De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Wonen in Gods huis.* I.

15 minuten leestijd

Psalm 27 vers 4

Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen. Zoo zong eens de diclrter van den 84sten Psalm. En wij zongen het hem straks na:
Welzalig hij, die bij U woont. Gestaag U prijst en eerbied toont.
In Gods huis wonen. Dat is in de zaligheid, in de onmiddellijke nabijheid des Heeren te zijn. Niet waar, als ik bij iemand in huis woon, dan verkeer ik vlak bij hem, dan zie ik dagelijks zijn aangezicht, dan geniet ik telkens van zijn omgang, dan eet ik gedurig aan zijn tafel, dan spreek ik telkens met hem over allerlei dingen.
Welnu, zoo stelt de dichter het nu voor, alsof de Heere ook een groot huis heeft, een groot huis met verschillende kamers. In dat huis is God zelf de Huisheer, maar in dat huis zijn er ook velen, die bij God inwonen, die dus vlak bij den Heere zijn, die dagelijks Zijn aangezicht zien, die telkens van Zijn omgang genieten, die gedurig aan Zijn tafel eten en die ook gewoon zijn met Hem te spreken over de dingen, die hun leven en ook hun sterven aangaan.
Dat huis is de Kerk des Heeren. Zij wordt ons in de H. Schrift genoemd een woonstede Gods in den geest. En de bewoners van dat huis zijn alle ware geloovigen. In wat kamer zij ook wonen en of zij tot de grooten of kleinen behooren, als er maar iets van het levend geloof in het hart van een zondaar gevonden mag worden, dan behooren zij mede tot de huisgenooten Gods En nu zegt de dichter, dat het zalig is om bij God te wonen, om een bewoner van de woonstede des Heeren, om een huisgenoot van den Allerhoogsten Koning te zijn.
En inderdaad, als de Koningin van Scheba de knechten van Salomo reeds welgelukzalig prees, omdat zij geduriglijk voor zijn aangezicht stonden, hoe zalig moet het dan niet wezen om geduriglijk te mogen staan voor het aangezicht van dien beteren Salomo, die van zichzelf kon getuigen: meer dan Salomo is hier.
O, mocht het zoo wezen bij allen, die in deze ure belijden zullen dat zij tot de woonstede Gods, dat zij tot de Kerk des Heeren behooren. Mocht ook hun wonen in Gods huis een zien van de heerlijkheid van Christus en alzoo een genieten van de gemeenschap des Heeren zijn. Gaan we daartoe uw aandacht bepalen bij het woord van onzen tekst:
„Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijnen tempel".
Psalm 27 vers 4.
Eén ding ontbreekt u. Zoo sprak Jezus eenmaal tot den rijken jongeling. Die rijke jongeling had heel veel goede dingen, zooveel goede dingen, dat er zelfs staat: „en Jezus beminde hem", maar één ding had hij niet, één ding ontbrak hem en dat ééne was dat hij zichzelf niet kon verliezen en dat hij maar niet besefte hoe een mensch niet door eigen werken, maar alléén door het werk van Christus, dus alléén door genade zalig wordt.
Eén ding is noodig. Zoo sprak Jezus eenmaal tot Martha. Die Martha bekommerde en verontrustte zich ook over vele dingen, vele dingen die op zichzelf volstrekt niet kwaad waren, en veeleer tot de goede dingen gerekend konden worden. Maar één ding, zegt Jezus tot Martha, niet ontbreekt u, maar één ding is n o o d i g. Jezus zegt dus niet dat Martha dat ééne noodige mist, maar Hij herinnert er haar aan, dat dat ééne haar wel wat zwaarder mocht wegen, dat dat ééne haar wel wat meer ter harte mocht gaan. En dat ééne was het goede deel van haar zuster Maria, die aan de voeten van Jezus zat.
Dat ééne dat de rijke jongeling miste, en op welks noodzakelijkheid zelfs een Martha nog gewezen moest worden, dat ééne had de dichter van ons tekstwoord, zooals hij zelf zegt, van den Heere begeerd, dat ééne zou hij zoeken, dat hij al de dagen zijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijnen tempel.
