De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

1 Timotheüs (65)

5 minuten leestijd

65) 1 Timotheüs. Neem tegen eenen ouderling geene beschuldiging aan, andens dan onder twee of drie getuigen. Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben. 1 Tim. 5 vers 19 en 20.

Over het zondigen der ouderlingen, hu n aanklacht en hun bestraffing. De twee hierboven-geplaatste verzen moeten wij in nauw verband met elkander lezen, opdat wij bedenken dat met hen »die zondigen« de ouderlingen, de presbyters bedoeld zijn, dus ook zij die arbeiden in woord en leer. Nu bevat het eerste vers eene aanwijzing voor den aanklager, het tweede vers over de bestraffing.
Wat het eerste betreft, de aanklager moet weten dat zijn beschuldiging ernstig wordt opgenomen. Met alle nauwkeurigheid moet worden kennis genomen van hetgeen men tegen een ouderling heeft aan te merken. Wat dus een ouderling misdoet naar de meening van den aanklager, moet maar niet onder vier oogen aangehoord worden. Neen, heeft men wat tegen een ambtsdrager, dan moet men er goed voor durven uitkomen. Maar dan zal op de aanklacht ook nauwkeurig gelet worden! Men zal er niet overheen loopen alsof zij van geen beteekenis ware.
Met die twee of drie getuigen zijn dus menschen bedoeld die Timotheüs zelf in zijn tegenwoordigheid nemen moest, waarschijnlijk andere ouderlingen.
De apostel had immers aan Timotheüs geschreven over de dubbele eer die de getrouwe arbeiders die in den wijngaard des Heeren werken, waardig zijn. Bijzonder zij, die in woord en leer arbeiden. Deze laatsten moeten dan ook een honorarium, een eereloon ontvangen. Maar zulk een adeldom legt hooge verplichtingen op. En daarom moet de weg worden aangewezen en de deur wijd geopend worden, opdat men met z'n aanklacht tegen de eerwaardigen goed terecht kan. Wanneer de aanklager weet dat er op zijn beschuldiging nauwkeurig gelet wordt, zal hij goed moeten overwegen wat hij doet. Op laster-praatjes zal hij dan niet afgaan. O, de menschen zijn er vaak zoo gaarne op uit lichtvaardig over de dominee's, over de ambtsdragers te oordeelen. Op de meest ongegronde wijze wordt vaak de meest harde en schandelijke critiek over hen uitgesproken. Natuurlijk altijd achter hun rug. Daardoor oefent satan een groote macht uit tegen de eer Gods en die Zijner getrouwe dienaren. De dominee is een wrijfpaal. Ge weet dit is een weidepaal, waaraan het vee zich kan wrijven. Zulk een leeraar zal, als hij door het geloof geoefend wordt, daar goed tegen kunnen. Anders zou hij niets verstaan van het volgen van Hem, Die een vraat en wijnzuiper genoemd werd. Tegen allen lichtvaardigen lasterpraat wordt hier een dam opgeworpen. Immers moet men voor een commissie van den kerkeraad komen, dan moet het waarheid zijn, wat men zegt, dan moet men de zonde dier hoogstaande personen kunnen bewijzen. Maar laat hen dan ook vrij komen, zegt de apostel; smoor de zaak niet en gebruik niet den doofpot. Een aanklager die op goeden grond iets tegen een leeraar of een ouderling of een diaken heeft, moet ook in onze dagen de gelegenlheid hebben dat zijn aanklacht met aandacht vernomen wordt. De eer van het hoogste ambt onder de menschen is immers hierbij op het spel.
Als dan de aanklacht onderzocht is en de beschuldiging waar blijkt te zijn, zie dan hebben wij de zaak waarover het tweede vers handelt. Het is omdat het ambt zoo hoog staat en hoog gehouden moet worden, dat de zonde der ambtsdragers in het licht gesteld en bestraft moet worden. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Let er wél op, hier wordt een andere weg aangewezen dan in Mattheüs 18 van vers 15 tot 17. Naar dat woord van den Heiland moet de zondaar eerst onder vier oogen bestraft worden. Maar hier is sprake van bestraffing dadelijk in tegenwoordigheid van allen. Hier is alleen te denken aan de ambtsdragers, die zondigen. Nu is het de vraag wie bedoeld zijn met »allen«. Wij mogen hier, meen ik, niet denken aan de geheele gemeente, aan de samengekomen schare, alsof van den kansel af, zonder eenige voorafgaande waarschuwing, de schuldige zou moeten bestraft worden. In zulk eene handelwijze zou de geest van Mattheüs 18 toch geheel ontbreken. Maar deze geest komt beter tot zijn recht als met die »allen« dezelfde personen bedoeld worden als »de anderen«. Deze anderen zijn blijkbaar de andere ambtsdragers. Zij zullen vreezen als in hun aller tegenwoordigheid de zonde van eenen ambtsdrager, bestraft wordt. Dit laatste moet dus geschieden in den kring der broederen, in de vergadering van den kerkeraad. De kerkeraad is in zijn vergadering het eerste en het voornaamste college van kerkregeering. Alle andere z.g.n. meerdere vergaderingen bouwen hun gezag op uit deze eerste vergadering. Het beginsel dat de apostel hier aangeeft geldt voor alle kerkelijke vergaderingen. De zonde van een der ambtsdragers worde in den kring der broeders openlijk en eerlijk behandeld, zij worde niet verdoezeld, zij worde in haar juiste karakter in het licht gesteld, voor zoover menschen naar Gods Woord dit vermogen. Zij worde als in de tegenwoordigheid Gods bestraft. Zulk eene bestraffing zal tot berouw en bekeering kunnen leiden; zij zal de anderen nog meer doen waken tegen het kwaad, dat hun ambt zoo jammerlijk onteert.
Welke zonde hier is bedoeld, lezen wij niet. Wel staat er: »zij, die zondigen«, niet »zij, die gezondigd hebben«. Wij denken dus aan ambtsdragers die in hun zonde voortwandelen. Misschien is in de eerste plaats de zonde van verkeerden levenswandel bedoeld. Maar de onderstelling is niet te sterk, met het oog op »hen die arbeiden in het woord en de leer« (vers 17), als wij hier denken aan de valsche leer, aan de zonde tegen het schoonste, het Evangelie der genade van onzen Heere Jezus Christus. Het was te wenschen dat vers 20 meer in acht genomen werd in onze kerkeraadsvergaderingen. Deze laatsten zijn dikwijls zoo arm aan inhoud, zoo bezield door een geest van valschen vrede, zoodat 't kwaad niet eens genoemd wordt, veel minder bestraft. Elke kerkeraad moest hierover in eigen boezem biddend werkzaam zijn. De moeiten zouden niet uitblijven, de zorgen menigeen bezwaren, maar daardoor zou, mits wij iets hadden van Elia, die naar de hoogte van den Karmel ging om den zegen Gods af te smeeken, een overvloedige regen van genade stroomen over de gemeente van den Heere Jezus Christus, ook in onze dagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's