De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Pinksteroverdenking

13 minuten leestijd

En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Handelingen 2 vers 37 en 38.

Bovengenoemde woorden bevatten een heilbegeerige vraag en een veel beteekenend antwoord. Het was voorwaar een krachtig en doordringend woord, dat de Apostel Petrus op den doorluchtigen Pinksterdag te Jeruzalem sprak, toen spotters het werk des Heeren, in de uitstorting des Heiligen Geestes geopenbaard, wilden aantasten. Met kracht en gloed wenschte de Apostel zich te verdedigen en de dierbaarheid en de oneindige waarde van den Heere Christus uit te prijzen voor zijne hoorders. En hij kon het doen, want de Heilige Geest was met volle stroomen in zijn binnenste uitgestort. Neen zij waren niet dronken van wijn, die zóó spraken en getuigden. Het was immers meer dan genoeg bekend, dat de offerwijn niet vóór dat het middaguur aanbrak, werd uitgedeeld, en dat men het nimmer hoorde, dat godsdienstige joden zich schuldig maakten aan dronkenschap, en dat het daarbij immers onmogelijk was, dat dezen, die men dronken noemde, in den tempel hadden kunnen komen, zonder dat zij door den tempelvoogd zouden zijn opgemerkt en dan natuurlijk geweerd zouden zijn. Helder, duidelijk, maar ook volledig was ook in dezen de verdediging der Apostelen ten opzichte van hunne daden en woorden, maar vooral van de heilige zaak des Heeren. Bovenal werd deze verdediging nog versterkt door de aanhaling van Joël's godsspraak, welke zij nu treffend vervuld zagen, terwijl de Apostel zijne verdedigingstoespraak eindigt met dit ernstig slotwoord: Zoo wete dan zekedijk het gansche huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft: n.l. dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. Ja, zoo was dan het grootste wonder kenbaar gemaakt, dat ooit aanschouwd werd en nimmermeer aanschouwd zal worden, n.l. dat een gekruisigde door God den Heere tot Koning en Heere gezalfd is, voor Wien eenmaal alle knie zich zal buigen, de geloovige met eerbied, de ongeloovige met schrik en ontzetting, Wiens Koninkrijk geen einde zal nemen. Ontzettende gedachte! Gods eigen Zoon gekruisigd te hebben. Hem doorstoken en doornageld te hebben, Die nu als Koning gezeten is aan de rechterhand der majesteit Gods in de hoogste hemelen.
En ziet, dat woord trof, onder de machtige leiding des Heiligen Geestes, de schare, dat woord werd een tweesnijdend scherp zwaard, dat haar door merg en been dringt. Het laat een diepen indruk achter. Men krijgt een gezicht in zijn daden. De blinde oogen worden door den Heiligen Geest geopend en verslagenheid en ontroering grijpt hen aan en zij geven hun geprangd en beangstigd gemoed luoht in de volgende woorden: Wat moeten wij doen, mannen broeders! Welk een macht! die werking des Heiligen Geestes! Harde harten, door de zonde zoo hard geworden, worden verslagen en verbroken, en de zondaar ziet zich in plaats van rijk en verrijkt, arm en schuldig, melaatsch en onrein van het hoofd tot de voeten. Die Geest lijdt in in de diepten van schuld en zonde en brengt teweeg verslagenheid en berouw. Voorwaar zoo werkt het Woord Gods, wanneer de Heilige Geest het bindt aan de harten, ja, dan wordt het niet alleen met het uiterlijke oor gehoord, maar daalt het onder Gods genade diep in het hart, waar het Woord wordt het zaad der wedergeboorte, waar het bearbeidend werk des Heiligen Geestes ervaren en ondervonden wordt. Onder dat hooren van het Woord wordt door Gods genade eigen wijsheid dwaasheid, en wordt men gevangen genomen tot gehoorzaamheid der waarheid.