Dit woord uit den bekenden 27en Psalm is oorspronkelijk een woord geweest van David. Wanneer hij dezen Psalm gedicht heeft, weten we niet. Gewoonlijk gelooft men dat het geweest is in een tijd, toen hij van het huis des Heeren gescheiden was, hetzij dan tijdens de vervolging door Saul of later onder die door Absalom. Och, als we van hetgeen ons lief is gescheiden zijn, beseffen we altoos het beste wat we missen. Zoo is het ook in het natuurlijk leven. Als een kind van het huis zijner ouders gescheiden is, gevoelt liet 't beste wat het in dat ouderlijk huis bezat. En zoo ook als een kind Gods van het huis des Heeren gescheiden is, gevoelt hij het beste wat dat huis des Heeren eigenlijk voor hem is. Vandaar dat het ook geen wonder is, dat David weer in het huis des Heeren wenschte te wonen. Dat is dan ook het ééne ding, waarover David het hier heeft en waarover wij het van morgen ook willen hebben.
Dat ééne ding immers is noodig voor ons allen of we nog rijke jongelingen zijn of dat we Martha's of Maria's zijn geworden. En het is niet het minst noodig voor deze meerendeels nog jeugdige belijders en belijderessen, door wie weldra in het huis des Heeren de Naam des Heeren staat beleden te worden.
Komt, als we dan over dat ééne ding tot u gaan spreken, overdenken we dan achtereenvolgens:
1e. Waarin het bestaat. 2e. Waartoe het leidt. 3e. Waardoor het verkregen wordt.
Het ééne ding dat David begeerde, was dat hij alle de dagen mocht wonen in het huis des Heeren. Dat wonen in het huis des Heeren was in het wezen der zaak voor David het wonen bij God, het leven met God, het spreken tot God, het genieten van God.
En nu zult gij aanstonds gevoelen, dat dat wonen dus niet beperkt was tot een aardsch heiligdom. Zeker, dat aardsch heiligdom, de tent die David voor de ark des Heeren te Jeruzalem zou spannen of misschien toen reeds gespannen had, was voor hem, bijzonder in de bedeeling waarin hij leefde, wel de woonplaats des Heeren; zij was dus wel bij uitstek bestemd om met God te leven, om tot God te spreken, om over God te zingen en om van God te genieten. Maar juist dat David hier spreekt van een al de dagen wonen in het huis des Heeren, is wel een bewijs, dat we dat huis des Heeren hier niet alleen mogen opvatten in letterlijken zin. Het huis des Heeren heeft dan ook naar zijn wezen een veel dieperen zin dan de beteekenis die wij er gewoonlijk aan hechten in den zin van een gebouw.
Het eigenlijke huis des Heeren is Christus. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. En in en door dien Christus is het huis Gods ook de gemeente des Heeren. Zij is het geestelijke Godshuis, dat gebouwd wordt op 't fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. In haar heeft God met Zijn Heiligen Geest woning gemaakt. Hij, die woont in de hoogte en in het heilige, woont ook bij dien, die eens nederigen en verbrijzelden geestes is. Dus overal waar God werkt met de zaligmakende invloeden van Zijn Geest en genade, daar is iets van het huis des Heeren.
En in dien zin was het nu de begeerte van David, dat hij al de dagen in het huis des Heeren wonen mocht.
Zeker, daarvoor was het heiligdom op Zion hem geen onverschillige zaak. David dacht dus heelemaal niet: dat is toch maar iets uitwendigs en het komt maar aan op dat wonen Gods in geestelijken zin. Integendeel, ook het heiligdom op Zion was voor hem de plaats der eere, en als God er hem toe verwaardigd had, dan zou hij daar reeds den tempel gebouwd hebben, die nu door zijn zoon Salomo is gesticht. Wel een bewijs, dat David dus volstrekt niet stond op het standpunt dat het formeele van dat wonen Gods onder Zijn volk van nul en geener waarde was. Maar David onderscheidde vorm en wezen, datgene wat slechts voorbijgaande waarde bezat en datgene, wat van eeuwigdurende beteekenis was.
