De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Een nieuwe bewindsman
Even onverwacht en raadselachtig als het Kabinet-de Geer op 11 Maart opdook, is de heer Van Royen op 22 April als Minister van Oorlog, tevens Minister van Maritiem ad interim, afgetreden. Het heette in het communiqué, hetwelk in de pers verscheen, dat de Minister is afgetreden wegens bezwaren, gerezen ter zake de voorbereiding der instelling van het  departement van Landsverdediging.
Kort te voren had de heer Van Royen een deel van de Kamer ontstemd, doordat hij den post op de Marinebegrooting teruggenomen ten behoeve van den aanschaf van twee torpedobootjagers en een onderzeeër, welke moesten dienen ter vervanging van verouderd materiaal, bestemd voor den Indischen dienst.
De Minister trof dezen maatregel en liet hij zich eerst volledig op de hoogte stellen van de noodzakelijkheid van de nieuwen aanbouw, waarmede zijn voorganger zich had vereenigd.
Dat dit punt blijvende moeilijkheid in de Kamer zou geven, is niet aan te nemen, aangezien reeds gebleken was dat de Minister het nieuwe materiaal bij eene afzonderlijke begrooting zou aanhangig maken.
Waarschijnlijk ligt dus het punt van verschil tusschen den heer Van Royen en zijn ambtgenooten ergens elders.
Het zou ons niet verwonderen als de moeilijkheid zou zijn ontstaan ten aanzien van de vraag, of de Indische Marine onderdeel moeten worden gemaakt van die van het Rijk in Europa, met het gevolg, dat we... van de Marine voor Nederland over..... met het Oorlogsministerie tot een departement van Landsverdediging zou worden samengevoegd.
Van een dergelijke samenvoeging, .... van ook het gedeelte der Kamer, waarvan hierboven reeds sprake was, tegen ... is, had de ambtsvoorganger van de minister, de heer Lambooy, zich voor..... verklaard, terwijl deze maatregel, zoals misschien later blijken zal, wanneer ..... der geheimzinnigheid zal zijn weggenomen, niet naar het inzicht was van den heer Van Royen.
Hoe dit intusschen zij, het Kabinet De Geer voorzag zich reeds na zes weken van een nieuwen Minister van Oorlog. Met dit optreden van den heer Lambooy, heeft het Kabinet zich opnieuw Rooms georiënteerd.
In die richting deed het extra-parlementair Kabinet in de korte spanne tijds van zijn optreden reeds drie stappen.
Eerst deed het 't voorstel van het genootschap bij den Paus, daarna gaf het medewerking aan de benoeming den heer Van Koolen tot Staatsraad, het vijfde ..... in den Raad van State, en eindelijk! bewilligde het in de benoeming van de heer Bongaerts tot lid van den Zuiderzee.....
Intusschen zal binnenkort wel blijken in welk licht de veranderde toestand van de Departementen van Oorlog en Marine worden gezien.

Het antwoord schuldig gebleven
Bij gelegenheid van de behandeling van de Indische begrooting heeft de vo..... in de Tweede Kamer een vrij sch..... plaats gehad tusschen twee predikant-kamerleden der Hervormde Kerk, n.l: dr. de Visser en ds. Lingbeek.
De zaak, waarover het ging, betreft de voorziening in de godsdienstige behoefte der bevolking in Indië.
Ds. Lingbeek klaagde, dat in het antwoord, dat de Minister van Koloniën aan de verschillenden sprekers, die over zijn begrooting het woord hadden gevoerd aan de geestelijke behoeften van Indië ..... die aandacht en toewijding had ge....  ken, die deze inderdaad verdienden. Daarom wilde hij dit groote belang op het hart van de Regeering binden: het brengen van het Evangelie aan de volken van Indië.
Op deze opmerking van ds. Ling beek vatte dr. de Visser vuur. Niet wegens het onrecht, dat hier de Minister van Koloniën werd aangedaan, die wel degelijk verklaard had dat de geestelijk belangen, waartoe toch ook de godsdienstige belangen behooren, in zijn handen veilig waren, maar over de ..... welke ds. Lingbeek had geponeerd (verkondigd): dat de Overheid het Evangelie moet brengen in de Oost-Indische ..... gen en den godsdienst daar moet regeeren.
Terecht stelde dr. de Visser in dat opzicht de vraag: op welke wijze en in welke vorm, in afwijking van hetgeen tot dan toe door de Regeering op dit gebied werd gedaan, de taak, welke ds. Lingbeek de Minister opdroeg, moest worden ..... 
Bekend is, wat de Regeering doet ten opzichte van de Indische Kerk, welke ..... inlandsche gemeenten met regeering ..... haar werk verricht. Ook ontvangen allerlei particuliere inrichtingen, die met de Zending in verband staan, als scholen, ziekenhuizen, e.d., de moreele en financiëele medewerking van de Regeering.
In welken anderen vorm, zoo vroeg dr. De Visser, zou de Regeering de prediking van het Evangelie in Indië in nog meerdere mate kunnen bevorderen, dan tot nog toe geschiedt?
