De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Wonen in Gods huis. II

13 minuten leestijd

„Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijnen tempel". Psalm 27 vers 4.

Het eerste doel waartoe de dichter begeerde zijn leven lang in het huis des Heeren te mogen wonen, was om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen.
Maar hij laat er nog een tweede op volgen, n.l. om te onderzoeken in Zijnen tempel. Het is den dichter dus niet alleen te doen om te zien, maar ook om te onderzoeken. En iemand die nog wil onderzoeken staat niet op het standpunt, dat hij alles al weet, dat hij alles al begrijpt, dat hij alles al verstaat. Immers als ik alles van iets afweet, dan is onderzoeken overbodig geworden. Maar David wil heel graag bekennen, dat hij alles nog niet weet; hij wil blijven onderzoeken. En als gij nu vraagt wat hij dan wil onderzoeken, dan spreekt 't vanzelf dat hij met het voorwerp van dat onderzoek het oog heeft op de liefelijkheid des Heeren, die hij in het huis des Heeren aanschouwt. Die liefelijkheid is voor hem zóó groot en zóó schoon en zóó rijk, dat hij er niet over uitgedacht komt. De namen en de deugden en de werken Gods zijn voor hem een goudmijn zoo diep, dat hoe dieper hij graaft, hoe meer schatten hij vindt.
Hij wil dus blijven onderzoeken en dat onderzoek moet plaats hebben in Gods tempel. Die tempel was in letterlijken zin natuurlijk ook weer het heiligdom op Zion. Maar dat heiligdom op Zion was een afschaduwing van gansch de Godsopenbaring in natuur en genade. Vandaar dat die tempel dan ook nooit tot één plaats mag worden beperkt en dat wij nooit moeten roepen: des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heere tempel zijn deze. Integendeel, iedere plaats, ieder huis, iedere tent, iedere hut, iedere plek waar God woont en waar Hij Zijn genade verheerlijkt, is een tempel des Heeren tempel zijn deze. Integendeel, plaats hebben, hier door den dichter bedoeld.
Om te onderzoeken in Zijnen tempel. Ja, daar moet het ook ons om te doen zijn als wij behooren tot de woonstede Gods, als we dus huisgenooten Gods zijn geworden. Neen, dan moeten wij niet denken dat wij alles al weten en dat wij er heelemaal al zijn. Dan moeten we niet meenen dat onze dogma's al zoo vervolmaakt zijn, dat zij voor ontwikkeling en ontplooiing niet vatbaar meer zijn. Dan moeten we ons niet inbeelden dat de meening, die wij hebben, de eenig juiste is en dat de termen, die wij gebruiken, de eenig bruikbare zijn. Het is noodig dat we blijven onderzoeken, dat wij steeds dieper blijven graven in die goudmijn van Gods heilig wezen, van Gods souvereine genade, van Gods eeuwige liefde en van Gods onkreukbare trouw. En dat onderzoeken hebben ook wij dan te doen in Zijnen, tempel. Zeker, dat is ook voor ons in de eerste plaats weer de Kerk, waar Gods Woord wordt gepredikt en de Sacramenten bediend, maar verder, dan is die tempel ook voor ons iedere plaats, waar God zich openbaart in Zijn onbegrensde almacht, in Zijn onschendbaar recht en in Zijn oneindige gunst.
O, als we door Gods genade in het huis des Heeren mogen wonen, laat dan ons Sabbatsleven niet een lui leven zijn, maar laat het ook ons dan te doen zijn om te onderzoeken in Zijnen tempel, en mocht het dan met Paulus onze belijdenis wezen: niet dat ik het alreede gegrepen heb of alreede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Waarin bestaat het wonen in Gods huis? Waartoe leidt het wonen in Gods huis? Maar de derde vraag die nog op een antwoord wacht is déze: waardoor wordt het verkregen; m.a.w. hoe kom ik er aan?
En op die vraag vinden we het antwoord in het begin van ons tekstwoord: één ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken.
Eén ding. Dat wil natuurlijk zeggen dat dat ééne voor David het voornaamste was, dat die begeerte om al de dagen zijns levens in Gods huis te mogen wonen alle andere begeerten van zijn leven verre overtrof. Zeker, behalve deze had David natuurlijk nog wel meer begeerten, gelijk ieder die God vreest telkens weer behoefte heeft om al zijn begeerten door bidden en smeeken, met dankzegging bekend te maken bij God. O, wat zijn er niet een nooden, die ieder kind Gods gedurig weer heeft op te dragen aan zijn Vader, die in de hemelen is. De dichter van Psalm 20 sprak dan ook den wensch uit: de Heere vervulle al uwe begeerten.
Maar van al die begeerten is er één die als 't ware predomineert, die alle anderen beheerscht, waartoe eigenlijk al de anderen herleid kunnen worden. En die ééne was voor David het onafgebroken wonen in Gods huis, het nabij wezen bij God, het oefenen van gemeenschap met God.
Dat was voor hem het centrum van alles, het middelpunt van zijn leven. Zonder dat had dat leven geen waarde, maar met dat ééne bleek het ook van de grootste waarde te zijn.
Dat ééne nu had hij begeerd. En deze begeerte valt niet onder het 10de gebod. O, we weten, niet waar, dat de Heere daar alle begeerten verbiedt. Maar deze begeerte wordt door God nergens verboden. Integendeel, hier zegt de Heere Zelf, begeer wat Ik u doen, begeer wat Ik u geven zal.
De dichter zegt er dan ook nadrukkelijk bij: dat ééne ding had hij van den Heere begeerd. Ach, wie kon het hem ook anders geven dan de Heere alléén? Zelf kon hij die begeerte niet vervullen. De menschen konden hem dat ééne niet doen erlangen. De toegang tot het huis des Heeren kon hem alleen door den Heere Zelf worden verleend. Niet waar, wie kan in het natuurlijk leven toegang tot zijn woning verleenen, dan hij, die er de tijdelijke of definitieve bezitter van is? Welnu, zoo is er niemand die ons toegang tot het huis des Heeren kan verleenen dan die groote Eigenaar, die er alleen den sleutel van heeft. Hij sluit, wie zal dan openen? Maar ook Hij opent, wie zal dan sluiten?
De dichter was met zijn begeerte dus aan het rechte kantoor. Het ééne ding, dat voor hem allesbeheerschend was, had hij van den Heere begeerd.
