STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De handopening voor een beroeping.
Bij de behandeling van het VIIde Hoofdstuk der Staatsbegrooting — Departement financiën — heeft ds. Zandt in navolging van prof. Visscher bij een vorige gelegenheid, het belangrijke vraagstuk van de bemoeienis van den Minister van Financiën bij de handopening voor een beroeping in verband met het Reglement op de Predikantstractementen ter sprake gebracht.
Het Staatkundig Gereformeerde Kamerlid stelde mr. de Geer de vraag: of deze ingeval in een bestaande vacature een kerkeraad der Nederlandsch Hervormde Kerk zich tot den Minister wendt met verzoek om handopening voor een beroeping, bereid is, die handopening te verleenen.
Met prof. dr. Van Apeldoorn verklaarde Zandt van oordeel te zijn, dat die kerkeraad recht heeft, dat ook zonder tusschenkomst van het Classicaal Bestuur aan dat verzoek wordt voldaan. Zoals men weet, wordt deze materie geregeld in het Koninklijk Besluit van 15 december 1861, luidende:
"Voor tot vervulling der vacature eener predikantsplaats bij een der Protestante Kerkgenootschappen, waar van 's Landswege tractement of andere voordeelen aan zijn verbonden, over te gaan, doet de bevoegde kerkeraad aanvrage bij het Departement voor de Zaken van den Hervormden Eeredienst enz. (tegenwoordig 't Departement van Financiën) het verlangen eener autorisatie, teneinde aan den te beroepen leeraar, met het beroep, tevens het bedrag dier laatstelijk aan de standplaats verbonden inkomsten te kunnen aanbieden".
Men ziet, in dit voorschrift wordt met geen woord gerept van het Classicaal Bestuur. Het antwoord dat de Minister van Financiën op de vraag van den heer Zandt gaf en dat o.i. zekerlijk de aandacht verdient, luidde:
"lk kom nu tot een andere kerkelijke kwestie, die aangesneden is door den heer Zandt, en die inderdaad op een gegeven moment eenig belang kan krijgen voor den Minister van Financiën, maar op het oogenblik heeft zij dat nog niet. Ik bedoel het volgende. Het vaste gebruik is, dat, wanneer in een bepaalde gemeente een vacature is, de kerkeraad aan het classicaal bestuur handopening bij den Minister vraagt, d.w.z. het tractement wordt pas uitgekeerd na die aanvrage. Het classicaal bestuur zendt de aanvrage door naar den Minister. Nu is vier jaar geleden, tijdens mijn vorigen ambtsduur, een vraag gedaan door het kerkbestuur van Hagestein, of de kerkeraad niet rechtstreeks die aanvraag aan den Mmister kon zenden. Dat had belang, omdat de Nederlandsch Hervormde Kerk een nieuw reglement had aangenomen, dat de gemeenten een bepaald quotum verplichtte af te dragen voor een bepaald doel. Sommige gemeenten weigerden dat en dan was de sanctie daarop dat geen handopening doorgezonden werd, als de gemeente zich niet onderwierp, zoodat zij de vacature niet vervullen kon. Toen heeft den kerkeraad van Hagestein zelf de aanvraag ingediend, en hij vond steun in het advies van een bekend jurist. Ik heb daartegenover een ander juridisch advies ontvangen van den advocaat van de Synode. Terwijl ik de zaak onderzocht, kwam het bericht van Hagestein, dat het zijn aanvraag introk.
Ik heb hedenochtend vernomen, dat dit sindsdien nog een enkele maal is voorgekomen, maar dat ook toen de aanvraag weer is ingetrokken voordat een beslissing viel. Mocht de zaak nog eens door een gemeente worden aangevat, dan zal uiteraard aan de hand van de verschillende argumenten, die de heeren aanvoeren, deze materie moeten worden onderzocht".
Dit antwoord van mr. de Geer lijkt ons niet zonder beteekenis. Het zou zeker de moeite waard zijn, zoo de zaak eens werd onderzocht, en dit onderzoek van de Regeering een beslissing uitlokte.
