De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XXV.

De Kerke-dienst moet geheel en al staan onder wet, regel en orde door Christus, den Koning der Kerk, ingesteld. Het kerkelijksamenleven heeft eigen ordinantie en niemand ter wereld mag daar tusschen komen om andere wetten te stellen. Die dat doet, zou de eere van Christus te na komen.
Overal waar dus een Kerk is als vergadering van Christ-geloovigen zal er ook een Kerke-dienst moeten zijn, staande onder eigen wet en regel. En aangezien de dienst des Woords het hart en de ziel is van het kerkelijk-samenleven, zal overal die dienst des Woords moeten worden ingericht naar den wil en het bevel van Sions Koning, Die steeds verwijst naar de Heilige Schrift, met de belofte, dat de Heilige Geest zal leiden in alle waarheid.
Als er dus één ding vrij moet zijn in de Kerk, dan is het de dienst des Woords. Wil de Overheid, willen de Vorsten dus iets doen voor den Kerke-dienst, dan zullen zij zich als de voornaamste burgers van stad en land, onder de prediking moeten begeven; ze zullen alle maatregelen moeten treffen, dat de dienst des Woords ongehinderd en ongestoord kan geschieden, maar juist uit eerbied voor dat Woord en uit liefde tot Christus' Kerk zullen zij de handen ten opzichte van de prediking moeten thuis houden en noch verbieden noch bevelen in deze.
Zij mogen niet voorschrijven wat en hoe er gepredikt moet worden; wat wel  en wat niet in de bediening des Woords en der gebeden mag worden neergelegd in het midden der gemeente en in het midden des volks.
Elke poging, door de Overheid in deze gedaan, is majesteitsschennis tegenover Jezus Christus, het Hoofd der gemeente.
En de geschiedenis bewijst dat de Overheid in dagen, dat men den band tusschen Staat en Kerk wilde aanhalen, nooit de handen heeft thuis kunnen houden, maar steeds pogingen deed om dit in betrekking tot de prediking te verbieden en dat te bevelen en voor te schrijven.
De predikant moest op het stadhuis komen, om te vragen of hij vervolgstoffen mocht behandelen en uit welk bijbelboek hij mocht preeken. En voor 't gebed schreef de Overheid niet zelden voor, wat de dienaar des Woords moest zeggen belangende de politieke aangelegenheden.
Wij hebben vroeger al eens op deze dingen gewezen en een heel lijstje gegeven van voorbeelden, waaruit zonneklaar bleek dat vroeger de Kerke-dienst niet vrij was door de onbehoorlijke bemoeienissen van de Overheid. Men wilde op het stadhuis of in de Staten alles regelen: prediking, gebed, gezang. Sacramentsbediening; ja, totaal alles!
Dat kwam van die heerlijke bemoeienis van de Overheid met den Kerke-dienst!
Om nog één voorbeeld te noemen: in de dagen van Jan de Wit werd door de Staten van Holland "het gebed voor de Overheid" aan de predikanten voorgeschreven. De Staten van Holland en West-Friesland gelastten 27 April 1663 het volgende formulier-gebed: »Wij bidden U voor degene, die het U beliefd heeft over ons te stellen, te weten: de Staten van Hollandt ende Westvrieslandt, zijnde onze wettighe hoogste Overheydt; wij bidden U ook voor de Staten van andere vereenichde provinciën hare bondgenooten, voor derzelver gesamentlycke gedeputeerden ter vergadering van de Staten-Generaal ende in den Rade van Staten«. (Ontleend aan »de Vaandrager«, 21 Apnl 1926).
Voor Oranje mocht niet gebeden worden!
Zoo waren de zaken dus juist omgekeerd komen staan dan behoorlijk is. Inplaats dat de Kerk bidt voor de Overheden naar uitwijzen van Gods Woord en de belangen van volk en vaderland voor 's Heeren aangezicht neerlegt in gehoorzaamheid aan Zijn bevelen, ging de Overheid de Kerk voorzeggen, wat zij in het publieke gebed moest brengen, met bedreigingen van straf, indien de predikanten anders deden dan de Overheid gezegd had.
Waar was nu de macht van Christus in de prediking, in het gebed, in de Sacramentsbediening, in de tuchtoefening? Ze was totaal weg, doordat de Kerk zelve in handen van de Overheid ging leggen wat aan de Overheid geenszins toekomt; wat de Kerk deed, omdat zij meer verwachtte van aardsche machten dan van den Almachtige in den hemel; waarbij de Overheid, op macht belust, de heele hand nam, wanneer men haar een vinger toestak!