Maar hij had het niet alleen begeerd, hij zou het ook bIijven zoeken. Had hij het dan nog niet verkregen? Wel zeker, we behoeven er niet aan te twijfelen, toen hij ons tekstvers dichtte, was David reeds een huisgenoot Gods, woonde hij reeds in het huis des Heeren, en had hij reeds veel van de liefelijkheid des Heeren aanschouwd. Maar toch bleef hij er naar zoeken. Immers het was de begeerte van den dichter om al de dagen in het huis des Heeren te mogen wonen. En nu wist David, hoeveel vijanden er waren om hem weer uit het huis des Heeren te verdrijven. Daar waren allerlei machten die het er op toelegden om weer een scheiding te brengen tusschen hem en zijn God, daar waren allerlei invloeden die den band der gemeenschap dreigden te verslappen, en als het mogelijk was, zelfs te verbreken. En nu besefte David, dat hij daarvoor op zijn hoede moest zijn, dat hij daartegen waken, dat hij daartegen bidden, dat hij daartegen strijden moest. En vandaar dat hij nu zegt: dat zal ik zoeken. M.a.w. het was niet slechts de grondbegeerte van zijn hart om een huisgenoot Gods te worden, maar het zal ook de diepste behoefte van zijn leven blijven om met den Heere in gemeenschap te staan.
Mijn hart zegt mij, o Heer, van Uwentwege
Zoek door gebeên met ernst mijn aangezicht
Dat wil, dat zal ik doen, ik zoek den zegen
Alléén bij U, o bron van troost en licht.
Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken. Dat was de belijdenis van David en daarin vonden we den weg geteekend, waarlangs hij er toe kwam. Maar zou dat nog niet altoos de weg zijn om er toe te komen, de weg dus ook voor u en voor mij, en in het bijzonder voor degenen, voor wie deze ure een ure van belijdenis is?
Eén ding. Ja, dat zal het wonen in Gods huis ook voor ons moeten wezen, het hoogste, het beste, het voornaamste, het rijkste, het zaligste van ons leven, tenslotte het éénige waar het in gansch ons leven om gaat. O, bij zoovelen is dat niet het geval. Bij zoovelen is het wonen in het huis des Heeren nog niet het groote middelpunt van hun leven geworden. Zij hebben allerlei dingen die zij begeeren. Zij hebben allerlei wereldsche begeerlijkheden die zij najagen en het wonen in Gods huis schijnt hun, vooral in de dagen hunner jeugd, alles behalve begeerlijk toe. Later, meenen zij, dan zal die tijd wel eens komen om te zien welke liefelijkheden er in den dienst des Heeren zijn. Eerst willen zij de liefelijkheden dezer wereld genieten, eerst willen zij onderzoeken in dien tempel, waar 't schepsel geëerd en gediend wordt boven den Schepper.
Arme mensch, als dat ééne ding u ontbreekt, als dat ééne noodige u zal blijven ontbreken, als het u nog zal ontbreken wanneer de poort van dood en eeuwigheid zich voor u openen zal. Bedenk dan, als 't huis des Heeren hier beneden voor u gesloten is gebleven, dat het dan ook hierboven voor u gesloten zal zijn, en dat zelfs op uw herhaald kloppen niet anders dan een: "Ik ken u niet" door u vernomen zal worden.
En daarom gelukkig als het ééne ding van onzen tekst ook voor u het ééne noodige is; als het dus ook u bovenal om dat eene te doen is; als gij desnoods alles wel zoudt willen missen, als dat eene u maar geschonken mocht worden, als ook uw leven maar een leven uit en door en met en tot den Heere mocht zijn. Is dat waarlijk de begeerte van uw leven geworden? Dan is dit de weg, dat gij die begeerte aan den Heere kenbaar maakt, dat gij het voor Hem belijdt: Heere, de diepste behoefte van mijn ziel, die door de zonde zoo ver van U af is, is om met U weer verzoend, om met U weer vereenigd te worden, om met U weer gemeenschap te hebben, en om in die gemeenschap weer te vinden leven en vrede, rust en blijdschap, troost en zaligheid. Heere, ik gevoel dat ik U mis, maar ik gevoel ook dat ik U niet kan missen en daarom doe mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan. Ziet, als die begeerte door u niet aan de nienschen — want zij hebben de sleutels niet van Gods woonstede, zij kunnen u er dus niet in laten en ook niet buiten houden — maar aan den Heere Zelf mag worden kenbaar gemaakt, dan hebt ge te doen met een God, die de deuren van Zijn huis bij dagen en bij nachten wagenwijd open heeft staan. Als het er u dus om te doen is om liever een dorpelwachter in het huis des Heeren te zijn, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid, dan heeft de Heere ook u de deur niet gewezen. Integendeel, dan blijft gij zoeken, maar terwijl gij zoekt hebt ge toch ook al gevonden.
Of kent gij dan niet iets van dat zitten aan de voeten des Heeren, van dat drinken van het water des levens uit de fontein des heus? Hebt gij dan nooit iets gezien van die liefelijkheid van de schatten van Gods genade, die daar in Christus zijn?
Ja, als gij waarlijk tot de huisgenooten Gods moogt behooren, dan kent ge iets van dat offer, eenmaal ook voor uw zonde geslacht; dan kent gij iets van dat bloed, dat van alle zonden reinigt; dan kent gij iets van dat brood des levens, dat uit den hemel is nedergedaald; dan kent gij iets van dat licht des Geestes, waarbij gij uw weg door dit leven bewandelt; dan kent gij iets van het reukwerk der gebeden, dat den Heere welbehagelijk is; ja, dan weet ge, dat achter de lichtende wolk het binnenste heiligdom is, waar de Hoogepriester der toekomende goederen ook voor u een plaats heeft bereid. En hoe meer gij nu onderzoekt, hoe meer liefelijkheid en hoe meer heerlijkheid en hoe meer zaligheid gij in al deze schatten van het huis des Heeren zult zien. Totdat straks al de dagen uws levens hier op aarde voleind zullen zijn. Dan eerst zal er aan al uw zoeken, aan al uw strijden, aan al uw worstelen een eind zijn gekomen. Dan eerst zal uw ziel zich mogen verlustigen in de verzadiging der vreugde die daar bij Gods aangezicht is, in de liefelijkheden die in het huis des Vaders hierboven in de rechterhand des Heeren eeuwiglijk zijn.
En ja, daar zult gij zingen, zooals ge hier op aarde nooit hebt kunnen zingen:
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot
Nabij te wezen bij mijn God.
'k Vertrouw op Hem, geheel en al
Den Heer',
Wiens werk ik roemen zal.
V.                                                                                   J.

