UIT DE PERS
De heer M e i m a, Directeur van de Kweekschool met den Bijbel te Groningen, schrijft in de Groninger Kerkbode geregeld artikelen van paedagogische strekking. We laten er hier een volgen:
Hoe onze kinderen slaven worden.
Wij hebben allen wel gehoord van reus Gulliver, die door de Liliputters, de dwergen, wordt gebonden. Als de reus wakker is, kunnen die kereltjes hem natuurlijk niet de baas, maar als hij slaapt, komen zij aangeslepen en overspannen hem met tallooze draden, zoodat hij niet kan opstaan. Zoo gaat het ook met onze slechte gewoonten. Het zijn de dwergen, die ons ketenen, wanneer wij niet waakzaam zijn en als wij niet meer oppassen, zullen onze kinderen van hun jeugd af geboeid worden door de draden van leugen, van diefstal, van kwaadaardigheid, van wanorde, van afgunst, van wereldzin en zij zullen hun gansche leven in slavernij doorbrengen.
Laten wij maar eens zien. Niemand wordt op één dag een doortrapte leugenaar. Daar zou hij nog wel voor terugschrikken en zich te weer stellen. Maar de leugen omstrikt het karakter van het kind draad voor draad. Aanvankelijk zijn de draadjes zeer dun. 't Begint met kleine leugentjes. Ze schieten er eerst nog wel een kleur bij. Ze zijn maar eventjes in den tuin geweest, zij hebben heusch maar een klein stukje van de koek genomen, ze moesten maar een poosje schoolblijven, zij hebben den meester moeten helpen bij het opruimen van de kast, de klok was achter, zij hebben nog een boodschap moeten doen, de brug was op, zij hebben zoo laat gegeten, allemaal leugentjes, die moeten dienen, om ze uit de verlegenheid te redden en die als zoovele draadjes worden, waarmee de waarheidszin totaal wordt geketend en het kind in slavernij wordt gebracht. Pas daarom op de eerste, de kleinste leugentjes van uw kind.
En als ge menigen dief, die in de gevangenis zucht, vraagt, hoe hij zoo van kwaad tot erger is vervallen, dan hoort ge niet zelden een droef verhaal van al grooter diefstallen. Dat begint met een onbeduidend dingetje, een speld, een potloodje, een halfje, een knikker, een noot. Langzamerhand verzwakt het besef, dat stelen zonde is, de leugen wordt mede te baat genomen en het kind heeft zich tenslotte verward in een net van onoprechtheid, waar het niet meer uit weet te komen. Hier moet ook weer met alle kracht op de kleine draadjes gepast worden. Bij de kleine kinderen moeten we er van meet af op passen, dat zij het eigendom van een ander weten te eerbiedigen. Dat moet in het gezin heel erg worden gevonden, wanneer de een het eigendom van een ander heeft weggenomen of beschadigd. Dat moet wedergegeven of vergoed worden. O wee, wie daar de hand maar wat mee licht. In zoo'n gezin is gedurig wat weg. Vooral met het geld zij men nauwkeurig. Wanneer de kinderen daar maar stil wat van kunnen wegnemen, worden ze niet alleen dieven, maar dikwijls ook snoepers en verkwisters. En de aanvankelijk zoo dunne draadjes worden kluisters, waarmee de kinderen geboeid worden hun gansche leven lang.
Let ook eens op den gierigaard. Hij is niet in eens geworden tot den grooten dwaas, die maar bij elkaar schraapt, hij weet niet waarvoor. De macht om het noodige er van te nemen, bezit hij niet meer; anderen er mee te helpen en te dienen, komt bij hem zelfs niet op. Hij is gebonden als een slaaf, doordat in zijn jeugd de fijne draadjes van hebzucht, zelfzucht, van eigenliefde zijn jonge ziel hebben omspannen. Als kind kon zoo iemand al niet best wat aan een ander afstaan; hij moest altijd het grootste stuk, het mooiste cadeau, de breedste plaats, de eerste beurt hebben. Als kind was hij al een potter en misschien hebben vader en moeder het eerst wel aardig gevonden, dat hij zoo sekuur op zijn centjes paste. Dat is trouwens ook aangenamer, dan dat de kinderen maar altijd alles op hebben. Maar laten we nauwkeurig toezien. De ragfijne draadjes van het egoisme hebben het zieltje omspannen, den groei er van belemmerd en het is verschrompeld tot het benepen zieltje van een vrek, die zich zelf en anderen tot een last is.
