De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

12 minuten leestijd

Het Calvinisme (14)
Laat de aarde niet de grootste van de planeten zijn, toch heeft de souvereine God het heelal zóó gemaakt, dat de aarde in het middelpunt staat van het werk Gods. Er staat niet, dat de Heere menschen schiep op de zon, noch op de maan, maar wel op de aarde, en door de menschen is de aarde in het centrum van het heelal komen staan, voor welke aarde de Almachtige God ook Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, Die op deze aarde heeft gewandeld, hier is gestorven en opgestaan, om uit het menschen geslacht Gode een volk toe te bereiden, dat de Heere eeuwig dienen en loven zal.
ZOO is en blijft het wereldbeeld voor den christen, dat de aarde in het centraal punt staat van het heelal, niet door de grootheid van de aarde, maar naar het beschikkingsrecht van den souvereinen God. En op die aarde, waar de Heere het menschengeslacht schiep en sinds bewaarde, vergadert de Heere Zijn Kerk; om straks een nieuwen hemel en een nieuwe aarde te geven waarop gerechtigheid wonen zal en waar Sion zich zal verblijden met eeuwige heerlijkheid.
Hier op aarde valt dan ook de geschiedenis van Christus' Kerk. 't Begint bij Adam en Eva, gaat dan door den patriarchalen tijd heen, om zich voort te zetten in het midden van Israels volksbestaan, maar niet om zoo te b lij v e n, doch om uit die verschijningsvormen te verdwijnen en over te gaan in de universalistische Kerk van Christus, die vergaderd wordt door "het eeuwig Evangelie" uit degenen die op de aarde wonen, van wat natie en geslacht en taal en volk ook zijnde. (Openb. 14 vers 6) Uit de beperkende, nationale omstrengeling moest de Kerk des Heeren uit, om in de volheid des tijds tot een anderen en beteren staat (lees den brief aan d e H e b r e ë n !) over te gaan.
Die tijd is nu gekomen; en de vorige tijden zijn voorbij, voorgoed voorbij, echter niet tot ons nadeel, maar tot ons voordeel.
Hier en daar, tot aan de uiterste einden der aarde, komen nu door 's Heeren kracht de kerken op, van plaats tot plaats uitgeplant naar het gemaakt bestek van den hemelschen Bouwheer en Architect.
Zoo spreekt Paulus van de "de Kerken van Galatië" (men weet dat 't Grieksche woord voor de Staten-Vertalers is overgezet door het woord "gemeente", wat eigenlijk "Kerk" beteekent) en zoo lezen we in het Nieuwe Testament overal van "Kerken", zoowel te Jeruzalem als te Antiochië, Efeze, Pergamus, enz. enz.Die "bijzondere Kerken", zooals Calvijn ze noemt (o.a. Inst. IV-1-9) zijn, zooals de groote hervormer het zegt, "voor de Algemeene Kerk, welke eene menigte is van menschen, uit allerlei volken vergaderd, doch in onderscheidene plaatsen verspreid is", van de grootste beteekenis. Uit die plaatselijke Kerken bestaat de algemeene Kerk en van ouds is in het Gereformeerd Kerkrecht er altijd streng de hand aan gehouden, dat de souvereiniteit in eigen Kerk niet verloren zal gaan. Daarom was een van de eerste fundamenteele beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht: "de eene Kerk zal niet over de andere heerschappij voeren".
