De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

Ons antwoord met een vraag.
In »de Geref. Kerk« komt de Eind-redaceur, dr. Kromsigt te Oostwold, terug op hetgeen wij schreven over de nieuwe Psalmerijming en de verhouding van Kerk en Staat, waarbij we de opmerking maakten, dat ds. Lingbeek c.s. ijveren voor een Overheidstaak inzake de Kerk en het kerkelijk leven, waarvoor wij, gezien de geschiedenis, zeer huiverig zijn. Nu maakt dr. J. Ch. Kromsigt blijkbaar bezwaar tegen de zinsnede in ons artikel: » en wel om nog eens aan te toonen tot wat zotte en dwaze dingen men komt, als de Staat, als de Overheid zich met kerkelijke zaken bemoeit; iets wat men van de zijde van ds. Lingbeek c.s. toch zoo heerlijk vindt«. En dr. Kromsigt vraagt dan: »heeft ds. L. als hij opkomt voor artikel 36, ooit een inmenging van de Overheid in de inwendige kerkelijke aangelegenheden als wenschelijk bepleit? « Dr. K. vermoedt, dat wij ds. Lingbeek c.s. misverstaan. Of eigenlijk, dat we ds. L. c.s. misverstaan willen. En hij vervolgt dan: »'k Geloof, dat er een eerlijke strijd kan zijn onder broederen, die winst brengt«. »Du choc des opinions jaillit la vérité«. Maar wat moet er van ons worden, als wij, christenen, ons schuldig maken aan zoo 'n wijze van elkaar te bestrijden? enz.«
Nu willen wij gaarne hier verklaren, dat in de wijze van bestrijding door ds. Lingbeek voorgestaan ten opzichte van den Gereformeerden Bond wel oorzaak ligt voor zijn verdedigers een weinig voorzichtig te zijn met zedepreeken als: »Maar wat moet er van ons worden enz.« Die Pilatus-grap van ds. Lingbeek heeft algemeen, bij vriend en vijand, walging gewekt. En als hij schrijft, dat de Gereformeerde Bond als zoodanig ziekelijke prediking brengt, dan voelt ieder, dat hier gelasterd wordt.
Dat dus eerst.
Maar dan verder. Zeker »Du choc des opinions enz.< < , door wisseling van gedachten komt de waarheid beter aan het licht. Maar dan moeten het ook gedachten zijn, ordelijk en duidelijk uiteengezet en maar niet los daarheen geworpen zinnen, waarvan men dan alleen ter verdediging kan zeggen: we hebben maar te getuigen — en de practijk laat ons koud. Dat is ons bezwaar legen ds. Lingbeek c.s. als zij voor de bekende zinsnede van artikel 36 ijveren, met scherpe veroordeeling van allen, die het met die zinsnede niet eens zijn, dezulken eenvoudig altijd maar uitscheldend voor »revolutionairen« en menschen, die »geen geloof« hebben.
Dat zijn groote woorden, holle klanken, waaruit geen helder licht te voorschijn komt. Zulks wordt schier door allen ten opzichte van ds. Lingbeek c. s. gevoeld: wind, wind, niets dan wind!
In de Tweede Kamer is het pas nog door mannen van verschillende politieke kleur scherp uitgesproken; heusch niet alleen door Anti Revolutionairen (door ds. Lingbeek maar liefst genoemd A.R. = Andere Roomschen!). Vraag het maar eens aan de heeren Minister de Geer, Z.Exc. dr. de Visser, de heeren Krijger en Tilanus, mr. de Wilde, mr. Heemskerk, prof. Visscher enz. Wij zijn 't heusch niet alleen, die ds. Lingbeek niet begrijpen wat betreft de verhouding van de Overheid tot de Kerk, tot de School, enz.
Wanneer dr. Kromsigt dus vraagt: of wij wellicht ds. L. willen misverstaan, niet willen begrijpen, enz., dan zeggen we hier gaarne van ganscher harte en in alle oprechtheid: wij doen moeite genoeg en wij willen meer moeite nog doen, maar dan moet ds. Lingbeek c.s. nu eindelijk eens gaan zeggen en zóó dat een gewoon, practisch mensch, die midden in het leven staat, begrijpen kan wat zij nu niet en wat zij nu wel bedoelen en willen.
