GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (13)
Voor Christus' Kerk hier en elders komt het er op aan zich te houden aan Gods ordinantiën; want het is een planting van Zijne hand, welke alleen leven kan naar orde door Hem gesteld en in Zijn Woord geopenbaard. Menschen hebben zich niet te vermoeien, om telkens iets nieuws uit te denken en telkens andere ordeningen te maken, want de Heere heeft deze laatste dagen, nu Hij tot ons gesproken heeft door Zijn Zoon, in Zijn Woord ons vastigheid gegeven voor alle orden die nog komen zullen. Een nieuwe openbaring komt er nu niet meer; een nieuwe bedeeling is voor de Kerk niet weggelegd gedurende de dagen dat zij nog op aarde zijn zal; in alles heeft de Heere voor en door Zijn Woord en de Kerken hier en elders hebben nu te leven naar Gods Woord, de belijdenis naar dat Woord richtend en de wijze van kerkelijk samenleven ook naar de Schriftuurlijke beginselen vaststellend!
Bij de pluriformiteit der Kerk, uit oorzake dat de Heilige Geest aan de leden van Christus' lichaam een iegelijk ten deele geeft, waarbij dus elk deel "naar zijne mate" (Efeze 4 : 16) bezit, vinden we in Duitschland gansch andere toestanden dan in Frankrijk, in Engeland weer anders dan in Zwitserland, maar naar onze innige overtuiging treffen we van ouds bij de Nederlandsche Gereformeerde Kerken de meest zuivere beginselen aan inzake 't Woord, de Sacramenten, de tucht en het kerkelijk samenleven naar de beginselen der Kerkorde, hoewel we hier ook de Calvinistische of recht-gereformeerde, Schriftuurlijke beginselen telkens zien geschonden door allerlei oorzaak.
Nu is het onze roeping de onzuivere bestandeelen van de zuivere, de onechte en verkeerde en schadelijke van de echte, goede en profijtelijke te onderscheiden en daarbij weer te staan naar herstel van hetgeen geschonden is en naar verandering van hetgeen niet goed is.
En dan is een van de eerste dingen, dat in het midden van 's Heeren gemeente de belijdenis conform Gods Woord weer gaat leven en de plaatselijke Kerken frank en vrij weer de steunpilaren worden van het kerkelijk leven, overal waar het ontmoet de eenigheid der Kerken bevorderend en openbarend. Om c o n f e s s i e en K e r k o r d e gaat het.
We zagen reeds, dat de plaatselijke Kerken de grondzuilen zijn van het kerkelijk leven en dat volgens Gereformeerd Kerkrecht de Classlcale Vergaderingen de meeste beteekenis hebben, als zijnde die vergaderingen, waar de plaatselijke Kerken het meest onmiddellijk tegenwoordig zijn. Kerken moeten in de Classis bijeenkomen door de afvaardiging van predikanten en "gedeputeerde" ouderlingen zooals prof. Rutgers dat uitdrukt (blz. 20).
VoIgens de bekende bepalingen der oude Kerkenordening (in bijna al hare redactiën) moest iedere Kerkeraad één predikant en één ouderling naar de Classe deputeeren; iedere Classe twee predikanten en twee ouderlingen naar de particuliere Synode; en iedere particuliere Synode twee predikanten en twee ouderlingen naar de generale Synode. Zóó kwamen de Kerken, in hun vertegenwoordigers, in de meerdere vergaderingen als Kerken, en niet als personen, bijeen.
Daarom wilde men ook zoo streng mogelijk de hand er aan houden, dat ook ouderlingen en niet alleen predikanten ter vergadering van de Classis enz., kwamen; ook evenveel ouderlingen als predikanten, opdat het niet een dominocratie zou worden.
Wel is in de practijk hiertegen dikwijls gezondigd.