De zaak verdient zekerlijk wel de aandacht.
Een aangeboden dienst.
De lezer, die met aandacht den aanhef van het hierboven staande antwoord van den Minister van Financiën gelezen heeft, zal onwillekeurig vragen, nu de Minister sprak van "een andere kerkelijke kwestie" , welk vraagstuk aan het betoog van den Minister dan wel vooraf ging. Dit punt betrof een opmerking van een ander predikant-Kamerlid, n.l. van ds. Lingbeek. De heer Lingbeek had gepleit voor het subsidie aan een predikantsplaats in de gemeente Amsterdam over het IJ. Daarvan zeide Minister de Geer nu, en daarop doelde hij met »die andere kerkelijke kwestie«:
"Die gemeente, die onder de pastorale leiding staat van den zoon van mijn geachten ambtgenoot van Koloniën, staat bij mij natuurlijk reeds daarom in hoog aanzien. Maar ik moet toch voorshands betwijfelen, of die gemeente wel valt onder de normen, die ik in een vorig debat heb genoemd als gedurende meer dan een kwarteeuw gevolgd ten aanzien van het subsidiëeren van nieuwe predikantsplaatsen. Intusschen hoor ik vanochtend spontaan van het, bestuur van die gemeente, dat het voorloopig niet van plan was een aanvraag in te dienen, en dat het van de redevoering van den heer Lingbeek vreemd had opgezien. Als het bestuur, het voornemen mocht koesteren subsidie te vragen, zal het zoo vrij zijn zelf zich tot den Minister te wenden". Hier kwam ds. Lingbeek met de kous op den kop van de reis thuis.
Ook bij deze gelegenheid moest het lid van de Hervormde Staatspartij ervaren de waarheid van het spreekwoord: dat aangeboden diensten niet altijd aangenaam zijn. De zaak welke ds. Zandt bepleitte was dan ook heel wat belangrijker dan de opmerking welke ds. Lingbeek maakte.
Onze Jongelingsbond.
Op Maandag 24 Mei, 2den Pinksterdag, houdt de Bond van Nederlandsche Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag, d.w.z. onze Jongelingsbond, te Utrecht in het »Jaarbeursebouw« zijn 16de jaarvergadering. Het programma voor den Bondsdag is rijk gevuld. Behalve de huishoudelijke werkzaamheden en een groot aantal voorstellen, welke in behandeling zullen komen, bevat de agenda twee referaten, één van ds. Beekenkamp uit Leiden over »Lutheranisme of Calvinisme« in de morgenvergadering, en een tweede van ds. Bartlema uit Zeist over »< getuigen« in de middagvergadering.
Met groote blijdschap namen wij onlangs uit het jaarboekje van den Bond kennis, dat het aantal af deelingen is gegroeid tot 102 met 2238 leden. Toch trekt het de aandacht, als men de lijst der aangesloten Vereenigingen nagaat, dat er nog zoovele gemeenten zijn, waar de Gereformeerde prediking begeerd wordt, doch die in deze lijst met hunne Jongelings vereeniging niet staan vermeld. Dit moet anders worden. Onze Bond is het waard, dat alle Jongelingen in de Ned. Hervormde Kerk, die van Gereformeerde belijdenis zijn, bij hem aansluiten. In dien Bond is hun plaats, teneinde zich aldaar te scharen om de banier van Gods Woord en die banier uit te dragen op alle terrein des levens. Van jongelieden, die onder die banier strijden, is voor Kerk en maatschappij, onder des Heeren zegen, een rijke vrucht te verwachten.
Het zij Maandag a.s. een gezegende samenkomst voor onzen Jongelingsbond te Utrecht, en mogen er velen lust hebben om daar te gaan genieten van het goede, wat, onder Gods gunste, zal te verkrijgen zijn. God zegene onzen Bond en zijn leden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's