De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

Het Calvinisme (17)
Een geheel ander standpunt werd weer opgenomen in de „Grondwet voor de Verenigde Nederlanden van den 29 Maart 1814. Daar vinden we in art. 139 deze formuleering: „Onverminderd het recht en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit 's Lands Kas genieten. "Hier was", aldus prof. Rutgers in een noot op blz. 37 van zijn vroeger genoemde rectorale rede, „geen sprake van terugkeer tot den vroegeren toestand, noch ook van een regelingsrecht in het algemeen, dat de overheid als zoodanig bezitten zou. Al het recht dat de Overheid zich te dien aanzien toekende, stond en viel met het feit, dat geene Kerk uit 's Lands Kas gelden aannam.
De Overheid proclameerde hier dus niet het recht als zoodanig, om over de Kerken heerschappij te voeren of zich met kerkelijke zaken te bemoeien; alleen kwam het toch weer bedenkelijk dichtbij ten opzichte van de gezindheden, die met de zilveren koorden aan den Staat verbonden waren.
Maar ..... wat in 1814 was geformuleerd werd niet gehandhaafd, toen het (Roomsche) België kort daarna met de Nederlanden vereenigd werd.
In de „Grondwet voor het Koninkrijk der landen van 1815" kwam in art. 195 daarvoor in de plaats: „De Koning zorgt dat de toegestane penningen, die voor den openbaren Godsdienst uit 's Lands Kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn".
Deze bepaling liet dus de organisatie en de inrichting der Kerk geheel vrij van Overheidsbemoeiing. En deze belaling is bij de wijziging der Grondwet in 1848 weer geheel weggevallen.
Zoo is de toestand van heden radicaal anders dan vroeger — maar intusschen hebben wij in 1816 die inmenging van de Regeering in de organisatie en inrichting van de Hervormde Kerk gekregen — natuurlijk niet in de Roomsche Kerk, die weet wel van zich af te bijten — die voor heel de geschiedenis des Heeren Kerk in dezen lande van zoo grote beteekenis is geweest; helaas vol ellende en verdriet.
Dit onderwerp doet ons nog weer eens teruggrijpen naar de geschiedenis te Geneve en de dagen van Calvijn. Want 1816 met het ingrijpen van den Vorst in de zaken der Kerk doet ons denken aan Luther en aan de toestanden in het Luthersche Duitschland, waar Koning Willem I, vóór zijn kroning zwervende zijnde in den vreemde, verkeerd heeft. Daar, in Duitschland, als gevolg van Luther's leeringen, heerschte de mening, dat de Vorst geroepen was de kerkelijke aangelegenheden te regelen, culus regio, culus religio — d.w.z. die de regeering heeft bepaalt ook den godsdienst van het volk. Dat is Luthersch! Maar hoe was het nu bij Calvijn in Genève en wat is Calvinistisch in dezen?
Bij Calvijn in Genève is het een langdurige worsteling geweest om te komen tot het rechte inzicht inzake de verhouding van overheid en Kerk. Theorie en practijk botsten telkens tegen elkaar in, terwijl ook in de theorieën, deze zaken betreffende de groote reformator niet aanstonds wist wat in deze eisch van God was.
In den laatsten tijd zijn er tal van geschriften verschenen, die over de toestanden in Genève tijdens Calvijns verblijf aldaar licht verspreiden. Zo heeft o.a. C.A. Cor.... llus in de serie „Schriften des Vereins für Reformationsgeschichte" een boek doen verschijnen, dat handelt over het ontstaan en den inhoud der Ordonnances ecclésiastiques (de kerkelijke verordeningen), uitgegeven te Leipzig 1899. En Hans H a u s z h e r r gaf in 1923: D e r Staat in C a l v i n s G e d a n k e n w e lt, waarvan het Tweede hoofdstuk heet: Staat en Kierk in Geneve, (blz. 20-49).
Een vertaling van dat belangrijke hoofdstuk — door vriendenhand ons in vertaling voorgelegd — laten we hier volgen:
„De kerkelijke verordening, die de wetgevende machten der stad Geneve in November 1541 aannamen, hield Calvijn, de krachteloosheid van den tijd in aanmerking genomen, voor draaglijk. Slechts die gedeelten der Ordonnances ecclesiastiques, die de betrekking der Kerk tot de wereldlijke macht, den raad der stad, regelen, bespreken we hier.
De hoogste overheid der Kerk is de Kerkeraad (das Konsistorium), die uit geestelijken, de predikanten, en uit leeken, de ouderlingen, bestaat. Hier moet nader onderzocht worden hoe de leden van den kerkeraad gekozen werden en wat tot zijn werkzaamheden behoorde.
De predikanten vullen elkander aan door coöptatie. De candidaat moet vooraf aan den gemeenteraad worden bekend gemaakt; de keus moet door den raad bekrachtigd worden; hij beslist daarbij volgens vrije beschikking.