»De practijk« — zoo schrijft prof. Rutgers in een noot aan den voet van pag. 20 — »is zeer zeker vaak anders geweest; soms misschien door het clericalisme van sommige predikanten, die liever zelven 't Kerkbestuur in handen hadden; maar in verre de meeste gevallen enkel door de omstandigheid, dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren om een aantal dagen of weken voor kerkelijke vergaderingen beschikbaar te hebben; en met die afwijkende practijk is toen in een enkel geval de Classicale regeling in overeenstemming gebracht. Het zou echter ongerijmd zijn, daaruit af te leiden (gelijk soms geschied is) dat men het in de genoemde bepalingen zoo duidelijk uitgesproken beginsel dus eigenlijk liever ter zijde stelde. Men zou het dan waarlijk in de Kerkenordening wel niet hebben laten staan. Dat het daarin altijd gehandhaafd is, ondanks de bezwaren der uitvoering, moet juist integendeel tot de slotsom brengen, dat men aan die samenstelling van de meerdere vergaderingen dus wel zéér veel hechtte.
Inderdaad is dan ook voortdurend geijverd, om de genoemde bepalingen te doen nakomen. De generale Synoden hebben zich daarmede telkens bezig gehouden. Herhaaldelijk is bepaald, dat gedeputeerden (ook ouderlingen) die weg bleven, hierover tot verantwoording moesten geroepen worden. (Embden 1571; Dordrecht 1578; Middelburg 1581). Indien de verontschuldiging niet voldoende was, werd censuur noodzagelijk geacht (Middelburg 1581)«. »Er werden middelen aan de hand gedaan, waardoor het bijwonen van de meerdere vergaderingen voor de ouderlingen minder bezwaar zou opleveren (Middelburg 1581).«
Dat het op de p l a a t s e l ij k e Kerken eigenlijk, als de grondzuilen van het kerkelijk leven, aankomt, blijkt uit tal van plaatsen die uit de geschriften van V o e t i u s zouden kunnen worden aangehaald. Maar prof. Rutgers geeft in bovenstaand verband met opzet nu eens een breed citaat, dat ontleend is aan een jongeren tijdgenoot van Voetius en wel aan Johannes Hoornbeek, die óók hoogleeraar was, eerst te Utrecht en daarna te Leiden. Dit citaat — in het Hollandsch hier afgeschreven — luidt: »Wèl beschouwd is voor de verhouding der Kerken tot de Synoden het woord »afhankelijk« (dependentia Ecclesiarum) niet gepast. Immers men moet niet denken, dat de particuliere Kerk eene macht heeft, welke zij van andere, hooger staande, hetzij dan Kerken of Synoden, zou ontleend hebben, of dat zij, ter Synode samenkomende, hare macht zou afleggen, om die aan de Synode over te geven. Dit is geehszins het geval. Het gebruik of de macht van Synoden kan of moet geenerleï schade doen aan de vrijheid en de macht der particuliere Kerken ; die macht heeft niet een beroovend, maar een samenvoegend karakter; en iedere particuliere Kerk blijft in het eigen en zelfstandig bezit van de volle k e r k e l ij k e macht. De Synoden matigen zich ook niet aan, dat zij over andere onder haar samengevoegde Kerken de gebiedende macht zouden hebben, die aan heeren en hooger geplaatsten met betrekking tot de aan hen onderworpene lager geplaatsten toekomt; maar de Synode, als zijnde eene vergadering die voortvloeit uit de ge zamenlijke en vrije overeenstemming der Kerken, heeft eene macht, die opgedragen en helpend of dienend is, terwijl de Kerken zich met vrijwillige toestemming aan de Synode onderwerpen, omdat de orde en de stichting zulks vereischen«.
»Deze verhouding der Kerken tot de Synode moet dus eigenlijk niet de dependentie of afhankelijkheid genoemd worden, — en ter aanduiding van het strijdpunt van de sekte der Independenten schijnt mij dat woord independentisme dan ook niet wel passend — want in goeden zin kan gezegd worden, dat eene particuliere Kerk independent is van eene andere Kerk, of wel van Synoden, of ook van menschen, maar dat zij eeniglijk van Christus afhankelijk is. Daarom had het liever s u b m i s s i e of onderwerping moeten genoemd zijn, als voortspruitende uit de gezamenlijke toestemming der Kerken, om zich tot stichting en welstand der Kerk aan die orde te onderwerpen«.
