De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis: De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XXVI.
De Kerke-dienst, dat is de huishouding der Kerk, in haar ambten, haar prediking, sacramentsbediening en oefening der tucht, moet vrij zijn in het kader en de sfeer van Christus' wetten en ordinantiën, zooals de visch vrijheid ontving in het water te leven en de vogel in de lucht. God is de groote Doelsteller, Die alles in de schepping een doel gaf en ook voor dat doel alles inrichtte (denk aan het teleologisch bewijs voor 't bestaan van God) en voor dat doel aan alles eigen wetten gaf. En de Heere heeft daarbij bizondere zorge besteed aan Zijn Kerk, aan Zijn gemeente van alle plaatsen en alle tijden, willende dat zij als de planting van Zijn hand leven zou naar Zijn Woord, met souvereiniteit in eigen kring; van eigen rechte zijnde.
En nu is er gansch de geschiedenis door geworsteld om een goede verhouding te krijgen tusschen de Overheid en de Kerk, — die met elkaar altijd veel te maken hebben, maar elkander in eigen rechten hebben te erkennen—, in welke worsteling óf de Kerk haar macht te buiten ging en heerschte over den Staat (Kerkstaat), óf de Staat (de Overheid) heerschte over de Kerk (Staatskerk). Het ideaal: de Kerk van Christus naar Gods Woord in vrijheid levend In het midden van het volk — is sinds de Reformatie (om van andere tijden niet te spreken) nooit bereikt. 't Is altijd geweest, sinds de Hervorming, een overheersching van de Overheid in kerkelijke zaken.
In de prediking was de Kerk dikwijls niet vrij. In het beroepingswerk waren de Kerken gebonden aan de Overheid. Bij de Sacramentsbediening schreef de Overheid regelen voor en vaardigde plakkaten uit; in tuchtzaken gaf de Overheid bevelen en liet haar veto hooren. En zoo was, men nooit en nergens vrij, maar was de Kerk aan handen en voeten gebonden. Dat was de practijk van de mooie leuze: „de vorsten de voedsterheeren der Kerk".
Natuurlijk hebben de vorsten, de overheden, de koningen — de Overheden een taak en een roeping ten opzichte van een zoo groot en kostelijk stuk van Gods werk als de Kerk des Heeren is op aarde. Wee de Overheden die daar onverschillig voor zijn; want die zijn onverschillig voor God en voor Christus. En die daar onverschillig voor zijn rekenen niet met Gods Woord. En die met Gods Woord niet rekenen dwalen en zondigen; ook zijn ze dan niet ten zegen voor land en volk, maar tot een vloek.
Maar de liefde en de belangstelling van de Overheid voor de Kerk zal niet hierin moeten uitkomen, dat de Overheid gaat doen wat het werk, de roeping, de taak der Kerk zelve is. En dat zulks is geschied bewijst de geschiedenis helaas! voortdurend, waar we het geschiedenisboek ook maar opslaan. Men kon blijkbaar maar niet begrijpen, dat de Kerk een gemeenschap is, gansch en al van den Staat onderscheiden, zijnde een lichaam van eigen rechte, met souvereiniteit in eigen kring, naar de ordeningen van Christus.
De kwestie van de „geestelijke" goederen is hier altijd van groot belang geweest.
Men weet wat met de „geestelijke" goederen bedoeld wordt? Dat zijn volstrekt geen „geestelijke" goederen rakende de waarheden van het geestelijk leven; maar de bezittingen en de gelden, de goederen en de stichtingen die er waren met de bestemming, dat ze in het belang van de geestelijke dingen, dus in het belang van de Kerk en wat daarmee samenhangt, gebruikt zouden worden. Gelden en goederen dus, landerijen en huizen, fondsen en legaten die „ad pios usus", voor vroom gebruik bestemd waren; kerke-en kosterijgoederen, pastoralia enz., enz.
Die goederen waren er veelal in de dagen toen de Hervorming de Geref. Kerken hier te lande tot openbaring bracht. Uit de Roomsche periode waren die „geestelijke" goederen. Van kerken en kloosters en stichtingen, van pastorie of kosterie — een heele verzameling van geld en goed, wat dikwijls niet bepaald aan een kerk behoorde, maar een eigen stichting was, een eigen fonds en eigen kapitaal, bestemd voor „geestelijke" (Roomsche) doeleinden; „ad pios usus": voor vroom gebruik gegeven en bewaard.