De gekozene wondt aan het volk voorgesteld; de toelating heeft plaats door gemeenschappelijke goedkeuring der gemeente.
Misslagen der predikanten van wereldlijken aard ressorteeren onder den wereldlijken rechter; behalve de gewone straf moet afzetting plaats hebben. Andere overtredingen worden allereerst door den kerkeraad behandeld. Deze legt den gemeenteraad rapport en vonnis voor, zoodat deze steeds de laatste beslissing over de straf behoudt. Bij oneenigheden over de leer moeten de predikanten het geschilpunt door discussie onderling, zoo noodig met de ouderlingen samen, trachten uit den weg te ruimen. Blijft een der partijen hardnekkig, dan moet de stedelijke Overheid orde tot stand brengen.
De ouderlingen, het leeken-element, zijn afgevaardigden van den raad der stad: 2 uit den Kleinen Raad; 4 uit den Raad van Zestig; 6 uit den Raad van Tweehonderd. Ze worden door den Kleinen Raad, na be­sprekingen met de predikanten, gekozen en moeten door den Grooten Raad bekrachtigd worden. Na de ieder jaar plaats heb­bende gemeenteraadsverkiezing moeten de ouderlingen zich aan de regeering voorstellen, opdat deze overwegen kan, of ze gehandhaafd moeten worden. Hebben ze hun plicht trouw vervuld, dan behooren ze zonder oorzaak niet door anderen te worden vervangen.
De kerkeraad heeft dus slechts het geestelijk zwaard van het Woord Gods in handen. Hij kan tot de uitsluiting van het Avondmaal, tot den ban, zelfstandig besluiten, heeft daarmee geestelijke rechterlijke macht. De kerkeraad kan den hardnekkigen zondaar voor een wereldlijke straf bij den Raad aanklagen. De gewone rechterlijke macht van de burgerlijke Overheid en de autoriteit van den Raad blijft onaangetast. Toch laat dit laatste aanvullingsartikel van den Raad altijd de uitlegging toe, dat de kerkeraad slechts een vermaning of terechtwijzing kan geven, terwijl de laatste beslissing steeds bij den Raad berust. De kerkeraad komt iedere week bij elkaar. Daar hij geen dwingende macht bezit, is hem een ambtenaar toegevoegd, die de dagvaardingen uitvoert. Weigert iemand te verschijnen, dan moet de kerkeraad dat aan den Raad berichten.
De predikanten zweren bij de aanvaarding van hun ambt, de Ordonnances te houden, voor de eer en het voordeel van de stad te waken, het volk in vrede en in gehoorzaamheid aan den Raad te bewaren, en als voorbeelden voor anderen aan al de wetten der stad te gehoorzamen, behoudens de vrijheid van hun ambtsplichten.
De Raad heeft in een proclamatie, waarin hij zijn programma uiteenzette, uitgegeven den 18den Januari 1549, aan de burgers der stad bekend gemaakt, hoe het zijn positie opvatte. Hij zou eens rekenschap moeten afleggen aangaande het volk, dat Gods genade aan zijn hoede had toevertrouwd. Hij kon de verachting van het Heilig Woord en zijner Ordonnances niet langer aan zien; hij hield het voor zijn plicht tusschen beide te komen. Hij wilde met alle macht en ijver er voor zorgen, dat alle onderdanen een christelijk leven leidden. Zoo vermaant hij de huisvaders, zijn ambtenaren en predikanten zich met hun gansche kracht en beter dan tot nu toe, daarvoor in te spannen.

Wij weten, dat dat geheel de plichten zijn die Calvijn zelf voor die eener christelijke Overheid houdt. Zij moet zich aan haar Kerk gelegen laten liggen, moet voor haar zorgen en verkeerde toestanden afschaffen. En nog meer: Slechts als dit gevoelen bij de Overheid leefde, konden de Ordonnances ecclésiastiques eigenlijk alleen maar functioneeren. De gewillige medewerking der wereldlijke Overheid was de voornaamste voorwaarde voor het welslagen der kerkelijke verordening. Deze verordening had echter leemten: wanneer kerkeraad en Gemeenteraad bij de predikantskeus niet tot overeenstemming konden komen, of wanneer de wereldlijke macht niet genegen was, het vonnis van den kerkeraad te ondersteunen, dan moest een toestand intreden, waarvoor geen bepaling der Kerkordening een oplossing wist. Wilde de Kerkordening functioneeren, dan moest het eene deel zich door het andere laten leiden. Calvijn was te groot, om geleid te worden. Maar de Ordonnances ecclésiastiques waren een instrument, waarop een Raad, die meer beteekende, een heel andere melodie zou gespeeld hebben. De inhoud, die de Kerkordening in Calvijn's tijd had, berustte geheel op zijn persoonlijkheid. Reeds zijn opvolger Beza heeft deze positie der Kerk niet kunnen handhaven". (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's