In die plaatselijke Kerken ligt de beteekenis, naar de wijze ordinantie van den eeuwigen Koning der Kerk. Daar was natuurlijk vroeger in de dagen der aartsvaders, noch in de dagen van Israels wonen in Kanaan, sprake van. Geenszins! Maar nu onder de Nieuw-Testamentische bedeeling wèl. Nu moeten er van plaats tot plaats ouderlingen, opzieners, herders en leeraars zijn — na het wegvallen van de tijdelijke buitengewone ambten — en van plaats tot plaats moet de Kerk door de ambtsdragers naar Christus' bevel worden geregeerd en bestuurd. Niemand heeft in die plaatselijke Kerken eenige macht dan Christus en Hij oefent Zijn macht op Zijn eigen manier, dat, volgens de openbaring der waarheid in Zijn Woord, in den weg der ambten geschieden moet. Op die plaatselijke Kerk, in den dienst der ambten geïnstitueerd, legt Christus Zijn gezag; en door die plaatselijke Kerk roept Christus, — op plaatselijke wijze conform de beginselen in Gods Woord neergelegd, — de ouderlingen of opzieners, waaronder ook de herders en leeraars, om dan als organen der Kerk het gezag des Konings te oefenen en te handhaven en hoog te houden.
In deze materie is veel verwarring langzamerhand gekomen, ook onder degenen, die zeggen uit de Gereformeerde (Confessioneele) beginselen te willen leven. Door de Luthersche leer van de volkskerk is hier veel bedorven en velen weten in onze dagen in de verste verte niet meer wat "Gereformeerd" is! Men is zoo aan Synodes en aan regelingen van de Overheid gewend geraakt, dat de hooge beteekenis van de Kerken, die van plaats tot plaats, onder de ambten door Christus ingesteld, moeten leven, totaal verloren is gegaan, 't Zijn voor velen hoogstens "kleine brokjes van het geheel", maar zonder zelfstandig bestaan, zonder souvereiniteit in eigen kring. Zoo wordt dan ook de Kerk niet meer opgebouwd uit de plaatselijke Kerken, maar zoo wordt de Kerk een synodaal genootschap, waar de Synode alles beslist en voorschrijft met autoritair gezag, zooals Rome z'n Paus heeft.
De beteekenis van de plaatselijke Kerken hoog te houden, met het bepleiten van de noodzakelijkheid, dat de plaatselijke Kerken zoo goed mogelijk in vereeniging met de andere Kerken hebben te leven, — is hetgeen onze Gereformeerde Vaderen, op het voetspoor van Calvijn en zich aansluitend aan de oudste Kerk-ordeningen, steeds hebben trachten te doen.
Eenerzijds dus de beteekenis van de p I a a t s e l ij k e Kerken — anderzijds de eenigheid in de Kerken van Jezus Christus.
Op de eerste Synode der vrijgemaakte Gereformeerde Kerken, te Embden in 1571, onder voorzitterschap van Caspar van der Heyden gehouden, werd de beteekenis van de plaatselijke Kerken goed gevoeld, maar tegelijk de noodzakelijkheid van de eenheid, waaruit de gebondenheid van de bijzondere Kerken aan de Synodale regeling voortvloeide.
Prof. Rutgers, die breedvoerig schrijft over deze Embdensche Synode — "Versamelinghe der Nederlandtsche Kerken die onder 't Cruys sitten, ende in Duytschlandt ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn", staat er boven de Acta — laat zoowel het een als het ander duidelijk uitkomen in zijn rectorale rede, gehouden den 21 sten October 1889, die handelt over "De geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederiandsche Gereformeerde Kerken" (Amsterdam, J. A. Wormser, 1890).
»Waaraan« — zoo vraagt prof. Rutgers pag. 13 — »waaraan ontleende zij (de Synode van Embden) het recht tot een regelend optreden? Wie of wat gaf haar de bevoegdheid, die zij blijkbaar zelve zich toekende? « »Men moest buiten de grenzen bijeen komen; men moest zelfs bij de voorbereiding zooveel geheimzinnigheid in acht nemen, dat tijd en plaats van te voren bijna aan niemand bekend konden zijn, tenzij dan aan 't zestal vertrouwden, aan wie de bepaling was opgedragen, en voorts natuurlijk aan de leden zelven.(pag. 14).