»De Kerken, waarover de Synode uitspraak doet, zijn geene andere dan hare eigene, dat is, de Kerken, die door hare gedeputeerden samenkomen en die de gemeene zaken aan de Synode onderwerpen, alleszins door eene vrijwillige en wederzijdsche onderwerping; en de Synode slaat haren sikkel niet in een vreemd korenveld, maar de vereenigde macht der Kerken waakt en zorgt gemeenschappelijk voor het welzijn van diezelfde Kerken«. Johannes Hoornbeek Sumrna Controversiarun religionis. Ed. 2a, 1658. pag. 781—783). ,
Dat zijn nog al gewichtige grondbeginselen voor het Gereformeerd kerkelijk leven, die hier geleerd worden; en die er acht op geeft, bemerkt dus wel, dat het lasterpraatjes zijn, die week aan week door ds. Lingbeek in »de Geref. Kerk« verkondigd worden, als hij zegt, dat dit dingen zijn die door dr. Kuyper zijn uitgedacht en dat dit Independentistische leeringen zijn!
Met alle respect voor de groote geleerdheid van ds. Lingbeek verkoopt hij, wanneer hij zulke dingen den menschen wil wijs maken, toch wel een beetje al te groote dwaasheid!
Gezond Gereformeerden blijven dan ook ten spijt van 't schermen met groote woorden door ds. Lingbeek in »de Geref. Kerk« de aloude beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht voorstaan en erkennen de particuliere Kerken, de plaatselijke Kerken als de grondzuilen van het kerkelijk leven, leerende, dat de macht van de plaatselijke Kerk niet is een macht, welke zij ontvangt van andere, hooger staande Kerken of Synoden, maar dat het is een macht welke zij van Christus heeft ontvangen, welke macht zij ook nooit overdraagt aan andere Kerken of Synoden. Van niemand is de plaatselijke Kerk afhankelijk dan van Christus, zich stellend op den grondslag van Gods Woord en de belijdenis, zich openbarend In de ambten, zoekende, waar noodig, de gemeenschap der Kerken te bevorderen.
Wij schrijven hier nog even af, wat de oudste Kerkordeningen zoo hier en daar omtrent de rechten en de zelfstandigheid van de plaatselijke Kerken zeggen: in art. 18 van de Wezelsche artikelen van 1568 staat: »Hij die een openbaar ambt bekleedt zooals de Dienaar of Herder, de Leeraar, de Ouderling, de Schoolmeester of de Diaken enz., mag de Kerk, die hij dient (de p l a a t s e l ij k e K e r k d u s) geenszins verlaten zonder dat van zijne zaak wettig kennis is genomen en het oordeel van de geheele Classis daarover is ingewonnen. En andererzijds zal het ook de Kerken niet vrij staan, hetzij haar Dienaar, hetzij haar Leeraar, hetzij haar Ouderling enz. los te maken, zonder de toestemming van de parochie of provinciale Classis verkregen te hebben«. Waarop dan artikel 19 onmiddellijk laat volgen: »Nochtans meenen wij n i e t, dat aan de vergaderingen der Classis eenig recht in deze zaak over eenige Kerk of hare Dienaren toe te kennen zij, tenzij deze Kerk (de plaatselijke Kerk dus) hierin uit eigen beweging toestemme; opdat de Kerk (de plaatselijke Kerk dus) niet tegen haar wil b e r o o f d worde van haar recht en gezag«.
Zulke dingen noemt ds. Lingbeek maar eenvoudig week aan week independentisme. Maar onze Gereform. Vaderen wisten van ouds wel beter!
Zoo lezen we ook in de Acta van de Embdensche Synode van 1571 o.a. in art. 39 van »de Nederduytsche Kerken«; in art. 40 van »Kerck« en »naebuerighe Kercken«, van »de Litmaeten der Kercken. ; in art. 42 van »Kercken« en »beginse!en der Kercken« (Kerken in wording) ; in art. 43: »'t is seer oorbaerlyck datter sulcke eene vereeninghe der Kercken zij« »dienstelyck tot de onderhoudinge ende wasdom der Kercken int ghemeen«. In art. 44 is dan sprake van »attestatie of ghetuyghnisse«, die de eene Kerk voor de andere Kerk zal meegeven aan de lidmaten als zij vertrekken. En zoo gaat het door heel de Kerkorde door, dat er gesproken wordt over K e r k e n; welke Acta van Embden onder teekend zijn door mannen als: Casparus Heydanus, Joannis Taffinus, Johannes Polyander en andere gereformeerde kopstukken.
