De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Kinderrecht - plicht - gunst. II

10 minuten leestijd

"Laat de kinderen eerst verzadigd worden ..... doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen". Marcus 7 vers 27 en 28.

Ik moet weer van voren afaan beginnen en herinneren aan wat ik in het begin gezegd heb, dat Jezus onderscheid maakte tusschen heidenen en Joden, vreemden en burgers, buitenstaanders en huisgenooten. Naar haar uitwendige gedaante leven wij, Gode zij dank, in een Kerk van gedoopte en belijdende lidmaten. Zooals in het Oude Testament de grenslijn getrokken werd tusschen Israël en de heidenen door de besnijdenis.
En het is de onvergelijkelijk schoone en rijke gereformeerde prediking uit de Heilige Schrift, van de beide lijnen, die door haar heen loopen, die van het Verbond èn die van de verkiezing.
In de zegening van Manasse en Efraïm, Jozefs beide zonen, in Egypte geboren, komt dat zoo schoon uit. Jacob haalt ze er bij, opdat zij in Egypte niet zouden vervreemden en verloren gaan, maar tevens kruist hij bij de zegening de handen en stelt Efraïm, den jongsten, boven Manasse, den eerstgeborene.
Toegepast op het kerkelijk leven onzer dagen en de positie daarin ingenomen door onze kinderen, mag dus de vraag gedaan worden: Wat zijn deze? Kinderen of hondekens? Is uw kind een heidenkind of een christenkind? Te voren een onmondig lidmaat der gemeente, maar door belijdenis een mondig, meerderjarig, zelfstandig lid daarvan?
Ik laat hierbij een oogenblik de vraag rusten en de kwestie buiten beschouwing, of het ook een levend lidmaat is, een levend gemaakte ziel, die kennis heeft aan de weldaden des Verbonds. Dat kan opvoeding nooit bewerken, daartoe is Gods bekeerende genade alleen noodig en in staat. Wij zijn niet Roomsch, en gelooven niet aan een »doopsgenade«, waardoor een nieuw levensbeginsel in het kinderhart gelegd wordt. Dat is een zaak, waarmede ieder persoonlijk te rekenen heeft en waarnaar de Heere hen eenmaal oordeelen zal in het rechtvaardig gericht, dat verdoemen zal allen, die zonder Gods genade geleefd hebben, en vrij spreken allen, die Zijn goddelijke gunst en Zijn genadeleven deelachtig geworden zijn. Wéé dengene, die dus zonder die genade voortleeft in een Kerk onder de prediking der Waarheid, en sterft eenmaal buiten de kennis der Waarheid.
Maar de vraag, waarover het hier gaat, is, hoe heb ik hen aan te zien, oudere en jongere lidmaten, die door opvoeding en onderwijs gebracht en geleid zijn tot de belijdenis des geloofs, en die in het midden der gemeente hebben beleden, dat zij gelooven in een Drieëenig God, als bron, oorzaak en Werkmeester der zaligheid.
Hen allen, die toch geen belijdenis aflegden van een historisch geloof, d. w. z. openlijk getuigden, dat zij het niet bezaten en dus nog verloren liggen, en zich op die wijze aan de grootste leugen voor God zouden schuldig maken, maar van het »zaligmakend« geloof, waarin zij hun vertrouwen uitspreken op den almachtigen, volzaligen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, Schepper, Verlosser en Toepasser, de Alfa en de Omega, die begint, voortzet en voleindigt, ook in den arbeid der zaliging van verloren zondaren.
Hen allen, die daarbij de plechtige belofte hebben afgelegd, dat zij dien Heiland wenschen te volgen, en bij en door de genade te volharden bij een gemaakte keuze, en in hun leven, handel en wandel te bewijzen dat het hun ernst, hooge ernst was bij de keuze, de wereld te verzaken en in een godzalig leven zich te betoonen als diegenen, die den Heere vreezen.
Nog eens, hoe heb ik ze aan te zien ? Als heidenen, honden, vreemden en bastaarden, of als inwoners, bijwoners, huisgenooten Gods en leden van het lichaam van Christus? Een derde mogelijkheid bestaat er toch zeker niet. Eén van beide, binnen of buiten.