Het oog, tot dusverre gesloten voor 't diep bederf des harten, wordt door het Woord, dat de Heilige Geest hier als middel gebruikt, geopend, en verslagenheid en droefheid wordt openbaar. Ja, nu wordt bevestigd, wat ook de Apostel Paulus eenmaal sprak: Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan eenig twee snijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten. Het is geheel in overeenstemming van hetgeen eenmaal door den Profeet Jeremia is gesproken: Is Mijn Woord niet alzoo als een vuur? spreekt de Heere, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
Als zij dat hoorden, werden zij verslagen in hunne harten. Het woord, hier door »verslagenheid« vertaald, beteekent eigenlijk in den grondtekst: de pijn des lichaams, die door het steken of prikkelen van één of of ander scherp gereedschap veroorzaakt wordt. Overgebracht op den toestand der ziel beteekent het een groote droefheid en vreeze, die uit een zwaar gekwetst hart voortkomt. Zoo sprak ook eenmaal Simeon in zijne profetie, dat er een zwaard door Maria's ziel zou gaan. Derhalve onder de wonderbare leiding des Heiligen Geestes wordt de schare machtig en onweerstaanbaar aangegrepen en diep in het hart getroffen. Droefheid grijpt hen aan, nu zien ze eerst wat zij gedaan, wat zij misdreven hebben tegenover Jezus, den Zone Gods, en siddering vervult hun binnenste, als zij denken aan de straf, die zij rechtmatig verdiend hebben. O, hoe machtig wordt hier de stem van het geweten openbaar, dat geweten, dat tot nog toe geslapen had en doof was. Nu ontwaakt het en de groote schuld wordt gezien en het gedenken daaraan steekt als een scherpe doorn in hunne ziel. Wat zullen wij doen, mannen broeders! Deze vraag welt op uit die verslagen harten. Werd er te voren gevraagd op een toon van spotternij of nieuwsgierigheid: Wat mag dit toch zijn? nu komen zij met de heilbegeerige vraag: Och! mannen broeders! geeft ons raad.
Gezegende verandering voorwaar! Wierp men te voren die "mannen broeders" uit de synagoge, nu noemen zij ze niet alleen »broeders«, als nakomelmgen van Abraham, maar nu begeert men met dezen die andere broederschap te deelen, van welke de gekruiste Heere 't middelpunt uitmaakt.
Is er ook voor ons nog raad, zoo vragen ze, wij, die een zware schuld op ons geladen hebben en deswege rechtvaardig straf hebben verdiend? O, gelukkig, wij weten het: zulk een droefheid leidt niet tot wanhoop, want de Heere heeft deze door den Heiligen Geest zelf veroorzaakt, en Hij laat nooit varen het werk Zijner handen, maar werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid.
Gezegende toestand, als het hart bereidwillig is gemaakt door den Heiligen Geest om te vragen naar genade, naar vergeving, naar uitdelging der groote schuld.
Kennen ook wij persoonlijk die verslagenheid des harten? Van nature niet, dan zijn wij hoorende doof en ziende blind. En ziet, nog komt de Heere zoo dikwijls waarschuwen, inzonderheid door de stem des Woords. En toch, het gaat menig oor voorbij. Gezegend, als de Heere komt met die machtige werking des Heiligen Geestes. Als Hij dien Geest gebiedt: Gij Geest, ga uit en blaas in die dooden. Ja, dan komt er een groote verandering. Het stugge hart wordt verbroken en verbrijzeld, het oog wordt ontsloten, men ziet met schrik en beving dat men zwaar gezondigd heeft en men beaamt wat de dichter van Psalm 25 zegt: Ik heb tegen U, o Heere! zwaar en menigmaal misdreven. Dan wordt gekend die ware droefheid over onze zonden, dan wordt daar een bedelen geboren om genade, dan roept, dan smeekt, dan worstelt het doorwonde hart: Och, Heere! och wierd mijn ziel door U gered.
Is er ook voor mij, voor zulk éénen, die zóó zwaar heeft gezondigd, nog raad? Zou er nog voor mij, gansch onwaardige, melaatsch tot de diepste levensvezel toe, nog een middel wezen om de straf te ontkomen en tot genade te komen?
Zeker! daar is raad bij den Borg en Middelaar Jezus Christus.