En toch was men daar te Embden volstrekt niet bijeen, gelijk drie jaren vroeger te Wezel, als een kring van broeders, die slechts voor hunne eigene personen konden spreken en handelen. Er was aan de samenkomst heel wat voorafgegaan. En juist daarin lag de grond van hun recht. »De Embdensche Synode is niet samengekomen, dan nadat alle Kerken van de N e d e r l a n d s c h e n a t i e, die op eenigerlei wijze konden geraadpleegd worden, niet slechts die in Duitschland, maar ook die in Engeland, nier slechts die in de verstrooiing waren, maar ook de Kruiskerken van het Vaderland, alle zonder onderscheid in deze zaak bewilligd hadden en zich tot de vereischte medewerking hadden bereid verklaard«. (pag. 15). »En toen hebben de Nederlandsche Kerken, die in Engeland waren, wel niet kunnen voortgaan, daar zij door de Overheid van dat land tot onthouding gedwongen werden — wat o.a. blijkt uit een brief van den Nederlandschen Kerkeraad te Londen aan de Classis van Walcheren, d.d. Sept. 1574. — Maar al was nu de Synode die samenkwam dientengevolge niet generaal of nationaal, het was dan toch eene »versamelinghe der Nederlantsche Kercken die onder 't Cruys sitten ende in Duytschlandt ende Oost-Vries landt verstroyt zijn«. Alle de Kerken hadden tot haar samenkomen medegewerkt; de personen waaruit zij was samengesteld, waren door de Kerken daartoe afgevaardigd en gemachtigd; en in die personen waren dus de Kerken zelve daar alle bijeen«. (pag. 16). "Dat was het karakter van die vergadering; en nu ligt juist daarin de eenige, maar ook tevens afdoende grond voor de aan haar toegekende bevoegdheid", (pag. 17). »Door al die Kerken was de Nederlandsche Gereformeerde belijdenis aangenomen; de eenigheid in belijdenis was voorafgegaan en dat werd geconstateerd en ook verder gewaarborgd (zie art. 2—5 van de Embdensche Acta). Door al die Kerken was ook reeds aangenomen, wat in die belijdenis op het stuk van Kerkregeering uit Gods Woord was afgeleid. (Zie art. 27 — 32 Ned. Geloofsbelijdenis). En met name was men het dus te Embden eens over deze beginselen: geenerlei regeering, dan die aan Gods Woord gebonden en daarvan afhankelijk is«. (pag. 17 tot 18).
Prof. Rutgers wil dus zeggen, dat het recht van de Synode lag in de bewilliging van al de plaatselijke Kerken, die zich hadden gesteld op den bodem der Schriftuurlijke belijdenis, waarin zoowel het recht van de plaatselijke Kerk als de eenigheid der Kerken orjjsekrsven is. En in de belijdenis lag het recht der Kerken, welke belijdenis was naar het Woord, dat de beginselen der Kerkregeering aangeeft.
De Synode stelde zich dus — aldus prof. Rutgers — "onder de bepaling, dat onder Christus als het eenige Hoofd, alle kerkelijke macht bij de Kerken zelve berust, uitgeoefend door den plaatselijken Kerkeraad en dat alle Dienaren, en dus ook de Kerken waaraan zij verbonden zijn, in macht en gezag met elkander gelijk staan — en dat de geloovigen allen samen leden van de ééne, algemeene Kerk zijn en dus ook geroepen om de éénheid van die Kerk door de daad der vereeniging zooveel mogelijk te doen uitkomen", (pag. 18).