En in dien zin moet het wonen in het huis des Heeren ook in onze bedeeling door ons opgevat worden. Zeker, wat het formeele, wat den vorm betreft, dan heeft dat wonen in het huis des Heeren ook bij ons nog een uitwendigen kant. Dan is het huis des Heeren voor ons de samenkomst der gemeente onder de bediening van Gods Woord, waar de Heere woont onder de lofzangen Israels. Daar immers worden de steenen van het geestelijke Godshuis geformeerd. Daar worden de levende leden van de Kerk van Christus geboren en gevoed. Daar wil de Heere telkens weer zondaren toebrengen tot de gemeente die zalig wordt. Daar doet de Heere de lamp van Zijn volk niet zelden opklaren. Daar worden vaak de zorgen vergeten, de tranen gedroogd, de bedroefden vertroost, de kranken genezen, de wonden verzacht, de raadselen verklaard, de zwarigheden opgelost. In den weg der middelen wordt daar den treurigen Zions niet zelden beschikt dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest. 
Zeg dus nooit, dat de bediening des Woords er niet toe doet, dat het onderhoud van kerkedienst en predikambt en scholen niets beteekent, dat deze dingen toch maar uitwendig en dus van geenerlei waarde of beteekenis zijn. Zeg ook niet, dat het van geen belang is tot welke Kerkformatie gij behoort, en of de eenheid van het kerkelijk instituut zooveel mogelijk geschonden en verbroken wordt, omdat het er toch maar op aankomt of ge een levend lidmaat van de gemeente van Christus zijt. Immers als gij zoo spreekt, weet dan dat dat opofferen van den vorm aan het wezen nooit naar wijsheid geschiedt.
Maar laat er nu ook evenmin een opofferen van het wezen aan den vorm zijn. Want neen, de kerkedienst, de dienst des Woords en der gebeden en der Sacramenten, is voor het wonen in Gods huis niet zonder beteekenis en zonder vrucht, maar nooit mogen we meenen dat deze dingen op zich zelf reeds een wonen in dat huis zouden zijn. Immers als dat waar was, dan zouden we buiten de Kerk ook buiten het huis des Heeren zijn en dan zou het alle dagen onzes levens in dat huis wonen zeker onmogelijk zijn.
We hoorden dan ook reeds, dat dat voor David gansch iets anders beteekende. En zoo is het nog. In het huis des Heeren wonen kunt gij doen ook al zijt gij buiten de Kerk, en niet in het huis des Heeren wonen kunt gij doen, ook al zijt gij in de Kerk. De Farizeer in de gelijkenis stond in den tempel en toch was hij buiten het huis des Heeren. En Maria, toen zij zat aan de voeten van Jezus, was zij buiten den tempel en toch was zij binnen het huis des Heeren. En daaruit blijkt nu zoo duidelijk, dat het wonen in des Heeren huis eigenlijk bestaat in een gemeenschapsoefening met God Wie in het huis des Heeren woont, leeft met een hart, dat naar God uitgaat. „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijn ziel tot U, o God". Wie in het huis des Heeren woont, leeft met een verstand dat door Gods Geest wil verlicht worden. „Open mijn oogen, dat ik aanschouwe de wonderen Uwer wet". Wie in het huis des Heeren woont, leeft met een wil, die onder God buigt: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal".
Wie in het huis des Heeren woont, heeft zichzelf leeren kennen als een verloren zondaar, die zelfs met al zijn gerechtigheden niet voor God kan bestaan. Wie in het huis des Heeren woont, kent geen anderen weg dan den weg der genade die daar in Christus ontsloten is; ziet geen andere deur dan de deur der hope, die dan in Christus geopend is; zoekt geen ander leven dan het leven des Geestes, dat door Christus verworven is.
Wie in het huis des Heeren woont, zit dus met Maria aan de voeten van Jezus, den eenigen Naam die onder den hemel gegeven is om zalig te worden, en begeert door Hem verzoend, door Hem verlost, door Hem vernieuwd, door Hem bekeerd en door Hem gezaligd te worden.
Dat wonen in het huis des Heeren dat kan dus geschieden in de Kerk, maar ook in uw binnenkamer, maar ook in uw winkel, maar ook in uw werkplaats, maar ook op uw kantoor, maar ook in uw school, maar ook in het veld, maar ook op de straat. Wonen in het huis des Heeren kunt gij zelfs bij dagen en bij nachten. Denk aan Jacob. Was niet de harde steen van Bethel hem geweest tot een huis Gods, tot een poort des hemels? O, gelukkig als uw leven, als uw gansche leven in beginsel zulk een Bethel zulk een wonen in het huis des Heeren, zulk een zitten aan de voeten van Jezus, zulk een gemeenschapsoefening met den Heere mag zijn.
