dat 't tegenwoordig helaas! mee door revolutionaire en anti-revolutionaire invloeden veel te weinig geschiedt,
Och kwam die goede oude tijd toch weer spoedig terug! Men kent ons standpunt: dat de Overheid haar handen thuis moet houden in kerkelijke zaken, uit eerbied voor Christus en Zijn Woord!
Maar dat is, helaas! niet altijd geschied. Ook in de jaren omstreeks 1770 niet. Toen ging het over veranderingen in de Psalmberijming van Datheen. Op de classis Den Haag en op andere classicale vergaderingen werd over het gebrekkige van die berijming gesproken; en de vraag was: zou men in sommige Psalmen veranderingen aanbrengen; of zou men een heel nieuwe berijming maken, enz. Dat zijn natuurlijk zuiver kerkelijke aangelegenheden, waar de Overheid absoluut niets mee te maken heeft. Maar de kerk zich in deze tot de Algemeene Staten en den Stadhouder Willem V, aan welken zij hare begeerte hadden voorgedragen en bij wien zij de zeer gewenschte hulp en ondersteuning vonden.
In de algemeene Staten-vergadering op den 6e Mei 1772 werd de zaak (van een Psalmberijming!) behandeld en daar werd bekend gemaakt hoe de Kerk het niet mocht doen en hoe de Kerk 't wel moest doen.
Door den Staten der onderscheidene gewesten daarna de predikanten benoemd die zich met de nieuwe Psalmberijming zouden moeten bezig houden. Zij zouden in Den Haag en op het Mauritshuis vergaderen onder leiding en toezicht van twee Commissarissen en twee helpers. De keuze moest gemaakt uit een drietal Psalmberijmingen, door de Staatsgemachtigden verzorgd en volgens den lastbrief, op den 19 december 1772 door de Algemeene Staten aan den Commissarissen gegeven, moest den Voorzitter telkens, met goedvinden van den Staats-Commissarissen, in rondvraag brengen welke berijming men zou kiezen.
Voor de stemming moest het gevoelen van den Staats-Commissarissen ingewonnen worden en als de stemmen staakten, hadden zij de beslissing. Zonder hunne goedkeuring mocht de vergadering geen twee malen den zelfden Psalm in overweging nemen, enz. enz.
Zoo zijn we gekomen aan onze tegenwoordige Psalmberijming! Waarbij dus de ellende van de overheersing van den Staat over de Kerk ten duidelijkste weer uitkomt.
En nu is 't mooiste, dat die menschen, die zoo voor de bekende zinsnede van Artikel 36 ijveren met den ijver van een Jehu, het dus verrukkelijk vinden, als de Overheid manusje van alles speelt, óók in de kerk - ons nog uitlachen, nu wij de tegenwoordige Psalmberijming gebruiken moeten.
Zoo "ongereformeerd" is die Psalmberijming ingevoerd, zegt men. Nee, dan is — beweert men — de Gezangenbundel handel veel "gereformeerder" ontstaan ...
Zou men zulke menschen, die juist voor ongereformeerde dingen 't vuur uit de schoenen loopen, niet om de ooren moeten geven, als ze dan ons nog uitlachen dat we nu met zulk een "ongereformeerde" Psalmberijming zitten, — waarbij wij zo'n "gereformeerde" Gezangenbundel hebben, die wij uit een zekere politieke berekening verwerpen.
Het is voor óns een oorzake te meer, om met alles wat in ons is op te komen voor de vrijheid van Christus' Kerk in dezen lande en de futlooze redeneeringen van zulk soort ijveraars voor de vereeniging van Staat en Kerk aan de kaak te stellen.
In hun weg is niets dan ellende voor Kerk en Volk te verwachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's