De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

6 minuten leestijd

1 Timotheüs. Dat de ouderlingen die wel regeeren dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in woord en leer. 1 Timoth. 5 vers 17.

63
Arbeiden in woord en leer. Over ouderlingen handelt de apostel, ouderlingen die getrouw zijn in hun roeping, zijn dubbele eer waardig. In het bijzonder zij die arbeiden in woord en leer. Ons formulier voor de bevestiging van predikanten spreekt ook van deze twee soorten van ouderlingen. De leeraars zijn dus ouderlingen, die eene bijzondere gave en eene bijzondere roeping hebben, n.l. te arbeiden in Woord en leer.
Een moeilijk en toch ook heerlijk werk. Het woord »arbeiden«, vooral hetgeen wij in het oorspronkelijke daarvoor lezen, duidt op een moeizaam werk, op het inspannen van onze krachten. Een gedachte die nog versterkt wordt als wij in het volgende vers lezen van een dorschenden os en een ar­beider. Dit alles doet ons denken aan den moeitevollen geestelijken arbeid, dien de Heere aan de predikers van het Evangelie heeft opgelegd.
Wat maakt dan hun werk zoo moeilijk? Hebt gij »Oostloorn« gelezen? Daar inkomt een »doleerende« dominee Senserff voor. Deze gevoelde zich zeer ongelukkig na een gesprek in den trein met een ongeloovige. Ge zoudt verwachten dat hij zich zeer voldaan moest gevoelen, nadat hij zoo overwinnend met het Evangelie gestreden had en hij dien spotter zoo uitnemend terecht had gewezen. En toch, hij achtte zich ook nu weer een treurige overwinnaar, wien het niet gelukt was om de liefde Gods zoo te laten schitteren uit zijn woorden, dat zij aannemelijk was gaan schijnen voor den ander. »Daar hebt gij het alweer«, zoo prevelde hij in zichzelven, »zal ik nu nooit eens leeren om zacht te spreken met de verdwaalden? Ik heb de zondaars niet lief, lief genoeg; ik zal nooit een goed dominee worden; en ik ben het nu al acht jaar — Ja, zoo is het. 'k Meen dat wij hiernaast moeten zeggen het woord van Paulus uit het hoofdstuk der liefde: »want wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele. Zeker, alleen door de werking van den Heiligen Geest zal een dwalende wederkeeren, maar niemand vergete dat de Heere den mensch als een redelijk wezen beschouwt en behandelt. En daarom heeft een leeraar de gewichtige taak de gedachten des Geestes zoo zuiver mogelijk te vertolken, opdat hij spreke de woorden Gods. Dat wil niet zeggen een reeks van teksten uit te spreken, al doet men het ook met veel klem en met den nadruk bijna op elk woord. Maar het gaat er om, de onmetelijke hei­ligheid en de onuitsprekelijk-groote liefde van God voor te stellen, om in die voorstelling het Evangelie van Jezus Christus zóó te prediken, alsof de redding van een zon­daar, de bemoediging van verslagenen en de opbouwing in het geloof van die prediking afhangt. Waarlijk, dit is een uitermate moeilijk werk! En een ieder die hierover gemakkelijk gezind is, verstaat er niets van. Ach hoe ver blijft elke dominee verwijderd van het ideaal dat hij zich als dominee voorstelt. Indien hij nauw met zijn roeping leeft zal hij zich vaak ongelukkig gevoelen, zoals die Ds. Senserff deed. Hij weet dat hij van de zuivere vertolking van de groote gedachten Gods ver verwijderd bleef, ook al prezen de menschen zijn preek.
Weet ge wat zulk een »ongelukkige« dominee zoo bezwaart? De vraag: was in mijn prediking de liefdevolle noodiging des Heeren tot bekeering wel krachtig genoeg? Heb ik bij dat handelen over het werk des Geestes de schuld van den zondaar wel zuiver doen uitkomen, al heb ik de woorden van schuld wel uitgesproken? Heb ik de heiligheid van God, maar ook Zijn groote liefde in onzen Heere Jezus Christus wel op het heerlijkst doen schitteren? Heb ik wel genoeg den indruk gewekt dat het op zich zelf zoo schoon is den Heere te dienen? Geloof mij, deze en dergelijke vragen kunnen hem zóó verlegen maken, hem zich zóó arm doen gevoelen, dat hij zich wel zou willen terugtrekken in de eenzaamheid met de bede: »Heere, vergeef mij mijn gebrekkig werk en zegen Gij, God der eeuwige Waarheid, mijn nietig pogen om Uwe grootheid te melden«.
Zulk een leeraar kent den moeizamen geestelijken arbeid, hem opgelegd. Hij verleert het ook wel den lof der menschen te zoeken. Die lof komt hem zoo nietig voor. Zij moesten maar eens weten, zegt hij bij zichzelf, hoe al ons kennen en spreken ten deele is. Hij leert ook hoe langer hoe meer te bidden: Sterk mijn zwakke krachten, opdat ik een Evangelie- prediker mag zijn onder Uw gunst!
Goed prediken is ontzettend moeilijk. De gemeente moest eer bidden voor haar leeraars dan hen prijzen. Het is een arbeiden in woord en leer. Deze laatste woorden bevatten eene onderscheiding. Zij willen niet precies hetzelfde zeggen. De prediking van het Evangelie moet hen beide bezitten, soms méér van het eene, soms méér van het andere, maar nimmer mogen zij gemist, 'k Woonde wel eens een open-lucht-samenkomst van het Leger des Heils bij. Het was opvallend hoe de een na den ander met groote vrijmoedigheid getuigde van eigen verzekerdheid des geloofs en de overgave des harten aan den Heere Jezus. Gij zoudt zeggen: het is alles vol tintelend leven! En toch werd de minste uiteenzetting der geloofswaarheid gemist, van de wedergeboorte en de bekeering, van zonde en schuld, van rechtvaardigmaking en heiligmaking, van het verlossingswerk van onzen Heiland, Wiens Naam zoo vaak genoemd werd. Ik dacht: het is hier wél een arbeiden in woord, maar niet in leer en dan is het eerste niet wat het moet zijn. Gij zoudt ook een prediking kunnen beluisteren die van het begin tot het eind uiteenzetting der heilswaarheid is en daarvan zoudt ge zeggen: het is hier wel een arbeiden in leer, maar het levende Woord Gods spreekt er niet uit, en daarom is ook het eerste niet in orde.
De prediker van het Evangelie moet de levende sprake Gods verkondigen, die gedragen wordt door de juiste uiteenzetting van wat de Heere over Zijn heil openbaarde. Zoo moet hij werkzaam zijn in de godsdienstoefening en in de leerkamer, bij huis-en ziekenbezoek, bij huwelijksbevestiging en in het sterfhuis. Een moeilijke geestelijke arbeid. Een arbeiden in woord en leer. Maar zulke arbeiders zijn dan ook in het bijzonder dubbele eer waardig. Zij hebben toch ook een heerlijk werk. Een werk waardoor de Naam des Heeren groot gemaakt wordt en waardoor verlorenen worden behouden en bedroefden vertroost en Christus' gemeente wordt opgebouwd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's