De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

11 minuten leestijd

Het Calvinisme (13)

Over de gevallen wereld waakt de Souvereine God, haar dekkend onder 't kleed Zijner gemeene gratie. Vele gaven schenkt Hij door Zijnen Heiligen Geest voor het organische leven en Hij houdt de menschheid in haar gevallen staat, aan Zijn Wet en ordinantie, welke oorspronkelijk ingeschapen is in hun hart. "Als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hun geweten medegetuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende". Rom. 2 vers 15.
Maar nu heeft het den Heere behaagd, in Zijn souverein welbehagen, om door wedergeboorte een volk des lichts te formeren, te midden van de kinderen der duisternis met hunne booze werken, om als een uitverkoren geslacht te leven bij Gods Woord, en Hem, naar Zijnen heiligen wil, te dienen op alle terrein des levens.
"Uwe getuigenissen zijn mijne verlustiging, Uwe bevelen mijne raadslieden". (Ps. 119: 24), belijdt dat volk, 't welk in het midden van een krom en verdraaid geslacht geroepen wordt Gods lof te verkondigen. En Gods kinderen slaken telkens de bede, kennende de zondige lusten, dat de Heere hun voet maar vast mag maken in het spoor Zijner getuigenissen en den Heiligen Geest mag schenken om in alle waarheid te leiden. (Ps. 119 vs 4, 5, enz.).
Geen grooter eere voor den mensch om de Heere te mogen kennen en Hem te mogen dienen naar Zijn Goddelijk bevel. En het volk des Heeren staat er naar, als het geestelijk wel gesteld is, om geheel in te ... in Gods getuigenissen en daarnaar te handelen en te wandelen.
"k Zal Uw geboôn die ik oprecht bemin,
Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;
Ik reken die mijn allergrootst gewin;
Ik grijp ernaar en zal er heil uit wachten;
Ik heb ze lief en zal met hart en zin,
Al 't geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten". (Psalm 119 vs 24).
Een eigen planting Zijner genade heeft de Souvereine God hier op aarde in het volk des lichts, dat geroepen is Zijn lof te verkondigen.
Het is Zijn eigen stichting, welke de Heere Zich maakte tot Zijn eer, in Jezus Christus als hun Hoofd en Heere, vereenigd en saamgevoegd tot de vreeze van Zijne Naam.
Dat is des Heeren Kerk op aarde, die in den beginne geweest is en tot het einde zijn zal, welke is eene heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen. Deze heilige Kerk is niet gelegen, gebonden, of bepaald in eene zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nochtans samengevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in éénen zelfden Geest door de kracht des geloofs«. (Art. 27 Ned. Geloofsbelijdenis).
Zoo staat daar als het werk van Gods beleid (?) de Kerk, de éénige Katholieke of Algemeene Kerk, welke is »een heilige vergadering en verzameling dergenen die zalig worden. (Art. 28 Ned. Geloofsbelijdenis). Of, zooals de Engelsche belijdenis van Westminster zegt: "De Kerk is het ontastbare lichaam van alle verkorenen die ooit geweest zijn of zullen zijn, welke Christus als onder één Hoofd verzameld en vormende alzoo het lichaam van Christus, Die Zelf alles in allen vervult". 
Gansch de Kerk des Heeren is dus nooit in den hemel en tegelijk op aarde, want een deel is reeds geweest, een deel is er nu en deel is nog voor de toekomst bewaard, terwijl onderscheidene deelen nu reeds vergaderd zijn in den hemel.
Maar de Heere is toch bezig door alle tijden die Kerk te vergaderen en tot openbaring te brengen, zoodat er nooit een tijd is zonder Kerk.
Niet altijd heeft de Kerk geleefd onder dezelfde omstandigheden. Wel was het altijd Christus' Kerk en wel werd altijd aan Gods kinderen de volle zaligheid geschonken, zoodat ook onder de Oude Bedeeling door het zalig volk, dat het geklank kende (Psalm 89), kon worden gezongen: »Zoo ver het West verwijderd is van 't Oosten, Zóó ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonden weggedaan«. (Psalm 103 vers 6). Daar behoefde waarlijk geen soort »voorportaal voor de Vaderen« te zijn, waar de geloovigen van de Oude Bedeeling vergaderd werden, om daar, buiten den hemel, te wachten, totdat Christus zou gekomen zijn, om hen dóór te helpen door de poorte van het hemelsch paradijs. Want het Sion van den ouden dag heeft blij-geloovig gezongen: »Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!), Ik zal, ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw god'lijk beeld«. (Psalm 17).