B.v. als ds. Lingbeek een predikantsplaats vraagt voor Amsterdam over het IJ, wat bedoelt hij dan ten opzichte van de verhouding van Staat en Kerk? Is de Kerk geroepen de ambten in te stellen, hare dienaren te beroepen en hare dienaren te bezoldigen, met verzorging van emeriti, weduwen en weezen, ja, of neen? Als de Kerk een dienaar des Woords van de Overheid krijgt, is dat niet een afbuigen van Gods ordinantiën, aan Zijn Kerk gegeven? Als de Overheid aan de Hervormde Kerk een predikantsplaats geeft, moet de Overheid de Hervormde Kerk dan als de publieke, bevoorrechte, heerschende Kerk beschouwen, ja of neen? Moet de Overheid ook voor de Gereformeerde Kerken, ook voor de Lutherschen, ook voor de Remonstranten zorgen en moeten naast een predikantsplaats ook één of twee pastoorsplaatsen komen? Als de Overheid — de stedelijke Overheid — scholen bouwt, moet de Gemeenteraad (met Roomschen, Socialisten, Communisten, Rapaille-partij enz.) dan onderwijzers benoemen en zeggen, dat die onderwijzers moeten bidden en Bijbel-lezen en Bijbelsche geschiedenis vertellen? Komt het er niet op aan hoe men bidt, hoe men Bijbelleest, hoe men vertelt uit den Bijlbel? En als de openbare onderwijzers het niet kunnen, is dan de oplossing gevonden door op Openbare Kweekscholen te l e e r e n Bijbellezen en te l e e r e n om uit den Bijbel te vertellen en te leeren bidden, enz.? Wie zijn de leeraars daar? wie de leerlingen? welke methode moet in deze gevolgd worden ten opzichte van socialisten, ongeloovigen, onverschilligen, spotters, enz. ?
Wij vragen maar. Want we willen zoo gaarne begrijpen, heusch ! Maar we kunnen er niet bij. 't Is ons zoo klaar als koffiedik. En als zulke menschen dan nog willen fungeeren als de ware vromen, die geloof hebben en die voor land en volk het goede zoeken op religieus terrein, terwijl anderen (b.v. degenen die voor christelijke scholen hebben geofferd en geijverd) zoo iets als schijn-vromen zijn, ja, ziet u, dan wordt het ons wel eens te machtig en ja — dan vragen we nu nog eens een keer aan dr. Kromsigt: Kunt gij ons niet eens uit den nood helpen en kunt gij ons niet eens zeggen, wat in deze ds. Lingbeek c.s. niet en wat zij wel willen wat betreft de verhouding van de Overheid tot de Kerk. Wij vermoeden, dat vele »Confessioneelen« ook nog wat kunnen leeren dan; want ook daar is alles nog niet zoo heel duidelijk in deze materie. Voor eenig afdoend antwoord zullen wij en velen met ons héél, héél dankbaar zijn

Regelen voor de Aanslagen van den Raad van Beheer.
In het »Weekblad der Ned. Herv. Kerk« van 25 Maart l.l. is geplaatst een bekendmaking van den Raad van Beheer voor de predikants-tractementen, waarin medegedeeld worden de regelen, die de Raad van Beheer gevolgd heeft bij het vaststellen van de bijdragen der gemeenten aan de Centrale Kas. Wij hebben hier te doen met de practische uitwerking van het Reglement op de Predikantstractementen op een zeer belangrijk punt. Daarom is het voor ieder die met dat Reglement te maken heeft, noodig, van deze publicatie grondig kennis te nemen.
Ter vergemakkelijking daarvan willen deze artikelen dienen, die zich dan ook alleen zullen bezig houden met de vraag, welke de beteekenis van de bekendmaking van den Raad van Beheer voor de p r a c t ij k is.