Dat geld en goed was dikwijls door allerlei menschen, die er den hemel mee dachten te verdienen of die de (Roomsche) Kerk een goed hart toedroegen of veel voor de monniken en nonnen voelden, geschonken en dus door giften, legaten, schenkingen enz. enz. bijeengebracht, staande onder afzonderlijke beheerders.
Toen de Reformatie kwam en de Gereformeerde religie hier een voorname (de voornaamste) plaats kwam innemen, kwamen die „geestelijke" (Roomsche) goederen veel al zonder bestemming. Kloosters verdwenen, kerken veranderden — en er was geen bezitter, geen eigenaar dikwijls van die „geestelijke" goederen, die een reusachtig bezit vormden en van buitengewoon hooge waarde waren.
Men heeft die goederen toen niet ter plaatse aan de Geref. Kerk gegeven — 't welk onder de nieuwe omstandigheden misschien de beste bestemming voor dat geld zou zijn geweest; maar de Overheid, de gewestelijke en de plaatselijke Overheid, heeft zich veelszins met die gelden en goederen ingelaten, om ze te beheeren en te besturen; en omdat de Geref. Kerk niet zelden daarvan dan veel of weinig inkomsten trok werd er op die manier een band gelegd tusschen Staat en Kerk, tusschen de plaatselijke kerken en de gewestelijke en de plaatselijke Overheid, welke dikwijls aan de Regeering niet weinig overwicht bracht in kerkelijke aangelegenheden, waarbij de kerk helaas! graag heel zoet was en zich heel onderdanig toonde, omdat het dan voor haar niet onvoordeelig was!
Die „geestelijke" goederen zijn een ramp voor de kerk geworden; ze hebben de Overheid tot allerlei ongeoorloofde practijken gebracht en ze werken als een kanker in het midden van de Kerk des Heeren, die, hervormd naar het Woord Gods door de werking des H. Geestes, toch waarlijk wel andere schatten heeft leeren kennen, dan die "geestelijke" goederen uit den Roomschen tijd!
Er zijn menschen die hier bij voorkeur spreken van „de rechten" der Kerk, vergetende, dat er andere en hoogere rechten zijn dan die „geestelijke"(?) goederen. En intusschen blijft deze zaak een eeuwige juridische kwestie, als de Kerk zelve niet zoó „geestelijk" wordt, dat zij deze „geestelijke" goederen loslaat of in een aannemelijke schikking treedt, waarbij sommige allersplinterigste juridische kwesties eenvoudig door de Kerk cadeau worden gegeven!
Die "geestelijke" goederen hebben de Overheid dikwijls veel te veel gebracht op het terrein van de Kerk. Want de Kerk meende, dat de predikanten voor een grooter of kleiner deel uit die „geestelijke" goederen moesten onderhouden worden (daarvoor waren die „geestelijke" goederen uit den Roomschen tijd gegeven, zei men); ook beweerde men op onderscheidene Synoden, dat oude en gebrekkige Dienaren des Woords en weduwen en weezen van predikanten daaruit geheel of gedeeltelijk moesten worden verzorgd. (De Haagsche Acta van 1568; art. 22).
Men wist natuurlijk wel beter. Men wist héél goed, dat de Kerk van Christus, onder haar verheerlijkt Hoofd in den hemel, hier zelve een taak en roeping heeft en houdt. Zoo staat in de W e z e l s c h e Artikelen van 1568, Hoofdstuk V, dat handelt over de Diakenen, art. 12: „Voorts zal het ook noodig zijn, behalve deze Diakenen nog andere goede mannen, die van een beproefd geloof en levenswandel zijn, met voorzichtige keuze bijeen te zoeken, die de bezoldigingen der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den Dienst (des Woords) noodig zal zijn, verzamelen zullen"; terwijl in art. 13 dan nader nog wordt gezegd: „ dat de zorg voor de Dienaren afgescheiden worde van de zorg voor de overige dingen". In de Acta van de Synode van Embden, gehouden in het jaar 1571, lezen we: „Soo daer eenighe Kercke soo arm ende behoeftigh ware, dat sy den Dienaer wekken sy beroept niet onderhouden en conde, soo sal de Classe sulcx yersorghen: ende sullen vooreerst sommighe naebuerighe Kercken t' samen gevoeght moghen werden'''.