RECTIFICATIE.

In een der eerste zinnen van de Meditatie van het nummer van de vorige week sloop een storende drukfout in. Er staat: In Gods huis wonen. Dat is in de zaligheid, in de onmiddellijke nabijheid des Heeren te zijn.
Dit moet zijn: In Gods huis wonen. Dat is in de g e m e e n s c h a p, in de onmiddellijke nabijheid des Heeren te zijn.

Het wonen in Gods Huis.

Psalm 27 vers 3 en 4.
O, Gij Heer', van alle Heeren,
Laat ons in Uw Huis verkeeren,
Van ons leven elken dag;
Doe ons in die Godsgebouwen
Toch Uw lieflijkheên aanschouwen,
Die men nergens schooner zag.

't Zij of word ons hoogst verlangen,
't Eéne noodige t' ontvangen
En te zoeken telkens weer.
U te dienen, U te loven
Die in liefd' en gunst van boven
Op ons neerzag, U ter eer.

Ware 't immer ons begeeren
In Uw Tente te verkeeren,
Voor Uw aanschijn, onze God.
In Uw Tempel vroeg en spade
Te doorzoeken Uw genade,
Want dat is een heilrijk lot.

Liever in mijn Bonds-Gods woning
Door dien allerhoogsten Koning
Tot een dorpelwacht gesteld,
Dan voor lange te verkeeren
Bij hen, die Zijn Naam onteeren
Door hun werken van geweld.

Liever in het Huis des Heeren,
Om van Hem Zijn Woord te leeren,
Aan de laagste plaats gewend;
Aan Zijn voeten neer te knielen,
Dan te wennen onze zielen
Aan der goddeloozen tent.

O, Gij God, Gij bron des Levens,
Gij, ons Schild en Zonne tevens,
Geef ons kracht tot elken strijd;
Geef ons troost in nood en smarte,
Sta ons bij, en houdt ons harte
Steeds aan Uwen dienst gewijd !

W. C. v. N.-A. v. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's