Allereerst wijzen wij dan op de groote beteekenis van het feit, dat de regelen voor den aanslag zijn gepubliceerd. Dat feit is minstens even belangrijk als de inhoud van die regelen.
Hiermede toch heeft de Raad van Beheer een tot nog toe gevolgde gedragslijn verlaten, die onvoorwaardelijk afkeuring verdiende. De Raad van Beheer was gewoon zijn aanslagen vast te stellen zonder dat de gelegenheid gegeven werd te controleeren of een aanslag overeenkomstig artikel 9 Reglement voor de Predikantstractementen bepaald was naar de draagkracht der gemeente.
Daarvoor is het noodig verschillende gemeenten met elkander te vergelijken en hoogstens werden op gedaan verzoek bekend gemaakt de regelen waarnaar de aanslag in eigen gemeente was vastgesteld. Dat de aanslag naar draagkracht was vastgesteld, moest maar op goed geloof aanvaard worden en er waren verschillende factoren aanwezig, waardoor dat moeilijk werd. Zoo werd een sfeer van wantrouwen geschapen, die aan de uitvoering van het Reglement voor de Predikantstractementen niet ten goede kwam.
De bekendmaking van den Raad van Beheer brengt hier een totale verandering. Artikel 9 van het Reglement voor de Predikantstractementen: »De bijdragen der gemeenten worden bepaald naar hare d r a a g k r a c h t« is nu niet langer eene zwevende gedachte, maar heeft vasten vorm aangenomen en biedt nu een vasten rond.
Inplaats van het overgeleverd zijn aan willekeur, is nu gekomen de gelegenheid om binnen de grenzen van de vastgestelde regels zijn goed recht te verdedigen. En dat wij hiermee werkelijk in een nieuw stadium gekomen zijn, blijkt wel hieruit, dat tot nog toe bij het indienen van bezwaren de eisch was: »Het bezwaarschrift moet met de cijfers en de noodige toelichting aantoonen, dat de gevraagde bijdfage de draagkracht der gemeente te boven gaat«. (Op de achterzijde van het aanslagbiljet, onder 4).
Dat beteekende immers, dat er maar één reden tot herzien van den aanslag was: onvermogen om te betalen. Nu heeft ook een bezwaarschrift recht van bestaan, dat kan aantoonen, dat de gevraagde bijdrage, gelet op de vastgestelde regelen, niet is naar de draagkracht der gemeente. Tot nu toe gaf de Raad van beheer den schijn, alsof hij vroeg, zooveel als hij krijgen kon. Thans wordt metterdaad toegepast het beginsel van artikel 9, dat de bijdragen van een gemeente bepaald worden naar hare draagkracht, d. w. z. naar de verhouding van hare draagkracht tot de draagkracht van de andere gemeenten.
Door de bekendmaking van den Raad van Beheer is dus het recht der gemeenten, vastgelegd in artikel 9, erkend.
Thans gaan we den inhoud van de bekendmaking na. Ook deze vindt zijn grondslag in het genoemde artikel 9: "De bijdragen der gemeenten worden bepaald naar hare draagkracht. Hierbij wordt rekening gehouden met de inkomsten uit de kerkegoederen en pastoriegoederen, en de inkomsten van de leden der gemeente, maar ook met hetgeen de gemeenteleden voor de behoeften van de eigen gemeente moeten opbrengen".
Nu heeft de Raad van Beheer één punt onder zijn regelen opgenomen, dat hier niet genoemd is, namelijk het rekening houden met het zielental zonder meer (punt c). Per lid der gemeente (naar artikel 2 Algemeen Reglement) wordt een bedrag ..... varieert van 1 gulden tot 2, naar gelang van de grootte der gemeente.
Waarom dit hoofdgeld ..... kening opgenomen? Hier vindt ...... de practische gedachte, dat een minimum van iedere gemeente ..... worden; een gedachte, in ons leven niet vreemd. Al is iemand ..... toch doet hij in de kerk een ..... collectezakje. In vele gemeenten ..... deel van den hoofdelijken ..... hoofdgeld. Daar zijn gemeenten ..... der dezen regel geen aanslag hoeven te betalen. Maar elke ..... toch wel iets bijdragen, te ..... een gemeente met weinig draagkracht ..... veel meer terugontvangt, dan .....