Bij het beroepingswerk begon het al, evenals bij de benoeming van ouderlingen en diakenen. Dat wilde de Overheid niet aan de Kerk zelve overlaten; daar wilde zij zich o! zoo gaarne mee bemoeien, omdat het dan beter ging tot nut van het algemeen en tot bevestiging van de macht der politieken!
Maar natuurlijk, als het beroepingswerk niet vrij is, dan is straks de Kerke-dienst, met de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten, óók niet vrij. Gelijk, wanneer het benoemen van ambtsdragers onder leiding en toezicht of onder recht van veto der Overheid staat, de regeering der Kerk in beginsel al niet meer vrij is, met overheersching van de aardsche machten over het huis des Heeren.
In 1578 bepaalde men op de Synode van Dordt, dat de beroepen dienaar des Woords aan »de ghereformeerde Overheyt« zou worden voorgesteld, gelijk ook aan de Gemeente. Hier wordt dus de bevoegdheid der Overheid op één lijn gesteld met die der gemeenteleden: zij kan intijds haar klachten bij den Kerkeraad inzenden.
De Synode van 1581, te Middelburg gehouden, bepaalt precies hetzelfde; ook de Synode »te samen beroepen ende ghehouden bij last van Z.-Excellentie, in 's Graven Haghe den 20 Junii Anno 1586«.
De Kerkorde der Nederlandsche Gereformeerde Kerken daar vastgesteld en van dezelfde beginselen uitgaande als die van 1578 en 1581, waarbij dus weer aan de Overheid dezelfde bevoegdheid werd verleend, werd door de Staten van Holland wel provisioneel goedgekeurd, »e c h t e r  o n d e r  V o o r b e h o u d, dat de Overheid omtrent aanstelling en bedanken van kerkelijke dienaren het recht en gebruik voor zich handhaaft«.
Dat gaf moeilijkheden natuurlijk, daar de Overheid dan over de Kerk alles te zeggen kreeg en men heeft getracht in 1591 deze moeilijkheden op te lossen door een bemiddelend voorstel, waarbij de verkiezing van de kerkelijke dienaren kwam aan een College van Gedeputeerden, voor de helft uit den Kerkeraad en voor de andere helft van de Overheid.
Deze aangelegenheid is een strijdpunt gebleven, en zelfs de Synode van 1618, na zooveel tegenkanting van de politieke machten saamgekomen, is er niet in geslaagd de verkiezing van de kerkelijke dienaren geheel naar de beginselen der Heilige Schrift en overeenkomstig de oude acta te regelen; want in Art. 4 van de Dordtsche Kerkorde staat wel, dat de verkiezing geschieden zal door den Kerkeraad, »doch niet zonder goede correspondentie met de Christelijke Overheid«.
Hier is dus jammerlijke afbuiging van den Schriftuurlijken weg, volgens welke de Kerk van Christus geheel vrij moet zijn wat haar ambten en hare regeering aangaat. Steeds hebben de Overheden hierin de Kerk bedreigd en benauwd en het is van kwaad tot erger voortgegaan. De Staten van Holland schreven in 1585 aan den Prins : »Dat in ghene Steden ofte Plecken eenighe Collegien ofte Consistorien sullen werden onderhouden dan met advys, nominatie ende instellinghe van de Staten ofte van de Magistraten«. En de Regenten hielden ook later vol, dat het »recht ende gebruyck nopende het aannemen ende afstellen der Kerckendienaren« bij de Overheid zou blijven!
Men kon niet wennen aan de gedachte, dat de Kerk gansch en al van den Staat onderscheiden is en de vrijheid van de Kerk heeft men door alle tijden heen betwist en aan banden willen leggen.
De Kerk voelde wel in welken weg het moest. De Emdensche Synode van 1571 schreef in Art. 13 zeer juist voor, dat de Dienaren des Woords door den Kerkeraad zouden moeten worden beroepen en in Art 14 werd hetzelfde bepaald ten opzichte van de Ouderlingen en Diakenen. De Dordtsche Synode van 1574 hield aan deze zelfde beginselen vast; ook de Dordtsche Synode van 1578, maar dan komt al, gelijk we hier boven zagen, dat de Overheid naast de gemeenteleden dezelfde rechten van »keur« krijgt ; waarop dan verder volgt dat de Overheid haar souvereine macht uitbreidt over de Kerk van Christus, om haar van haar souverein recht te berooven en zich met de regeling der kerkelijke zaken te gaan bemoeien.
