De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De dierbaarheid van Christus*)

13 minuten leestijd

„U dan, die gelooft, is Hij dierbaar". 1 Petrus 2 vers 7a.

In den laatsten tijd werden wij bijzonder bepaald bij den persoon en het werk van Christus, waarde lezers. Het ging altijd in de bediening des Woords maar bijzonder over Hem, Zijn geboorte, leven, lijden, dood, opstanding en hemelvaart.
Zou er zoo geen gevaar ontstaan, dat er te veel over Hem gehandeld werd? In geenen deele, lezers. Want nooit kan er te veel van Christus gesproken worden, wijl dit een stof is, die onuitputtelijk rijk is. Daarbij komt, dat als over Christus gepredikt en geschreven wordt, altijd de vraag naar voren komt van onze verhouding tegenover Hem. Daarom wil een kind des Heeren, als het wèl met hem gesteld is, niets liever dan maar bij Christus bepaald te worden. Wat had Paulus al van Hem leeren kennen en hoe wenschte hij toch maar in die kennis toe te mogen nemen, wat hij tot uitdrukking brengt in dat woord: opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding. Filipp. 3. Nog altijd wenschte hij meer Christus te mogen gewinnen. Daartoe wenschte hij alles, dat achter was, te vergeten en zich te strekken naar hetgeen dat voor hem was.
Welk een onderscheid maakte hij daarin uit met velen van onzen tijd, ook van hen, die Christus wel mochten leeren kennen en de kracht Zijner opstanding ervaren. Hoe kunnen zij nog veelszins blijven verwijlen bij hetgeen achter is en wat is er menigmaal weinig behoefte om in de kennis van Christus, de levende bevinding van wat Hij in Zijn persoon en werk is, toe te mogen nemen. Hoevelen zijn er ook, in wie wel waarlijk bij aanvang de ritseling des geestelijken levens mocht worden vernomen, zoodat zij wel met zichzelf te doen krijgen, maar die nog zoo weinig rechte behoefte aan Christus hebben. Wij zwijgen nog van zoo onnoemelijk velen, die blijk geven dat zij in het geheel geen behoefte aan Hém hebben.
Hoe dit alles komt? Omdat zoo schaars wordt opgemerkt, wat Petrus schrijven mocht aan de geloovigen, tot wie hij zijn brief richtte: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Daar moet eerst waarlijk dierbaarheid in Christus worden gezien, zullen wij daadwerkelijk behoefte aan Hem hebben.
Er wordt nog wel gesproken en gepredikt over de noodzakelijkheid, dierbaarheid, en algenoegzame gepastheid van Christus, maar bij hoevelen geldt het, dat het met woorden genoeg schijnt te zijn. Wanneer er echter iets gekend wordt en daadwerkelijk wordt doorleefd van wie Christus in Zijn persoon en werk is, dan vindt dit woord van Petrus innigen weerklank in het hart.
Maar, wat wil dat zeggen, dat Hij dierbaar is. Het is, dat Hij op hoogen prijs wordt geschat, dat Hij zulken van hooge waarde blijkt te wezen, dat er groot belang aan Hem voor hen is verbonden. Zoo toch is het met alle zaken, die voor den mensch hooge waarde bezitten, het is hem dierbaar. Daar hebt ge des menschen leven, zijn gezondheid, zijn welstand voor het tijdelijk leven, zijn eer en goeden naam, zijn bezittingen, ja alles waarop hij bouwt. Wat zijn ze hem veel waard! Wat doet de mensch niet, als zijn leven in gevaar is, als zijn gezondheid in gevaar is. Wat reist hij uit en zoekt raad bij de meest kundige geneesheeren om baat voor ziekte of kwaal te vinden! Kosten noch moeiten ontziet hij, het is hem veel, zeer veel waard om toch maar genezing te mogen verkrijgen. Wat heeft de moeder over voor haar kranke kind, dat in ijlende koorts daar neerligt. Zij kan van de ziekesponde niet weg, zelf gunt zij zich geen rust om 't behoud van haar kind, haar zoo dierbaar.