Op deze vraag bleef ds. Lingbeek volkomen in gebreke om ook maar met een enkel woord aan te geven op welke wijze de regeering naar zijn inzicht aan de volken in Indië het Evangelie heeft te brengen.
Het is de bekende methode, welke ds. Lingbeek steeds volgt, ook wanneer hij voor ons land de roeping van de Overheid ten opzichte van de Kerk aangeeft. Er wordt een stelling geponeerd, zonder een middel aan te geven om deze stelling in practijk te brengen.
't Was dan ook volkomen verdiend, toen dr. de Visser tot ds. Lingbeek het scherpe verwijt richtte: »Wanneer men op dergelijke manier aan het eenvoudige volk leugen voorhoudt en daarbij geheel achterwege laat ook maar een enkel middel aan te geven, waardoor de Regeering deze in practijk kan brengen, dan benadeelt men tenslotte de christelijke belangen van ons volk«.
Het einde van het debat was, dat ds. Lingbeek schuldig bleef, de hem gestelde vraag te beantwoorden.
Pleziertreinen op Zondag.
Het geeft goede hoop voor de toekomst, dat ook van Roomsch Katholieke zijde instemming wordt betuigd met het verzet tegen het laten loopen van goedkoope treinen op Zondag.
Nog niet zoo heel lang geleden sprak de bisschop van Haarlem zich over de viering van den Zondag uit in een mandement (herderlijk schrijven) aan zijn bisdom.
Daarin werd o.m. het navolgende geschreven:
Het is bekend, dat wij onzen geestelijken adviseurs hebben opgedragen er voor te waken; dat de Zondag wordt gevierd als de dag des Heeren en hunne vereenigingen de Zondagsrust voor anderen niet onmogelijk maken; daarom zullen zij het houden van vergaderingen op Zondag zooveel mogelijk tegengaan, en zeker het gebruik maken van publieke vervoermiddelen, zooveel zij slechts kunnen, verbieden.
In denzelfden geest, al is het niet zoo scherp gezegd, schrijft thans ook de R.K. "Residentiebode" naar aanleiding van de vragen, welke het Kamerlid de heer Duymaer van Twist aan den Minister van Waterstaat stelde inzake de pleziertreinen op zondag.
De Roomsch Katholieken, zoo zegt het blad, zijn niet zoo streng in het stuk der zondagsviering als de Antirevolutionairen. Toch ziet ook de »Residentiebode« gevaren, van socialen aard, waar het spoorwegpersoneel zijn Zondagsrust voor goed zal gaan verliezen, nu de zucht naar genot van het uitgaande publiek op Zondag, moet worden bevredigd.
Echter ziet het blad ook gevaren van geestelijken en zedelijken aard:
De uithuizigheid op Zondag is tegenwoordig toch al zoo schrikbarend, dat ze waarlijk niet behoeft bevorderd te worden. En nu zijn wij niet van ouderwetsche meening, dat het mooie in de natuur alleen voor de gegoeden geschapen is. Ook degenen, die dagelijks met hard werken den kost moeten verdienen, mogen zeker wel eens profiteeren van Gods mooie natuur. Of daarvoor echter de Zondag bedorven mag worden, is een andere vraag.
En die Zondag wordt zeker voor velen bedorven, als men reeds in den vroegen morgen per trein uittrekt. Zeker kan men, als het op zijn best uitkomt, ergens onderweg hier of daar wel »een Misje snappen«, maar men zal wel niet beweren, dat dit behoorlijk Zondagvieren is.
We gelooven ook, dat het plezierreizen op Zondag hoe langer zoo minder noodig wordt, omdat zoo zachtjesaan overal en in alle zaken vacantiedagen zijn ingevoerd. Late men daarom liever eens zulke plezier-treinen rijden op werkdagen. Men zal er gaarne een vacantiedag voor over hebben.
Het »Friesch Dagblad*, dat van deze woorden van de »Residentiebode« in zijn orgaan melding maakt, voegt aan het stuk toe:
Wij hopen van harte, dat Minister Van der Vegte ooren hebben zal voor deze protesten.We waren op den goeden weg. De »goedkoope treinen« waren in onbruik geraakt. Niets is gemakkelijker dan ze niet wederom in te voeren. Geeft men op werkdagen in den zomer ruime vermindering van prijs voor bepaalde uitstapjes, dan zal men waarlijk volk genoeg trekken, dat er van profiteeren wil. Denk b.v. maar aan de extra-treinen naar de Zendingsdagen.
Met deze opmerking van het »Friesch Dagblad« stemmen wij volkomen in.
Wij verheugen er ons over, dat van alle kanten belangstelling voor de zaak komt, en ook het spoorweg-personeel zijn stem tegen het inkrimpen van het beetje Zondagsrust, dat het tot nog toe heeft, laat hooren. De pleziertreinen op Zondag zijn om allerlei redenen uit den booze.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's