Hier wordt het eene zoowel als het andere ten sterkste dus geponeerd: het recht van de plaatselijke Kerk én de daad der vereeniging in één Kerkverband. Wat prof. Rutgers nader nog omschrijft, door er onmiddellijk op te laten volgen: »Toegepast op de bevoegdheid tot het vaststellen eener Kerkenordening, kan dit ook aldus worden uitgedrukt: dat voor iedere Kerk die bevoegdheid aan den Kerkeraad toekomt; mits binnen de grenzen, die hem door Gods Woord gesteld zijn; en dus óók met de verplichting, om zooveel mogelijk in vereeniging met de andere Kerken daarvan gebruik te maken. Uit die beginselen vloeit dan nu ook rechtstreeks voort, dat dus de Synode van Embden zich op geenerlei wijze eene bevoegdheid heeft aangematigd. Zij had, voor zooveel de Nederlandsche natie betrof, macht tot het maken eener algemeene Kerkenordening, omdat alle Kerken en een iegelijke Kerk hare macht aldaar hadden samengebracht. »Zij was nu voor geen enkele Kerk als 't ware iets vreemds. Metterdaad was zij vastgesteld, juist door hen die in iedere Kerk daartoe de bevoegdheid hadden. De regeling had algemeene geldigheid, juist omdat de Kerken zelve haar voor z i c h z e l v e gemaakt hadden«. »Niet — alsof door deze eerste Kerkenordening nu ééne enkele groote Landskerk was in het leven geroepen, waarin alle plaatselijke Kerken zich als het ware zouden opgelost hebben; waaraan de plaatselijke Kerken hare leden zouden hebben overgedragen en waarover nu de Synode als een algemeen bestuurscollege eene eigene macht zou ontvangen hebben. Want dat zou in volkomen strijd met de beginselen der belijdenis zijn geweest — en met die belijdenis stonden of vielen de Geref. Kerken«. "Ook al zouden alle Kerkeraden samen zulke afwijking hebben aangenomen, dan zou het toch niet geldig zijn geweest, want een Kerkeraad is gebonden aan bepaalde grenzen, welke hij niet mag overschrijden. De Kerkeraad kon, en hij moest zelfs, de Kerk, waarover hij van Christus gesteld is, met andere Kerken in verbinding brengen; maar in geen geval kon en mocht de Kerkeraad aan die plaatselijke Kerk haar bestaan als zoodanig metterdaad ontnemen". "Het was wel inzonderheid daarom (om de plaatselijke Kerken als zoodanig te laten uitkomen op de meerdere vergaderingen), dat men van den aanvang af zoo bizonder aandrong op de tegenwoordigheid van gedeputeerde ouderlingen". "Daaruit verklaart zich, althans ten deele, dat van de meerdere vergaderingen niet de Synoden, maar de Classen de meeste beteekenis hadden, d.i. die vergaderingen, waar de plaatselijke Kerken het meest onmiddelijk tegenwoordig waren. Uit diezelfde overtuiging kwam ook voort, dat in den grondregel van de kerkelijke inrichting, volgens welken de generale Synode over de particuliere hetzelfde zeggen heeft als de particuliere Synode over de Classe en als de Classe over den Kerkeraad — waarbij dan niet werd toegevoegd "en als de Kerkeraad over de gemeente"; want dit laatste zeggenschap (rakende de plaatselijke Kerk) was van gansch anderen aard". (pag. 19, 20, 21).
Op deze beginselen, die zóó diep ingeworteld waren in de 17de eeuw, dat men zich hierop juist beroepen kon in den strijd met de Independenten, moet ook nu weer gewezen worden met allen ernst en bij voortduring, opdat we weer een openbaring van Christus' Kerk in dezen lande mogen verkrijgen, die daar staat als een pilaar en vastigheid der waarheid.
Daarvoor moet de belijdenis weer gaan leven en de plaatselijke Kerken moeten weer als de steunpilaren van het kerkelijk leven hecht en sterk komen staan rondom het Woord in de ambten geïnstitueerd; om ook de éénheid der Kerken in goede orde tot openbaring te brengen; in dezen lande èn daar buiten, zoover de Heere Zijn Kerk te voorschijn heeft geroepen door de prediking van het eeuwig Evangelie, in wat land en onder wat volk ook. (Openb. 14 vers 6).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's