Maar, dan leg ik ook den band tusschen belijdenis en Avondmaal, en noodig ik alle ware en oprechte belijders, en die beloofden in Gods kracht hun belijdenis te zullen waar maken in het leven hier op aarde, toe te treden tot den disch des Verbonds, de kinderen des Huizes om het brood des Huizes te gebruiken en den zegen des Huizes te genieten in vollen omvang.
Jezus zegt: kinderen hebben recht op het brood der kinderen. Ik noodig hen uit om gedachtenis te vieren aangaande het bitter lijden en dierbaar sterven des Heilands, want hier is een maaltijd der gedachtenis.
Ik noodig hen uit om gemeenschap te oefenen met Christus en de Zijnen, en samen te smaken en te proeven dat de Heere goed is, en te deelen in den rijkdom der verworven zegeningen Gods, want hier is een maaltijd tot gemeenschap des levens.
Ik noodig hen uit om aan te zitten tot versterking van zwak en klein geloof en tot oefening in de godzaligheid en ten voortgang in den weg des geestelijken levens, want hier is de maaltijd ter versterking.
Ja, nog sterker, niet ik, maar Hij Zelf, de groote Gastheer aan de tafel des Verbonds, roept hun toe: doe dit tot Mijne gedachtenis! Of ben Ik het niet waardig? En heb Ik niet alles volbracht voor die in Mij gelooven en Mij belijden?
Hij, de volzalige Heiland, roept hun toe: Komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven; tollenaren en zondaren, houdt Avondmaal met Mij en zet u aan den disch, dien Ik u bereid heb. Hij betuigt: Neemt, eet, want de weg zou voor u te veel zijn; nog is er sterkte en verkwikking voor u op den weg des levens. Het brood voor de kinderen! Niet voor de hondekens allereerst, het brood der verzadiging, opdat gij leeft en niet sterft, maar leeft tot in eeuwigheid.
Hoe wij het wenden of keeren, of wij het willen of niet, gelooven en aanvaarden of verwerpen en verachten, daar gaat niets van af, het kinderrecht wordt door Jezus bepleit en het recht sluit den plicht in zich, geroepenen moeten komen, die belijden met den mond, moeten het ook betuigen door de daad, bevestigen door de practijk, want geloof in Christus is doen van den wil Desgenen, die alles gedaan heeft voor Zijn duurgekochte gemeente.
Maar daar staan we nu, bij onze rechten en bij onze plichten. Wat zullen we zeggen? Wat zullen wij doen? De Kerk dwingt niet tot de viering van het Nachtmaal van Christus. Dwingen is altijd verkeerd, want ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd. Maar de Kerk dringt wèl en roept den belijder toe: Weet wat gij doet, afblijven van het Nachtmaal is verloochening van den Christus, plichtverzaking, verachting van uw recht, verwerping van den zegen.
Daar staan wij! Wij moeten! Kunnen wij ook? Zullen wij gaan?
Wij zuchten, als die van twee gedrongen worden, te moeten en niet te kunnen, te willen en niet te durven.  Maar ziet, nu komt de Kananeesche ons te hulp, zij heeft een leerles voor den waren belijder, zij geeft de oplossing in het bange vraagstuk van het oprechte hart.  Zij zegt: ik kan geen recht doen gelden, ik pleit op en om een gunst. En zoo moet het ons gaan. Alle belijders hebben een kerkelijk recht op den disch, de toegang is hun ontsloten, op vertoon van bewijs van lidmaatschap kan niemand hen weigeren, die zich in leer of leven niet kwam te misdragen.