Ook is het hoofdgeld een ..... fouten, die aan iedere theorie kleven.
Iets van de moeilijkheden ..... stond, als wij letten op de ..... toren, waarnaar de draagkracht van de gemeente volgens artikel 9 moet worden gesteld. Die factoren zijn zeer ..... van aard.
Men kan in een getal uitdrukken het netto inkomsten van kerkege ..... men kan naar een bepaalde ..... uitdrukken wat door de ..... der gemeente kan bijgedragen; maar wij blijven nog ongelijkheden behouden.
Het eerste bedrag is in ..... voogdij en dat maakt die ..... dan wanneer het geld ..... van de gemeenteleden zit ..... leert, dat desondanks een ..... lijker afgestaan wordt als het van de »levende« draagkracht naar de »doode« draagkracht .....
Daarom is het goed, dat een vastgesteld is, die aangeeft ..... netto-opbrengst ..... deren aan de Centrale ..... moet worden. Deze regel is te v a., waarbij behoort een heffing, de te betalen bedragen ..... blijkt dat bijv. een rijke .... ƒ20.000.— netto inkomen nog behoeft bij te dragen.
De keuze van het gegeven heffingspercentage lijkt ons ..... niet te hoog en voor wie zout ..... het te laag was, merken wij op bedoeling van artikel 9 niet ..... zooveel als er is, maar te ..... drage naar draagkracht; 2e, ..... zit van kerkegoederen ook nog ..... wijze den aanslag verhoogt, automatisch mee gepaard gaat ..... vraagde bedrag volgens ..... ger wordt.
Die punten d. en e. komen .....orde. Ze behooren bij elkander ..... tezamen de factoren leveren, die onderdeel van den aanslag .....
Het gaat hier over de » ..... kracht, de inkomsten der gemeenteleden. Een heffingstabel ..... is opgemaakt, waarin aangegeven ..... bedrag bij een bepaald ..... lijkheid gevraagd kan worden ..... gemeentelid voor kerkelijke doeleinden ..... weer moeilijk uit te maken, .....  hooger of lager zouden moeten ..... hoog lijkt ons de draagkracht ..... vorm niet aangegeven. ..... percentage bij het hoogste inkomen .....niet 13/4%. Wij blijven hier ..... eind van de tienden onder Israël .....
Bovendien eischt de Raad ..... maar een gedeelte van de ..... gen op voor de Centrale Kas. ..... niet anders, want uit die ..... kracht moet voor de meeste ge ..... voortkomen het geld, dat de ..... eigen behoeften noodig heeft ..... heeft zélf ook uitgaven, en ..... de Raad van Beheer daarmee. ..... iedereen die uitgaven vinden ..... regelen. In de »Nieuwe ..... sche Courant« konden we onder ..... lezen: »Het is opmerkelijk, dat van de draagkracht eener ..... wordt gelet op haar ontvangst ook op haar uitgaven. (Avond:30 Maart l.l.). In verband hiermee .... wezen op een ernstige fout ..... kenen met het bedrag van ..... en later nog (Avondblad B l.l.) op twee andere ..... slechts in één bepaald ..... pastoriegoederen gerekend.  .....gerekend met 't aantal ...... Als al deze bezwaren juist ..... de regelen van den Raad ..... eenenmale ondeugdelijk en zijn, maar ..... we punt .....zen, blijken al deze bezwaren ..... staan.
Punt e. spreekt over het ..... gemeenteleden voor de ..... van haar eigen gemeenten opbrengen, dat wil ..... de uitgaven voorzoover de leden die zelf moeten betalen.
Het bedrag van die uitgave ..... eerst afgetrokken van de .....inkomens en van wat er dan ..... van de levende draagkracht te ..... wordt een gedeelte ..... gevraagd voor de Centrale Kas ..... zooveel als noodig is, om de ..... c en d te heffen ..... alle gemeenten tezamen in overeenstemming te brengen met de behoeften van de Centrale Kas.