En de Kerk der Vaderen heeft helaas! niet altijd genoegzaam weerstand geboden; ook al mee om stoffelijke oorzaken, om geld en goed, om eer en aanzien, om macht en invloed; waarbij de vrucht ten slotte juist omgekeerd evenredig was aan de verwachting die men — tegen den geest der Heilige Schrift ingaande!—gekoesterd had.
(Wordt voortgezet).

Een Bond van Meisjesvereenigingen.
Met een enkel woord willen wij hier verwijzen naar het ingezonden stuk van den heer Noteboom van Gouderak, in het belang van bovengenoemde zaak in ons Bondsblad geplaatst.
Wij hebben gelukkig nu door heel ons land Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereform. grondslag. Wij laten ons onze jonge mannen zoo maar niet ontrukken! Want onze jongelingen willen over allerlei praten, ze willen over allerlei hooren spreken, ze willen saam onderzoeken wat de Schrift zegt, wat de geschiedenis ons leert aangaande Kerk en Staat en Volk. En dan moeten onze jonge menschen in »eigen« Vereeniging en ook in »eigen« Bond samenkomen. »Onder eigen vaandel«, omdat anderen óók leeren, spreken, lezen, verhandelen, vergaderen, worstelen, strijden — maar onder een ander vaandel, dan óns vaandel is; waarom wij onze jongelingen zóó maar niet aan de anderen overlaten, om ze onder een banier, welke niet de kleuren van Schrift en Belijdenis draagt, saam te vergaderen.
Daarom onze Jongelingsbond, onze Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag.
Daarnaast onze Knapen-Bond. Want de knapen staan in het voorportaal van den jongelingsleeftijd en daar mogen ze niet aan hun lot worden overgelaten. Wie de kinderen, wie de knapen, wie de jongelingen heeft, heeft de toekomst.
Vandaar van alle kanten de jeugdbeweging, de arbeid onder de jeugd, hoewel helaas ! niet altijd overeenkomstig den geest en het beginsel van Gods Woord en onze Gereformeerde Belijdenisschriften.
En nu óók een Bond van Ned. Herv. Meisjes-vereenigingen op Gereformeerden grondslag!
Ook de meisjes hebben een taak en roeping. Zij moeten zich voorbereiden om straks als christelijke vrouwen, ook in het midden van de Ned. Hervormde Kerk met kennis van zaken als Gereformeerde vrouwen, te kunnen optreden.
Als vrouwen. Niet als mannen; neen, als vrouwen, met hun vrouwelijken aard, zooals God de vrouw als v r o u w geschapen heeft. Geenszins dus om man te worden of als man-wijf op te treden. Foei, wat leelijk is dat! Maar ook niet om als »nul« te fungeeren; ook niet om als »weet-niet« en »doe-niet« het bestaan voort te slepen. De dagen zijn zoo gewichtvol en de taak, ook voor de vrouw, voor de christen-vrouw, is zoo mooi, zoo gewichtig, zoo belangrijk, waarom zij geen vreemdeling in Jeruzalem moet zijn, maar wèl onderwezen in de Schriften, in de geschiedenis van volk en Vaderland, niet het minst ook belang stellend in de dingen van Gods Koninkrijk en in de gangen van Gods Kerk in dezen lande.
Daarom hier en daar onze Herv. Meisjesvereenigingen op Gereformeeerden grondslag. Soort zoekt soort; en het bloed kruipt waar 't niet gaan kan. Hervormd is Hervormd en Herv.-Gereformeerd is niet modern of ethisch, maar gereformeerd naar uitwijzen van Schrift en Belijdenis. Meisjesvereenigingen dus waar het mogelijk is. Hervormde Vereenigingen op Gereformeerden grondslag.
En nu er hier en daar van die Herv. Meisjesvereenigingen zijn op Gereformeerden grondslag, en er zeker hier en daar nog zullen kunnen komen als men even aan­ pakt, is óók noodig dat men over de organisatie van een Bond gaat denken.
Laat men daarom eens aandacht geven aan deze zaak en laat men in deze doen, wat de heer Noteboom, door onzen Jongelings-en Knapenbond allen bekend, van Meisjesvereenigingen vraagt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's