Met Job kenden zij den Verlosser, door Wien de dichter van Psalm 116 zingen kon: »Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder; Gij zijt verlost; God heeft u wèl gedaan!«
Dezelfde taal, als eenmaal Jacob op zijn sterfbed sprak: »Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere!«
Toch was de Kerk des Heeren onder de Oude Bedeeling zoo geheel anders georiënteerd dan de Kerk der Nieuwe Bedeeling. De eerste kwam wel niet te kort, maar de tweede heeft méér ontvangen.
En zóó staat nu, waar de middelmuur der afscheiding onder de volkeren is weggevallen, de Kerk van Christus als een planting Gods hier en elders, in Nederland, Engeland, Duitschland, Europa, Afrika, Amerika, Azië, Australië, hebbende het Woord des Heeren en de gave des Geestes, maar niet als een volmaakte Kerk — die voor den hemel bewaard wordt — doch als een in landen en talen en natiën gedeelde Kerk, ook in één en hetzelfde land met velerlei onderscheidingen, omdat de H. Geest nooit en nergens de volle aanschouwing, de volle kennis en de volmaakte profetie geeft, doch altijd zóó werkt, dat ieder der geloovigen persoonlijk en allen saam telkens weer moeten bekennen: »Wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele« — daarbij elkander verdragend om Christus' wil, zuchtend verlangend hier maar telkens opnieuw van God geleerd te mogen worden en straks tot volmaakte kennis der zaligheid te worden opgenomen in den hemel der heerlijkheid.
De Kerk des Heeren, zoolang zij op aarde is en waar zij zich ook openbaart, draagt de hemelsche schatten in aarden vaten. En daarom zal onder de ware Christ-geloovigen nooit éénvormigheid, maar altijd velerlei verscheidenheid en afwisseling gevonden worden.
Hoe is Luther niet anders geleerd en geleid dan Zwingli en Calvijn. En hoe zijn ook de wegen van Calvijn en Zwingli niet gansch verschillend, waarbij de vertolking van Gods waarheid door Calvijn zoo 'n gansch ander accent — en soms ook een anderen inhoud —heeft dan 't geen Zwingli voortbracht uit Gods Woord. Steeds worden de hemelsche schatten in aarden vaten gedragen en steeds is het weer: »Wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele«.
Daarbij moet elke Kerk zich zelf het hoogste ideaal stellen! En dan staat het niet aan de Kerk om eigenmachtig een belijdenis en een orde van samenleven te scheppen, buiten Gods Woord om of los van de ordinantiën des Konings, Die over Sion gezalfd is door den Heere HEERE.
Het lichaam van Christus, dat zich, steeds in de onderscheidene leden hier en elders met onderscheiding zal openbaren, heeft overal en altijd toe te zien, dat het zich toch openbaart naar Goddelijke orde, om als een pilaar en vastigheid der waarheid te staan te midden van een booze wereld, tot opbouwing ook en volmaking der heiligen.
En daarom zal de Kerk overal het Woord hebben te prediken, de Sacramenten te bedienen en de tucht te oefenen, om, levend voor des Heeren aangezicht, in oprechtheid te wandelen, niet vleeschelijk, maar geestelijk, daarbij alle hope stellend op Hem, Die Zijn Kerk kocht met Zijn dierbaar bloed en nu, verhoogd aan des Vaders rechterhand, haar behoedt en beschermt en bewaart tot in eeuwigheid.
Nergens mag de Kerk des Heeren tuchteloos in de zonde leven; nergens mag zij afwijken, in lauwe laksheid en met zondige nalatigheid, van het houden van Gods geboden; nergens mag zij haar vertrouwen stellen op het vleesch. Overal geldt hetzelfde Woord en dezelfde Wet, doch wat nooit vergeten mag worden, hier zal men de waarheid wat inhoud en toepassing aangaat altijd weer wat anders zien en beleven dan daar, wat in deze bedeeling zoo blijven zal, totdat straks al Gods kinderen in den hemel der heerlijkheid zullen zijn vergaderd en God, met den nieuwen-hemel en de nieuwe aarde, alles zal zijn in allen. Dan is het gebrekkige, het »ten deele kennen en profeteeren« weg; dan is het alles één in volmaaktheid, zonder eenig gebrek en zonder zonde.