Maar de vraag nijpt en dringt: heb ik een geestelijk recht? Is mij van Godswege persoonlijk die weg voor mijn ziel ontsloten?  Helaas, die vraag wordt menigmaal verkeerd beantwoord.  De een zegt: zijt gij wel bekeerd genoeg en voldoende diep ingeleid in de diepten van het heilswerk?  De ander zegt: hebt gij er een bijzondere roeping voor ontvangen en weet gij daardoor »een naam en een plaats« gekregen te hebben aan den disch? En dit is alles ongereformeerd, onbijbelsch, ongeestelijk geredeneerd en geadviseerd. Hoe zullen wij dan antwoorden? Een geestelijk recht heeft niemand. Ook de beste van Gods kinderen zal bij zijn Avondmaalsgang nog moeten belijden:
»Zoo Gij in 't recht wilt treden,
O Heer', en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden,
Ach! wie zal dan bestaan?«
Maar het gaat ook niet om het recht en over de vraag of wij het recht kunnen laten gelden bij den Heere, doch het gaat om de gunst en de genade, die ons oorzaak is van en vrijmoedigheid geeft voor den Heiligen Disch.
Wilt gij een voorbeeld? Wij kennen de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal, niet betrekking hebbend op den hemel, maar van toepassing op den geestelijken feestdisch op aarde. Daar zit er één zonder bruiloftskleed, en des konings bevel is: werpt hem buiten, waar weening en knersing der tanden zijn zal. Wat is dat bruiloftskleed voor de bruiloft des Lams op aarde?
Daar zijn drie soorten van.
Het eerste is een boetekleed, want bij de ware beproeving moet ik bedenken mijn zonde en vervloeking, mij zelven mishagen en voor God verootmoedigen.
Het tweede is een koningskleed, of ik geloof (vertrouw) dat mijn zonden alleen om het lijden en sterven van Christus vergeven zijn.
Het derde is een statiekleed, namelijk van de gezindheid des harten Gode dankbaarheid te bewijzen in het leven en oprechtelijk te wandelen.
Ieder zoeke dus zijn geestelijke »garderobe«, zijn kleederschat maar eens na, of hij of zij een van de genoemde bezit, en zoo ja, al is het maar het eerste alleen, dan is er recht en plicht en gunst om op te staan en bij brood en beker te belijden den Naam van Christus, te gedenken Zijn lijden, te aanbidden Zijne genade, te omhelzen Zijne liefde.
Maar, zegt iemand, »die onwaardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel!«
Juist, maar die soort heb ik niet geroepen; de Kerk niet; de leeraar niet; Christus niet; dat soort als 't u belieft niet! want het formulier zegt, dat zijn óf de huichelaars óf de uitbrekende zondaren.
Wie moet ik hebben? Die zichzelf onwaardig keuren, die weten geen recht te kunnen laten gelden, die pleiten op Christus' verdienste, om de genade Gods.
Maar, zegt een ander: Ik ben te groot zondaar. Maar dat bestaat voor den Heere niet, want zoover als het West van het Oosten verwijderd is, doet Hij onze overtredingen van ons. Zijne genade is altijd grooter dan des zondaars schuld.
Maar, zegt de derde: Ik heb te weinig leven aan mijn ziel! En wij zeggen u, dan móet gij er juist komen, want het gaat om de versterking, verlevendiging, vertroosting.
Tezamen genomen in één woord, geldt hier alleen het woord van de Schrift: »de Meester is daar en Hij roept u«.
Wéé dengene, die Zijne genade veracht, en die in plaats van zich dood te eten aan den disch, zich er zijn leven lang aan blijft doodkijken. God zal donkerheid brengen aan die zielen; zij hebben de stem van Zijn Woord niet gehoorzaamd. Denken wij bovenal dus aan de roeping Gods. Schikt u om uw God te ontmoeten!
Mijn bede is, dat de Heere u bereide een vetten maaltijd op een hoogen heuvel, opdat de wereld het moge zien en jaloersch worden op uw geluk, en gij zelf op het zaligst moogt genieten van de weldaden Gods in Christus bereid.
En waar de bruid des Heeren om haar inwendig schoon het meest te roemen is, schenke de Heere voor elken disch veel van zulke bruiden, die haar Bruidegom tegemoet gaan en daarmede het meest vereeren.
Nog geldt het woord van Maria:
»Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden«
Moge het antwoord der ziel op dit getuigenis zijn, na ernstig onderzoek en biddend beraad, in aanvaardend geloof en ootmoedige dankzegging:
Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,
Opdat het altoos Hem zou vreezen.
Men roem dan d' Oppermajesteit
Om zooveel gunst in eeuwigheid!
L.                                                                                                              G. H. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's