Ja, wat is er al niet dierbaar in het leven des menschen, wat acht hij al niet kostelijk, wat heeft er veel in zijn oog hooge waardij. Veel dat werkelijk van beteekenis is, al is het dan ook slechts voor dit tijdelijk, dit stoffelijk leven. Maar ach, hoeveel ook dat geen waarde heeft. Hoe veel zingenot, ijdele eer, leege roem. Hoe wordt het als een groot goed beschouwd en daarom kostelijk, dierbaar, op hoogen prijs geschat, wat verleidelijk en verlokkend tegenblinkt, maar wat in het einde zal blijken holheid en ledigheid te zijn geweest, schijnschoon klatergoud. Ja, dat ten slotte nog enkel wroeging en naberouw den zondaar zal opleveren, als het blijken zal, dat hij zich heeft laten misleiden door den schijn en dat hij nu bedrogen uitkomt.
Doch, hoeveel hier op aarde dan nog werkelijk van waarde moge wezen, wat haalt het alles in beteekenis bij de dierbaarheid van Christus? Want, wie is Hij toch! Maar dat is nooit recht weer te geven, in volle werkelijkheid, naar rechte waardij uit te drukken.
Beschouwt gij Hem naar Zijn persoon, Hij vereenigt in Zich de ware Goddelijke en menschelijke natuur. Dat wil zeggen, dat Hij is God, boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Hij is de Almachtige, Heilige, Verhevene, de Hoogheerlijke God. De Zoon des Vaders, die Zijn Speelnoot was van eeuwigheid, in Wien de Vader al Zijn welbehagen heeft. Al de deugden van het Goddelijk Wezen schitteren in Hem volheerlijk uit. Hij is het Woord, door hetwelk alle ding geschapen is. Voor Hem buigen de reine en heilige Engelen zich met heiligen eerbied neder, wijl ze getroffen zijn door Zijn heilige, goddelijke majesteit. Hij is het. Die alle macht heeft in hemel en op aarde, die als de Koning der eere over het gansch heelal, over alle schepsel, dat Zich daar bevindt, den Koninklijken scepter voert.
Wij stippen slechts aan, daar we ook iets willen aanroeren, niet enkel van wat Hij was, maar ook van wat Hij heeft willen worden.
Hij behoefde het geen roof te achten Gode evengelijk te wezen en o, wonder, Hij heeft zich willen vernederen, zoozeer, dat Hij de gestalte van een mensch, een nietig schepsel, heeft willen aannemen. Hij heeft zich in het nietige broze vleesch des menschen willen hullen.
Ja, nog meer. Hij heeft zich zóó willen vernederen dat, waar Hij de Heere en Gebieder over alles was, Hij de gestalte van een dienstknecht heeft willen aannemen.
Nog meer. Hij heeft in die dienstknechtsgestalte willen dulden, lijden, allerlei ondergaan en doormaken. Hij heeft de schande geleden, de smaadheid gedragen. Hij heeft zich laten verguizen en uitwerpen, ja, — ondoorgrondelijk feit — Hij is zelfs den dood willen ingaan. Hij heeft den vloek en den toorn Gods tegen de zonde op zich willen nemen en tegen zich laten komen, waardoor Hij zich geheel heeft laten verbrijzelen. Hij heeft de helleangsten doorgemaakt in de ziel. Hij heeft zich naar het lichaam laten brengen in het kille graf. Maar Hij is daarvan ook niet kunnen gehouden worden, de aarde moest Hem uit haar schoot wedergeven. En Hij stond op en steeg nu tot heerlijkheid met nog heerlijker glans dan te voren, wijl nu in Zijnen Naam alle knie zich buigen moet in den hemel en op de aarde, als voor den Middelaar Gods en der menschen.
Daarom is Hem nu een Naam gegeven boven allen naam, dien eenigen Naam, die onder den hemel gegeven is, waardoor wij moeten zalig worden. Want in dit alles, wat Hij was, wat Hij heeft willen worden, wat Hij heeft willen doen en doormaken, is Hij de oorzaak der eeuwige zaligheid geworden van allen, die door Hem behouden worden.
In dit alles komt nu uit, waarin Hij dierbaar is. Zoo Hij toch enkel gebleven ware, Wie Hij was, dat zou Hem wel tot oneindige heerlijkheid hebben verstrekt, maar nooit zou een arm zondaar in Hem dierbaarheid hebben kunnen vinden. Veeleer zou het hem hebben verschrikt en benauwd. Dan zou het voor allen blijven gelden: wij kunnen niet zien het aangezicht desgenen, die op den troon zit.