Moet ik nog meer voorbeelden uitwerken? Zien we niet duidelijk, dat onze kinderen zeer langzaam aan in velerlei slavernij kunnen vervallen? Denk maar eens aan wanorde in hun werk en in hun zaken. Daar komen ze ook maar langzamerhand in tot ze er geheel in verward zitten. Of aan de afgunst! O, wat begint die met kleine draadjes en wat kan de afgunst een groot mensch met ontzettende slavenketenen boeien.
Daarom is er alle reden om onze kinderen tot waakzaamheid aan te sporen. De Liliputters binden ons in den regel niet, als we reeds volwassen zijn. Dan heeft zich het karakter gevormd, dan is de wil gestaald. Neen, als de reus slaapt, als hij zich niet bewust is van wat er gebeurt - en dat geldt ook van den mensoh in zijn jeugd - dan komen ze en omstrengelen den argelooze, die zich later bij zijn ontwaken graag van zijn ketenen zou ontdoen, 't Is dan te laat, de plooi heeft zich gezet.
O, hoe moesten we als ouders onze verantwoordelijkheid in dezen gevoelen! De levensfouten, die we bij onze kinderen toch reeds moesten ontdekt hebben, klagen ons aan, Wij zijn niet flink opgetreden. We hebben het eeret niet zoo erg gevonden. Neem maar eens den wereldzin. Ontdekken we dien reeds niet vroeg in het hart van menig kind? En hoe treden we daar nu tegen op? Immers, vaak verontschuldigend. Och, ze zijn nog zoo klein! Zou dat nu zoo erg zijn? Kinderen zijn geen groote menschen! Men moet jonge menschen ook wat gunnen! En we geven toe, ofschoon we 't niet van harte doen en zijn op die manier bezig mede te helpen aan het spannen van de draden om de ziel onzer kinderen, die later onverbreekbare slavenketenen blijken te zijn.
Neen, wij kunnen hen niet voor alle kwaad bewaren, maar laten we toezien, dat onze kinderen niet kunnen zeggen: »'k Wou dat vader en moeder mij maar wat stelliger gewaarschuwd hadden«. De Heere make ons getrouw I
Karl Barth.
In »de Geref. Kerk« schrijft, prof. dr. Haitjema twee artikelen over den in den laatsten tijd zoo veel besproken theoloog Karl Barth (men spreekt van »Nieuwe Theologie— de school van Barth; ook van kritische theologie, ook van modern agnosticisme — ook van de Zwitsersche theologie).
We laten van het eerste artikel een gedeelte hier volgen. »Karl Barth is nog 'n jong, nauwelijks veertigjarig theoloog. Sinds verleden najaar is hij als gewoon hoogleeraar verbonden aan de Universiteit te Munster, in Westfalen. Hij is van Zwitsersche afkomst; zoon van een godgeleerde, die jaren lang met eere als hoogleeraar de Universiteit te Bern diende. Na een vruchtbaren studententijd, deels in zijn vaderland, en goeddeels ook aan verschillende Duitsche Universiteiten doorgebracht, werd Karl Barth in 1909 aanvankelijk hulpprediker bij de Gereformeerde Gemeente te Geneve, om twee jaren later als predikant naar Safenwil, een dorpje in het district Aargau (Zwitserland) te verhuizen.
Daar heeft Barth ook als predikant de eerste jaren van den wereldoorlog meegemaakt. Het waren de jaren, waarin de hartstochtelijke jonge prediker, die recht en waarheid begeerde te eeren, alle vertrouwen op menschengrootheid en cultuurkracht verloor, zooals zoovele anderen, die intens medeleefden in dien schokkend ontnuchterenden tijd, die het bankroet aller om menschen-adeldom opgebouwde beschaving uitklaagde.
