De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

6 minuten leestijd

64 Want de Schrift zegt: Eenen dorschenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig. 1 Timotheüs 5 vers 18.

1 Timotheüs.
64

Het honorarium der leeraren. Het mag niemand bevreemden dat ik het woord honorarium hier gebruik. Het is toch afgeleid van een Latijnsch woord dat »eeren« beteekent. Het loon dus dat iemand op zijn arbeid krijgt is dus 't middel waardoor wij dien arbeid eeren. In het voorafgaande vers ging het over hen die arbeiden in woord en leer. Dubbele eer zijn zij waardig. Nu de apostel onmiddellijk daarop met een »want« voortgaat en handelt over het loon van den arbeider in den wijngaard des Heeren, spreekt het vanzelf dat wij hier aan een honorarium denken. De leeraren moeten dus een honorariurn hebben, een eereloon. Elders zegt de apostel dat hij er voor zich zelf geen gebruik van heeft gemaakt. Hij, de ongehuwde zendeling, verdiende door handenarbeid zijn brood. Maar hij zelf noemt dit als een uitzonderingsgeval. De algemeene regel is: zij die het Evangelie verkondigen zullen van het Evangelie leven. Zie hierover de eerste helft van 1 Corinthe 9. Misschien zou het in zeer kleine gemeenten wel mogelijk zijn dat een leeraar op eene andere wijze dan uit zijn ambt in zijn dagelijksch onderhoud voorzag. Maar 't zou toch altijd tot de uitzonderingen behooren. De werkkring van een leeraar is zóó omvattend, in de studeerkamer en daar buiten, dat hij voor een getrouwen arbeid al zijn tijd noodig heeft.
De dubbele eer die in het bijzonder de leeraren waardig zijn, bestaat dus ook hierin dat de gemeente zorgt voor hun onderhoud. De apostel laat ook hier de Schrift spreken. Hij haalt het woord uit Deuteronomium aan, dat wij ook vinden in 1 Cor. 9. Een dorschenden os zult gij niet muilbanden. Het dorschen geschiedde oudtijds door ossen op den dorschvloer, die op het graan moesten trappen of er een soort slede overheen trekken. Zulk een dorschende os wilde dan ook tegelijkertijd iets van de korenhalmen eten. Dat mocht aan dat werkende dier niet verhinderd worden. De apostel gebruikt nu dit gebod om te zeggen dat de gemeente voor heel het onderhoud van een leeraar te zorgen heeft. Een onderhoud dat in overeenstemming moet zijn met de dubbele eer, die zulk een leeraar waardig is. Ook nog een ander woord haalt de apostel daartoe aan. Het is hierbij wat vreemd dat hij dit ook als een Schriftwoord aanduidt. »De arbeider is zijn loon waardig«. Immers vinden wij dit woord nergens in de Schrift terug. Wel lezen wij dat ook de Heere Jezus het in Lukas 10: 7 gebruikt. Maar dit kan moeilijk door den apostel als een Schriftwoord bedoeld zijn, daar de Schrift van het Nieuwe Testament toen nog niet bestond. De beste verklaring van deze moeilijkheid is wel deze, dat de apostel zulk een bekend woord, dat ook de Heere Jezus gebruikte, vrij als een Schriftwoord beschouwt. — Zoo slaat de apostel door het eene en door het andere woord op hetzelfde aambeeld: »waak er voor, gemeente, dat in het onderhoud uwer leeraren, de dubbele eer hun bewezen wordt. Zij moeten een honorarium hebben, een eereloon!«
Gelukkig is de tijd voorbij dat deze zaak over het algemeen zeer veel te wenschen overliet. Het euvel is nog lang niet in het geheel overwonnen. Er zijn nog altijd leeraren die met vele zorgen aangaande hun huisgezin, de passende opvoeding en de studie hunner kinderen hebben te kampen. De gemeente weet dat dan wel en de kerkvoogden zijn er goed van op de hoogte, maar zij doen alsof zij niets weten. Ja, er zijn wel gemeenteleden die ten opzichte van hun leeraar (niet natuurlijk ten opzichte van zichzelf!) eene heel eigenaardige meening hierover hebben. Zij zeggen n.l.: »een dominee moet het  zoo breed niet hebben! Hij moet wat zorgen hebben! Dan zijn zijn preeken dieper!« Het is wat moois! Zij willen den dorschenden os den muil maar wat toebinden! Dan werkt hij beter, denken zij in hun dwaasheid. Alsof een leeraar die al zuchtende over zijn geldzorgen zijn werk moet doen, beter zou arbeiden dan een, die ten minste daarover geen zorgen heeft! De menschen houden er eigenaardige gedachten op na, om hun eigen plicht maar te vergeten. De barmhartigheden van sommige gemeenten zijn wreed! — Gode zij dank is er voor velen eenige verruiming gekomen. Maar dat er in de laatste jaren zoozeer op aangedrongen moest worden, heeft zeker niet bijgedragen tot wat ik zou willen noemen de eer van het predikambt. Maar de schande van al deze moeiten — te veel om hier te noemen — komt neer op de gemeenten en hen die daarin de leiding hadden. Men had verzuimd vers 17 en vers 18 van 1 Timotheüs 5 goed te lezen en er naar te handelen.
Maar nu moeten ook de leeraren zorgen dat zij in deze zaak hun eer, hun dubbele eer niet verliezen. Als er in den tijd dat een dominee het beroep naar de gemeente onder zich heeft, een loven en bieden plaats vindt, raakt de leeraar door eigen schuld veel van zijn eer kwijt, ook al gelukte het hem het traktement zoo hoog mogelijk op te jagen. 'k Zou leeraren en gemeenten wel willen toeroepen: leen u voor het minste niet aan dergelijke praktijken! Het minste toch doet veel schade aan de eer van het ambt en daardoor ook aan den zegen van het Evangelie. Wat moet dit toch verkeerd werken als de leeraar soms met veel gloed van het »ééne noodige« spreekt en dit boven alles aanprijst en zijn gemeenteleden moeten daarbij denken: Ja, dominee! Maar gij wildet tot ons niet komen tenzij er eerst nog een grooten schep opgedaan werd! Kort geleden kwam het voor dat ergens een leeraar beroepen werd. Ja, zeide de beroepene, ik zou het beroep wel aannemen, als gij het traktement zóó hoog opvoerdet. Men ging de gemeente door en haalde met veel gepraat en veel moeiten vijfhonderd gulden voor elk jaar op. Blijkbaar was het nog niet genoeg. De dominee bedankte, met een mooien, vromen brief, waarin hij verklaarde geen licht ontvangen te hebben! Ik noem zoo iets een schande. Welk een akelige gedachte heeft de roepende gemeente van zulk een leeraar gekregen. Laat geen enkele gemeente zich tot zulke dingen leenen! Dan leeren de dominee's het ook wel af. Het is beter vele jaren vacant te blijven dan op zulk eene wijze een leeraar te ontvangen.
Zij die in woord en leer arbeiden zijn dubbele eer waardig. Zij moeten dan ook daarin arbeiden en niet in de geldzaken. Voor de gemeente geldt: een dorschenden os zult gij niet muilbanden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's