Maar nu wordt het anders. Want nu Hij dit alles is willen worden en heeft willen doen, nu kan door Hem een arm, zondig mensch voor den hoogen God bestaan en leven, zaligheid verkrijgen. Nu kan die mensch weer verkrijgen heerlijke gemeenschap met God, die hij door zijn diepen zondeval was kwijtgeraakt. O, hoe verloren lag hij terneer! Zonder eenige mogelijkheid aan zijn zijde van herstel, van redding en behoud. Maar, daar kwam Christus neder en bracht alles tot stand, wat noodig was om verloren zondaren op te halen, te redden, Ie behouden. Hij stelde zich geheel en al in hunne plaats. Hij werd hunne wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing. Hij gaf zich om hun profeet, priester en koning te zijn. En niet enkel dat Hij alles voor hen verwierf, maar Hij maakt al Zijn verdiensten hun deelachtig. Dat doet Hij nu door Zijn Geest in hunne harten te zenden, die daar plaats maakt voor Hem en Zijn werk, voor Zijn verdiensten en heil. Die Geest maakt hen arm, opdat zij uit Christus' rijkdom zouden worden bediend, vernedert en verootmoedigt hen, opdat zij door Hem zouden worden opgericht, brengt hen in de schuld en in de onmogelijkheid om die schuld zelf te betalen, maar past hun ook Zijn verdiensten toe, opdat zij van hun schuld zouden worden ontheven.
Kortom, die Geest leert het hun, dat Christus' bloed hen reinigt van alle zonde, dat Zijn verdiensten hen genoeg zijn om alles voor hen te voldoen. Hij wordt en is en blijft voor hen het leven, hun alles. Hij is voor hen het begin, het midden en het einde. Alles en ten allen tijde wil Hij hun zijn, hun Borg, hun Zaligmaker, hun Heere en Koning. In allen nood en dood is Hij bij hen en voor hen. Met Hem verkrijgen zij alles, wat zij waarlijk behoeven. Door Hem wordt hun alles toegediend, wat zij voor den tijd en voor de eeuwigheid noodig hebben. Zoo wordt die Christus hun tot den eenigen troost in leven en in sterven en zij zijn eigendom, zoodat Hij hen niet zal laten verloren gaan en niemand hen uit Zijn hand zal rukken. En om alles, wat zij nu in Hem vinden, uit Hem verkrijgen, ja wat zij in Hem zien, dat zij eenmaal ten volle zullen deelachtig worden, als zij in Zijn heerlijklieid zullen worden ingeleid, is Hij hun dierbaar.
Als zij nu daarin zich eens verlustigen mogen, van Zijn heil en zaligheid mogen smaken, wat wordt Hij hen dan toch dierbaar! Niets kan daarmede vergeleken worden: Hoe dierbaar is een kind zijn ouders en die ouders hun kind menigmaal. Maar dierbaarder is hun Christus. Neen, dat is hun geen hard, onmeedoogend, onbegrijpelijk woord meer, dat Hij eenmaal sprak: die vader of moeder, zoon of dochter lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig. Want zij doorleven het, dat Hij hun boven alles dierbaar is.
Sterker nog. Wie heeft ooit alles kunnen opgeven, verlaten en vaarwel zeggen, wie heeft ooit zijn eigen leven gehaat? En toch om de dierbaarheid van Christus leeren zij alles schade en drek achten, hun leven zelfs verliezen, sterven zij van alles af, zelfs van zichzelf en al het hunne.
Vanwege die dierbaarheid zouden zij wel alles voor Hem zijn willen, zich geheel Hem willen geven. Al de uitgangen van hun hart en leven zijn dan op Hem gericht, hun ziel is van Hem vervuld. Het smart hun, wanneer zij gewaar worden dat zij nog al te veel koud en gevoelloos voor Hem kunnen zijn, dat hunne gedachten, hun hart en zinnen niet veel meer in beslag genomen worden door alles wat van Hem is, dat zij nog zoo traag en liefdeloos kunnen zijn. Want het is hun niet enkel maar om Zijn gaven, Zijn heil, maar om Zijn dierbaren Persoon te doen. Als zij Hem maar bezitten dan hebben zij alles.