Maar we zouden in de tweede plaats hooren waar het ééne ding dat deze dichter van Psalm 27 begeerde, toe leidt.
En dan blijkt het te leiden tot een aanschouwen van de liefelijkheid des Heeren en tot een onderzoeken in Zijnen tempel.
Om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen. Dat was dus het eerste doel, waartoe David zoo gaarne in het huis des Heeren begeerde te zijn. Welke liefelijkheden waren dat dan? zoo vraagt ge misschien. Wat was er dan voor liefelijks in het huis des Heeren te zien? O, we weten dat heel de dienst der ceremoniën voor den vromen Israëliet iets liefelijks had. De dichter van Psalm 84 zingt daar ook van: Hoe liefelijk zijn mij Uwe woningen, o Heere der heirscharen. Nu kan dat woord liefelijkheid ook door gratie, dus ook door genade vertaald worden. En nu verstaan wij het beter. De liefelijkheden die de dichter wenschte te zien, waren de liefelijkheden van Gods genade in Christus. O, hoe heerlijk blonken die liefelijkheden in den Oud-Testamentischen eeredienst. Denk aan het brandofferaltaar en aan de rookende offeranden die daarop werden gebracht. Denk aan het waschvat en aan de wasschingen die daar plaats hadden. Denk aan de tafel der toonbrooden en aan de spijze, die daarop telkens weer bij vernieuwing moest toegericht worden. Denk aan den gouden kandelaar met de lampen, die steeds brandende moesten zijn. Denk aan het reukofferaltaar en aan het reukwerk der gebeden, dat daar ontstoken werd. En denk niet het minst aan de lichtende wolk, die een herinnering was aan de gestalte der cherubijnen, die zich achter het voorhangsel neerbogen over het verzoendeksel der ark.
Zie, dat zijn allen voor den vromen dichter liefelijkheden, bewijzen van Gods geade geweest. En die liefelijkheden zijn er in het huis des Heeren nog. Zeker, formeel zijn zij voor ons anders dan zij voor oud-Israël waren. Maar in het Woord des Heeren worden immers ook wij gewezen op het groote offer, eenmaal gebracht, op 't bloed er verzoening, dat van alle zonden reinigt, op het brood des levens, dat hongerende zielen spijst, op het licht des Geestes dat donkere harten verlicht, op het gebed van een verslagene, dat den Heere welbehagelijk is; en bovenal op die lichtende wolk van Gods rijke genade, die het ons toeroept dat het werk der verzoening volbracht is door Christus, die eenmaal in het binnenste heiligdom is ingegaan, nadat Hij een eeuwige verlossing teweeg had gebracht.
Dat zijn de liefelijkheden in de rechterhand des Allerhoogsten, die door degenen die in het huis des Heeren wonen nog altijd worden aanschouwd, d.w.z. waarin dezulken zich nog altoos verlustigen mogen. Immers dat is hier de oorspronkelijke beteekenis van het woord aanschouwen. Het wil zeggen: zich met heel zijn ziel ergens in verheugen en verblijden. Het is als met iemand die in een dal staat en dan aanschouwt de hemelhooge bergen, die pal staan door Gods kracht. Dan kan zoo iemand zich in dat majestueuze gezicht verheugen en verblijden. Dan kan zoo iemand zich daarin verlustigen. Welnu, alzoo, maar dan met veel hooger vreugde, verlustigt een bewoner van het huis des Heeren zich in de liefelijke bergen en heuvelen van Gods genade in Christus. Liefelijker vergezicht is niet denkbaar, dan dat ons oog, gewapend met den verrekijker des geloofs, iets mag aanschouwen van die liefelijkheden des Heeren, waarvan de dichter van Psalm 73 eens zong:

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten,
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit in bitt're smart,
Of bangen nood mijn vleesch en hart,
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed,
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
(Slot volgt).


*Predikatie, gehouden te Veenendaal in de morgengodsdienstoefening op Zondag 18 April l.l., ter gelegenheid van het afleggen van geloofsbelijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's