Op deze heilbegeerige vraag ontvingen die verslagenen een veelbeteekenend antwoord, n.l. dit: Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Bekeert u. De apostel wijst hier den weg en het middel aan tot vergeving en verzoening, en daarop doet hij hun de belofte van genade. Waar echter een uiterlijke bekeering, dat wil zeggen een omkeering in den levenswandel niet de vrucht is des Heiligen Geestes, b.v. een dronkaard betert zijn uiterlijk levensgedrag wegens de nadeelige gevolgen, die het voor zijn lichaam nalaat, daar is de b e k e e r i n g des harten, de inwendige vernieuwing des harten steeds een gewrocht van den Heiligen Geest. De Apostel wijst er hen op, dat zij met hun schuld en zonden tot den Heere moesten vluchten en daar worstelende voor den troon der genade die schuld belijden, en Zijne genade inroepen, erkennende dat de Heere rechtvaardig hen van Zich kon stooten en dat zij den dood, ja, den eeuwigen dood hadden verdiend. Ja, daar nederliggende mochten zij roepen om dien Jezus, die nu als Borg en Middelaar gezeten is ter rechterhand Gods des Vaders, pleitende op het bloed der verzoening dat Hij heeft gestort juist voor in zich zelven verlorene, verslagene, diep onwaardige zondaren.
En een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Ja, het zegel des doops en de gave des Heiligen Geestes worden hierbij verzekerd. Tot dien Heere mochten zij zich dus wenden met hun angst der ziel in dezen dag der benauwdheid, en zij zouden het ondervinden dat de Heere zulke boetvaardige bedelaars geenszins afwijst, maar zich in nederbuigende genade over hen wil ontfermen.
Hoe treffend zien wij alzoo hier bevestigd, dat waar de Heere werkt, er ook uitkomst is te vinden. Hij is het die door Zijn Woord en Geest harde harten verbrijzelt, maar Hij bezit ook balsem om die verslagene en verbrijzelde harten te genezen. Het harde hart der schare, dat niet brak bij het aanschouwen van het vreeselijk lijden des Heeren, inzonderheid aan het kruis, waarbij de steenen haast zouden spreken, zóó ongevoelig en hard maakt de zonde, dat hart wordt verslagen en verteederd en verbrijzeld als de Heilige Geest het Woord aan de harten bindt.
En ziet, wat te voren geschiedde, gebeurt thans nog. leder begenadigde staat daar als een gewrocht des Heiligen Geestes, en meer malen is daarbij Gods Woord het middel. Steeds klinkt Zijn Woord: Gij slechten! hoelang zult gij de slechtigheid beminnen? en de spotters voor zich de spotternij begeeren en de zotten wetenschap haten? Keert u tot mijne bestraffing. Ziet, Ik zal mijnen Geest u overvloedig uitstorten. Ik zal Mijne woorden u bekend maken. Ja, als de Heere Zijn Geest uitzendt en Zijn Woord gaat bedauwen, voorwaar, dan blijkt Hij de machtige te zijn, die verharde en verstokte zondaren rukt als een vuurbrand uit het vuur en ze tot toonbeelden komt te stellen van Zijne wonderbare vrijmachtige genade. Heeft ook de Apostel Paulus het niet kennelijk ervaren? Heeft de Heere hem, die een vervolger en verdrukker van Zijne gemeente was, niet gesteld als een pilaar in Zijn tempel, als een uitverkoren vat om Zijn naam te dragen voor de heidenen, zoodat deze in diepen ootmoed betuigen mocht: Maar mij, "o n w a a r d i g e", is barmhartigheid geschied.