Men wist dus wel, dat de zorg voor het onderhoud van de Dienaren des Woords bij de Kerkzelve behoort; en wanneer één gemeente een predikant niet kon onderhouden, moesten maar twee of meer gemeenten worden gecombineerd; of anders moest men met „hulpdienst" tevreden zijn (art. 40 Acta Synode te Embden).
Maar dat er veel te klagen was in deze blijkt o.a. uit de Acta van de Dordtsche Synode van 1574, waarin staat vermeld dat het in de Classis van Voorne, Putten en Overflakkee („gelijck wij vermoeden dattet oock op veel andere plaetsen generalick geschiet") heel droevig was gesteld.
Daar staat „ dat die Dienaers der Kercken qualick onderhouden synde in grooten armoede leven, haer weduwen ende kinderen nae hen overlijden desolatelick blijven sitten. Wij sien dat die vrome Dienaers in peryckel staen om met schande uit haren dienst gestooten ofte andersints uitgehongert te werden, soe datse van noodtswegen moeten verloopen ende den huyrlingen ende buyckerts plaetse even. Dat men oock veel Kercken daer den dienst des Woordts noodich is woest vindt leggen, waer door alle vervremdinge van Godsdyenst, godloosicheyt ende vleyschelicke wulpsheyt is wassende. Dat de omleggende Kercken malcanderen gheen hulp int besorgen des Kerckelicken dyenstes en connen bewysen." Voorwaar geen mooie schilderij dat hier opgehangen wordt!
En dat hier ook de kwestie van de "geestelijke" (?) goederen achter zat, bewijst wat er in de Acta onmiddellijk volgt: „Welcke dyngen alle te samen uit dese fonteyne spruten dat men de voedinge der Predicanten soecken moet bij denghenen die vianden Gods ende syns Woordts syn, Libertinen, Hoereerders ende Dronckaerts syn".
Menschen die totaal onverschillig waren fungeerden als beheerders van die „geestelijke" goederen; rechten van ambachtsheeren, rentmeesters, collators enz. enz. waren in 't geding; wat alles maakte, dat de kerken onvrij waren in hare bewegingen en de verzorging der predikanten, emeriti, weduwen en weezen veelszins allerongelukkigst was. En het oog was niet zelden op de Overheden, op de Staten, verwachtende, dat die de Kerk in deze te hulpe zouden komen. Dat blijkt o.a. uit de Acta van de Synode van Middelburg 1581, waar de vraag van Overijsel werd behandeld: Of het niet goed zou zijn bij de Generale Staten aan te houden, dat de geestelijke goederen in een bijzonder rentmeesterschap gebracht en „ad usus ecclesiasticos" (voor kerkelijk gebruik) behouden worden n.l. tot onderhoud der Dienaren des Woords, kosters, kerkenlasten, scholen, studenten, armen, weduwen en weezen en andere behoeftige personen.
De gelden die er waren werden dus dikwijls niet gebruikt voor het doel, waartoe ze heetten gegeven te zijn n.l. tot „vroom gebruik" en de vraag om die goederen onder een bizondere administratie te stellen, bevestigt de klachten over het beheer, dat vaak in handen was van menschen, die "vianden ende spotters" werden geacht van predikanten en religie.
Tengevolge van het wanbeheer door kerkmeesters en officieren (d.w.z. overheidsambtenaren) kwamen kerken, pastorieën en schoolgebouwen in verval en werden niet zelden misbruikt tot „perdestallen, soldaten ende vagabunden logisen".
In deze is ook een request gezonden aan den Prins en den heer Marnix van St. Aldegonde om de geestelijke goederen tot het rechte gebruik te brengen. (Zie Mr. L. J. van Apeldoorn: De flnanciëele verhouding tusschen Kerk en Staat. Den Haag 1919; en Dr. J. Severijn: Kerk en Staat. Maassluis 1923, blz. 66, 67 enz.).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's