Dat »ten deele« hebben we op het standpunt van geloovig-Protestant te aanvaarden, met al de consequenties voor het kerkelijk leven. Wie als Protestant het woord Kerk zegt, zegt tegelijk, dat het lichaam van Christus, door één Geest geleerd en door één Woord gevoed, niet uniform, maar pluriform, zich in deze bedeeling openbaart en zal blijven openbaren, juist omdat het lichaam van Christus, omdat de Kerk van Christus, bestaat uit menschen, uit geloovigen, uit ware Christ-geloovigen, die al hun zaligheid mogen weten in Christus en die Gods Woord mogen kennen als een lamp voor den voet en een licht op het pad, maar, van God geleerd, de hemelsche schatten in aarden vaten dragen en telkens eerlijk en oprecht, zuchtend naar beter deel, moeten getuigen: »Wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele«.
Kennen. Waarachtig kennen, als van God geleerd; maar dan kennen ten deele, zoolang deze bedeeling duurt.
Dat behandelt Rome anders! Die laat de Kerk niet samenvallen in de ware Christ-geloovigen, in de belijders van 's Heeren Naam — maar in den Paus. Dan is de Paus de Kerk en de Kerk is in den Paus; en dan is de Paus (de priester) alles en »de leeken« behoeven slechts knielend uit de hand van den Paus (den priester) de zaligheid te ontvangen en uit zijn mond over te nemen de waarheid.
In den Paus is bij Rome de uniformiteit van de Kerk gewaarborgd, overal en altijd; in 1600 en in 1900; in Nederland en in Afrika, in Engeland en in Indië; één taal als Kerktaal, één prediking: de leer der Kerk, de traditie; één Sacrament door den priester bediend; alles één in den éénen Paus, den onfeilbaren, den alles precies en volkomen wetenden Stedehouder van Christus.
Maar dat alles werpt de geloovige Protestant verre van zich! Voor den Protestant, die Gods Woord tot leidsman heeft, bestaat de Kerk niet in den Paus (den priester), naast wien of beneden wien dan de onmondige »leeken« staan. Neen, de zonen en de dochteren der Reformatie spreken van een uitverkoren, van een verkregen, van een heilig volk, van een koninklijk priesterdom, met een algemeen priesterschap der geloovigen en voor hen is de Kerk: de vergadering van belijders van 's H e e r e n Naam; de samenleving van discipelen en discipelinnen des Heeren, die zich gaarne voegen naar 's Heeren Woord.
Dat geeft hier nooit één ongedeelde Kerk, waar overal de taal des geloofs in alle deelen precies dezelfde klanken doet hooren en waar overal de wijze van kerkelijk samenleven precies dezelfde is.
Dat kan niet, omdat men hier en omdat men daar en omdat men overal »ten deele« kent en »ten deele« profeteert en de Souvereine God hier weer andere gaven uitdeelt dan daar, den één méér en den an­ der minder gevend, naar Zijn welbehagen; maar allen toch weer zooveel, dat niemand te kort komt.
Dat geeft op kerkelijk terrein altijd een eigenaardige, niet zelden een pijnlijke worsteling, waar het ideaal is: te grijpen, waartoe men van Christus gegrepen is (Filipp. 3 vers 12), om in dat grijpen telkens te ervaren, dat men het nog niet gegrepen heeft, noch het aireede gekregen heeft, noch alreede volmaakt is.
Het Woord is er — maar de worsteling om het Woord te verstaan en te beleven, blijft, waarbij weer het refrein is: niet dat ik het alreede gekregen heb, of alreede volmaakt ben.
Eén in Christus — maar vele leden.
Eén Geest — maar onderscheidene gaven van menigerlei genade.
Daarom wordt in Art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis bij de volkomenheid van de H. Schrift de onvolkomenheid van alle menschelijke geschriften, óók van alle kerkelijke geschriften (conciliën, enz.) niet vergeten, maar nadrukkelijk genoemd.
En zoo bloeit de Kerk als »de roos onder de doornen« hier weer in andere kleurschakeering dan daar, al naar de mate dat de Heere des hemels en der aarde in deze bedeeling aan Zijn kinderen uitdeelt. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's