Karl Barth werd van toen af ook een der opgeschrikten, die de schipbreuk aller menschenmogelijkheden zoo intens mee doormaken. Te voren was hij een vurig socialist geweest, dwepend met het idealisme van een cultuur-beweging, die hier op aard de blijde wereld meende te kunnen verwerkelijken. Nu valt ook dat idealisme hem uit de hand: wat is de mensch? En Karl Barth grijpt naar het Woord van God, anders dan hij het ooit te voren gedaan had. Nu leest hij in Paulus' brieven, en in Oud-Testamentische Profeten, anders dan hij het ooit vroeger gedaan had. Hij wordt gegrepen door die ontzaglijke werkelijkheid, waar apostelen en profeten al maar op wezen: God is God! Werkelijk God! De Eerste, en de Laatste, uit Wien, en door Wien en tot Wien alle dingen zijn!
Och, voorheen had hij ook wel in den bijbel gelezen. Natuurlijk wel. Jaren lang had hij het ook wel gedaan bij zijn voorbereiding op zijn prediking in zijn gemeente. En hij had gepredikt, met overtuiging en vuur Maar echte bediening van het Woord was het niet geweest! Omdat het echt-bewogen al maar recht naar Boven zien, naar God, zijn God, er nog niet was.
Zeker, hij las den bijbel graag, ook vóór 1914 al wel. Maar hij las er zijn eigen idealisme uit. En hij hoorde Amos getuigen van gerechtigheid als een heftig socialistisch hervormer Karl Barth bediende zich van het Woord, en vond er in, wat hij er in vinden wilde: waarheid en gerechtigheid voor den enkeling en de samenleving, voor maatschappij en kerk. Maar helaas, waarheid en gerechtigheid alleen »met twee dimensies«, zooals een van Barths vrienden graag zegt. Dat beteekent dit: Barth dweepte met waarheid en gerechtigheid als idealen in het platte vlak van deze wereld; terwijl het derde gezichtspunt, God, waarmede eerst de diepte en de massiviteit van Gods Koninkrijk in het idealisme komen, helaas nog ontbrak.
Na 1914 echter komt Barth in onrust en nood, omdat hij nu verstaan gaat, als onder den open hemel, onder het heilig oog van God te moeten zijn een dienaar des Woords, die het Woord aan het woord laat; en zich aan dat Woord onderwerpt; in de schatten van dat Woord graaft, zóó, dat het levende Godswoord voor onzen tijd opspuit, als uit een aangeboorde bronader, uit het Schriftgetuigenis. Dan wordt het probleem der z.g.n. theologische exegese voor Barth een benauwend en practisch probleem. lederen keer, als hij den kansel bestijgt, en zijn gemeente zit om te hooren het Woord, het Woord des Evangelies voor dezen tijd, nu in de zielen in-slaand, gevoelt hij het met al de spanning van zijn ziel, dat hij den ouden Bijbeltekst heeft te laten spreken, zóó, dat de gemeente hoort de levende stemme Gods, toe-sprekend menschenharten in het kerkje van Safenwil, terwijl het geschut ginds dondert en vernieling braakt, op 't Oostfront en op het Westfront.
Zóó is het beroemde boek van Karl Barth over Paulus' brief aan de Romeinen geboren. Het kwam in 1918 uit. Een massief, omvangrijk boek; op vele plaatsen zwaar om te verstaan. Het is dus niet een boek, waarin Karl Barth zijn »gedachten-systeem« begeert te geven; zijn eigenaardige wereld-en levensbeschouwing. Neen het is een boek, dat uit den nood van den prediker is geboren, die in den hangen oorlogstijd den inhoud van den Romeinen-brief als 't Woord van God heeft uit te dragen tot lotgenooten, en vooral tot vakgenooten. Het is »een gesprek van een theoloog met theologen*, zegt Barth zelf.
Door dit groote boek, de R ö m e r b r i e f, is Karl Barth bekend geworden tot ver over de grenzen van zijn vaderland. In 1921 verscheen al de tweede druk van het werk, waarin Barth van zijn rijper geworden inzicht in den diepen zin van het geloof, en het geloofsleven als leven door geloof uit het volbrachte werk van Christus, kon doen blijken. Nu wordt de verwantschap tnsschen Barth en den in Nederland bekenden prediker H. F. Kohlbrugge frappant. In hetzelfde jaar van de verschijning van den tweeden druk van zijn Romerbrief is Karl Barth nog hoogleeraar geworden in Göttingen: buitengewoon hoogleeraar vanwege den R e f o r m i e r t e n Bund. Vele studenten stroomden toe. Een krachtige weder-opleving van de Gereformeerde theologie kon in Duitschland beginnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's