Wat vele menschen echter in de war brengt, is de wijze waarop de Raad van Beheer de uitgaven berekent. De Raad van Beheer doet dat ook precies omgekeerd als wij zouden verwachten. Wij zouden verwachten, dat gevraagd werd: »Hoeveel kost het onderhoud van kerkgebouwen, enz.? Wat zijn de kosten van den eeredienst? Wat moet er bij het rijkstractement of het tractement uit de pastoriegoederen nog gevoegd worden, om den predikant het minimum tractement te geven? enz.
Maar de Raad van Beheer bemoeit en vermoeit zich daar niet mee, maar vraagt: »Wat brengt de gemeente op aan collecten huur van zitplaatsen, vrijwillige bijdragen, kerkdijken hoofdelijken omslag e.d.? « Omdat dat geld niet voor de aardigheid opgebracht wordt, maar alleen als het noodig is, geeft het bedrag, dat zoo door de gemeenteleden opgebracht wordt, aan, wat er aan noodzakelijke uitgaven moet afgetrokken worden van de »levende draagkracht« der gemeente, waaruit de Raad van Beheer put.
Nu staat en valt deze wijze van berekening met de juistheid van de onderstelling dat een gemeente niet meer opbrengt dan noodig is voor haar noodzakelijke uitgaven. Deze onderstelling nu is theoretisch niet juist, maar met een correctie, die de Raad van Beheer heeft aangebracht, is ze practisch toch in 99 van de 100 gevallen wèl juist.
Die correctie is namelijk, dat van hetgeen de gemeenteleden opbrengen, afgetrokken wordt hetgeen de predikant meer aan aanvangstractement genoten heeft dan het in artikel 1a van het Reglement voor de Predikantstractementen genoemde bedrag. Daar hebben wij een van de weinige gevallen, dat een gemeente vrijwillig meer opbrengt dan haar noodzakelijke uitgaven zijn, namelijk als zij haar predikant een hooger tractement wil geven. En het is een volkomen juiste gedachte, dat hierdoor de »aftrek« onder punt e. niet mag verhoogd worden, evenmin als dat natuurlijk mag geschieden door de aan de Centrale Kas in werkelijkheid (zonder verrekening met den predikant) betaalde bijdrage.
Waarom gebruikt nu de Raad van Beheer deze omgekeerde methode? Omdat de rechtstreeksche methode op het oogenblik alleen nog maar tot een administratieven chaos zou voeren. Voor de rechtstreeksche methode zou noodig zijn, bijv. dat de Kerkvoogdijen volledige inzage gaven van hun boekhouding, dat er bij die boekhouding zekere uniformiteit in acht genomen werd, zoodat ieder dezeliüe uitgaven als noodzakelijlce boekte en niet sommige inkomsten, die door achterdeurtjes binnenkomen, onder een verkeerd hoofd geboekt werden. Wie onze kerkelijke toestanden kent, weet, dat dit nu nog een onmogelijkheid is, en nu ondervangt de Raad van Beheer de meeste moeilijkheden met dat wondere punt e.
Nu behoeft de Raad van Beheer niet meer te weten of het rijkstractement of de pastoriegoederen ƒ400.— of ƒ 2000.— opbrengen, ot de Diaconie ƒ100.— of ƒ5000.— ('t komt voor) in de kerkekas laat verdwijnen. Naarmate die bedragen grooter zijn, is automatisch hetgeen de gemeenteleden opbrengen minder en dus de aanslag hooger. En zoo zien wij ook, dat het bezit van kerkegoederen ook het gevraagde volgens punt d. verhoogt.
Ieder moet maar eens op die punten d. en e. studeeren, dan zal hij nog meer mooie dingen ontdekken en tot de conclusie komen: het zou misschien wel op een a n d e r e manier kunnen, maar dat beteekent nog niet op een betere manier. Een volgende maal nog iets over punt b. en de opmerkingen aan het eind van de bekendmaking van den Raad van Beheer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's