Steeds blijft dus de prediking des Woord noodig, al staan ook den Heere allerlei andere middelen ten dienste. Van nature zijn wij allen, evenals de Joden, schuldenaren voor den Heere; door onze zonden hebben wij Hem aan het kruis gehecht, waar ook wij overtreders zijn van Zijn heilige geboden. Hoevele jaren zijn daar voor velen reeds voorbij gegaan, die daar in den dienst der zonde werden doorgebracht, hoevele waarschuwingen in den wind geslagen, hoe veel schade alzoo zichzelven berokkend. En nog houdt de Heere niet op te waarschuwen, nog klopt Hij zoo menigmaal aan de deur des harten ook door de stem des Woords, en steeds is het antwoord nog: Voor ditmaal ga heen, als ik gelegener tijd zal hebben bekomen, dan zal ik eens over de geestelijke belangen nadenken. En intusschen snelt de tijd voort en komt soms plotseling en onverwacht de dood, die de ziel plaatst voor den Rechterstoel om rekenschap te geven van haar rentmeesterschap. De tijd der voorbereiding is dan voor goed afgesloten en het lot beslist, en als dan de ziel verwezen wordt naar het oord der eeuwige smart, zal er een eeuwig naberouw zijn over den verbeuzelden tijd der voorbereiding. Nog is de lankmoedigheid des Heeren niet uitgeput, nog is de poort der genade geopend, maar eenmaal komt er een einde aan. Och! haast u dan om uws levens wille. Gelukkig diegenen onder ons, wien die roerselen des Heiligen Geestes bij aanvang of voortgang niet vreemd zijn, die Zijne aanraking hebben ervaren en die kennis hebben aan die verslagenheid en verbrijzeling des harten, die op den Pinksterdag te Jeruzalem openbaar werd. Als die Geest daar in de binnenkameren onzes harten gaat werken, dan komen wij alras tot de vreeselijke ontdekking dat wij voor een heilig en rechtvaardig God in en van onszelven niet kunnen bestaan, want die Geest bepaalt ons bij onze overtredingen van der jeugd afaan, doet die zonden zien in hare ware gedaante. O, dan valt het deugdenkleed af, men ziet zich als zondaar, men erkent dat men rechtvaardig verloren moet gaan, en met gewetenswroeging beseft men dat men voor den Heere gansoh en al verwerpelijk is. Bij die erkentenis, bij die ontdekking door de onwederstaanbare werking des Heiligen Geestes, schreit de ziel over de diepte harer ellende, en het oog stort tranen, terwijl de verslagene en verbrijzelde nauwelijks de oogen naar Boven durft opheffen, maar van verre staande, op zijn borst slaande, uitroept met den tollenaar: O, God! wees mij, zondaar, genadig. O, dan in het stof neergebogen roept hij uit: Zou er voor zulk éénen, zulk een zondaar, nog raad zijn? Voorwaar! nog steeds klinkt den verbrijzelden de bemoedigende tijding tegen: Daar is vergeving in Jezus, den Gekruisigde, maar thans de verheerlijkte Koning in den hemel. Ja, in het dal van Achor is een deur der hope geopend in den Borg en Middelaar Jezus Christus. Daarom zal ook de verbrijzelde van harte, die daar met ernstige droefheid is aangedaan over zijne zonde, door den Heiligen Geest worden gewezen op dien eenigen Naam ter zaligheid gegeven. Die Heere is de levensbron voor dorstende zielen. Die fontein is nooit uitgeput en geeft steeds genade voor genade.
Moegestredene zielen! tot dien Heere dan gevlucht, en wijst Satan u voortdurend op uwe zonden en komt deze met zijne verderfelijke influisteringen, als zouden die zonden te groot zijn om vergeven te kunnen worden, wedersta hem in des Heeren kracht en pleit op des Heeren Woord: dat bij den Heere! Heere! uitkomsten zijn zelfs tegen den dood en dat het bloed van Jezus reinigt van alle zonden. Bedel maar veel bij den troon der genade om meerder licht, om ondersteuning en bewaring, opdat gij niet alleen kennis moogt hebben aan vergevende genade, maar ook bevestigende genade; ja, mocht het zijn, verzegelende genade.
Gelukkig diegenen, die niet alleen die verslagenheid kennen over hunne zonde, maar die ook bij oogenblikken de vertroostingen des Heiligen Geestes mogen genieten. Zij hebben bij aanvang ontvangen sieraad voor asch, het gewaad des lofs voor een benauwden geest. O, hoe troostvol die gedachte te mogen gelooven: die J e z u s is ook m ij n B o r g. Hij heeft ook voor mij betaald. Als de ziel daarbij ingeleid wordt, vloeit zij over van dank en aanbidding. Waarom die genade aan mij bewezen? zoo roept zij uit, ik, die den dood gansch en al heb verdiend?
Ziet, in het strijdperk van dit leven zal het blijven voor de ziel eb en vloed. Veel droefheid over aanklevende zonden afgewisseld met oogenblikken van een toeven op Thabor, korte oogenblikken.
Doch, hier een lichte verdrukking, eenmaal een eeuwig wonen in den hemel, om eeuwig die vrije genade groot te maken, aan verlorenen bewezen.
W e z e p.                                                                                N. WARMOLTS

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's