Maar wie zijn dat toch, voor wie Hij dierbaar is, door wie Hij op hoogen prijs wordt geschat, van de hoogste waardij geacht?
Petrus duidt hen hier aan: U die gelooft. Nu, dan is het spoedig uitgemaakt, want er zijn heel wat geloovigen, ook zelfs nog in onzen tijd, die van zooveel ongeloof, bijgeloof en wangeloof vol is. Er zijn toch immers nog heel veel menschen, die aan godsdienst doen, al zijn er ook heel wat, die zeggen, dat zij er niet meer aan doen en daarmede hebben afgerekend. Daar zijn er zelfs nog heel veel, die zich beijveren voor en ijveren in hun godsdienst, die dat nog wel doen voor de waarheid, die er zelfs wel voor strijden op hunne wijze. Er zijn er zelfs, die er over kunnen praten en preeken, die het zoo nauwkeurig kunnen hooren en beoordeelen, dat het hun niet spoedig en niet gemakkelijk naar den zin te maken is. Zij loopen met de weegschaal en met den maatstaf niet zelden rond om te wegen, te meten en te keuren en toch worden zij hier niet bedoeld. Neen, zij niet, want met dit al is het de groote vraag, of wel waarlijk hun hart behoefte heeft aan Christus als Borg en Zaligmaker, of het wel om Hem en niet om henzelve te doen is. Of het er niet heimelijk om gaat, dat zij zelf geprezen en geëerd willen worden om hun voortreffelijkheid, hun eigen grootheid.
Wie het dan zijn, die gelooven? Och, lezers, laat u maar voorlichten door het verband van dit tekstwoord en neem dat maar heel ruim. Begin maar gerust met Hoofdstuk 1 vers 1 en lees dan maar door tot dit woord toe en verder. Dan zal het u wel blijken, dat hier sprake is niet van een oppervlakkig geloof, dat de waarheid toestemt met een ongeheiligd verstand en slechts in het hoofd zetelt, maar van dat geloof, dat door Gods Heiligen Geest in het hart wordt gewerkt, waardoor zulke geloovigen als levende steenen worden bearbeid en samengevoegd tot een geestelijk huis, een heilig priesterdom, dat alles vindt in en doet door Christus, die alles aan Hem te danken hebben en Gode aangenaam zijn niet door, iets van zichzelf maar enkel en uitsluitend door Hem. Die ook geen anderen roem hebben. Zelf zijn en hebben zij niets, maar Hij is hun alles. Het zijn al die arme zondaren in zichzelf, die op Hem hun hope leeren stellen, als op den eenigen maar algenoegzamen grond hunner zaligheid. Daarom achten zij niemand en niets dan Hem alleen dierbaar. Waarde Lezer of Lezeres, geldt dit, ook van u? Of kunt gij het nog buiten Hem stellen? Tot hoelang zal dat duren? Misschien totdat het te laat is? Vraag nog heden naar Hem, want buiten Hem zijt gij nergens en nooit veilig. Buiten Hem komt gij eeuwig om. Nu wil Hij zich nog in al Zijn dierbaarheid doen kennen, zelfs aan wederhoorigen.
Is het u misschien nog te doen om uw zaligheid, uw eeuwig behoud? Zoek dan Hem te mogen kennen en gewinnen, want daarin ligt alle heil en alle zaligheid besloten. Hoe gij Hem kunt verkrijgen? Door alles, al het uwe, te verliezen. Kunt gij dat niet? Voorzeker, want dat moet Hij door Zijn Geest u zelf leeren. Welnu, vraag Hem dan maar veel om dien Geest, opdat deze het u leere bij aanvang en voortgang. Laat dat uw bede zijn en blijven, gij die Hem waarlijk mocht leeren kennen, want al hebt ge nog zooveel van Hem mogen smaken, gij komt daar toch nooit mede aan het einde. Gij zult er uw leven lang wel voor noodig hebben en zult er in de zalige eeuwigheid niet uitgeput in raken, in wat Petrus u en heel Gods Kerk toevoegt: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.
P.                                                                                                                          J. V. A.


*Deze meditatie was bestemd voor het nummer van 1 Mei, maar moest door omstandigheden enkele weken overstaan. Red.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's