Van ouds is het beginsel der vrijheid inzake religie en Kerkgemeenschap hooggehouden door de Gereformeerden. Geen dwang; nooit of te nimmer!
Een voorbeeld in deze is wat is voorgevallen met de Nederlandsche Kerk van Norwich (in Engeland). Deze Kerk kon zich niet vereenigen met de beslissingen van de Classis en onttrok zich toen aan de ordening en de samenkomst harer Classis. Wat deden toen de andere Kerken? Ze hebben niets anders gedaan dan de Kerk van Norwich genoodigd zich met de andere Kerken toch weer te vereenigen; en toen het niet dadelijk lukte, bleven zij noodigen, dringen en opwekken, met een waarlijk onuitputtelijk geduld, totdat kon worden geboekt, omtrent 24 jaren later (1595), dat de Kerk van Norwich het eindelijk had opgegeven en zich aan de ordening had onderworpen. (Prof. Rutgers. De geldigheid van de oude Kerkenordening enz., blz. 25).
Hier is echter door de bemoeienissen van de Overheid weer veel bedorven. Overheidsdwang kwam er tusschen en toen was het mooie van de vrijheid weg. Prof. Rutgers schrijft: "dat de Overheid er toe kwam om haar macht te gebruiken tot bevordering van de reformatie". »Heel wat personen en Kerken zijn toen, om het zioo eens uit te drukken, Gereformeerd gemaakt« (pag. 25). "Het is buiten twijfel, dat velen met de reformatie zijn mede gegaan, onder sterke pressie van de Overheid. De Gereformeerde Kerk, maar ook zij alleen, werd erkend; wie daar niet toe hoorde, had geen recht op vrije uitoefening van religie; hij had allerlei moeite, om voor zijne kinderen het gewenschte schoolonderwijs, en ook zelfs den doop te verkrijgen; hij werd, zoo al niet wettelijk, dan toch feitelijk, van bedieningen en ambten allengs meer uitgesloten; en ook in de samenleving werd hij telkens gedrukt, of althans bij anderen achtergesteld. Pastoors, die zich (naar de uitdrukking van dien tijd) "niet wilden laten reformeeren", werden met den sterken arm verwijderd en een Gereformeerd predikant in de plaats gezonden. En niet anders dan Gereformeerden konden genot hebben van de kerkelijke gebouwen en goederen", (pag. 26).
Dat hierdoor velen met de Reformatie zijn meegegaan, die anders niet Gereformeerd zouden zijn geworden, staat vast; en dit is een donkere schaduwzijde voor de Gereformeerde Kerk. Toch bleef in ons land de vrijheid, de persoonlijke vrijheid gehandhaafd en kon en mocht ieder persoonlijk wat de religie betreft, uitkomen zooals hij was en zooals hij wilde. Prof. Rutgers vestigt hierop in het verband van de dingen hierboven bedoeld, met opzet de aandacht, opdat er geen verkeerde conclusies getrokken worden, na 't geen gezegd is van de Overheidsbemoeiing inzake religie en Kerk. Prof. Rutgers zegt: "Maar zou het nu juist zijn, daaruit af te leiden, dat dus op godsdienstig gebied het beginsel van persoonlijke vrijheid in de Republiek is ter zijde gesteld en dat het beginsel van religiedwang is bestendigd? Daar is zeker niemand, die dat zal beweren. Telkens is het beginsel van persoonlijke vrijheid door de Overheid uitgesproken, zoo beslist en zoo duidelijk als maar kon. Het is ook gehandhaafd wanneer het soms beproefd werd om het te doen vervallen. En het is dan ook een feit, dat zeer velen tot de Gereformeerde Kerk nooit zijn toegetreden".
»Wat geschied is« — zoo vervolgt prof. Rutgers om den loop der dingen in zake godsdienstvrijheid nog eens duidelijk in theorie en practijk te laten uitkomen — »wat geschied is, komt dus hierop neer: dat zeer zeker het beginsel (der godsdienstvrijheid) erkend bleef, maar dat f e i t e l ij k toch gedurig aan de vrijheid is te kort gedaan, doordat ook het stelsel was aangenomen van de Staatsreligie en van de publieke Kerk«. (pag. 26).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's