GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (18)
Hanz Hauszherr gaat in zijn boek: Der Staat in C a l v i n s G e d a n k e n w e l t (De Staat in Calvijn's gedachtenwereld) Hoofdst. II: Staat en Kerk in Geneve, aldus voort te schrijven: »De Katholieke Kerk eischt voor alle kwesties, die haar op de eene of andere manier raken, zélf de laatste beslissing op. Tegen een weerspannige Overheid heeft zij het rechtsmiddel van het interdict, terwijl in Genève de ban steeds alleen maar een enkelen zondaar, nooit de heele stad kan treffen. In de staatskerken der Duitsche vorsten en in de steden van het Berner Oberland, had de wereldlijke macht de laatste beslissing. Dat er in Geneve geen hoogere instantie was, dat dus ieder apart geval een nieuwe principiëele beslissing ten gunste van den eenen of van den anderen kant kon worden, maakte, dat beide machten elkaar met o n o p h o u d e l ij k wantrouwen gadesloegen en dat maakte een strijd zoo bitter.
De Middeleeuwen hebben steeds aan een voorbeschikte overeenstemming van geestelijke en wereldlijke macht geloofd, zóó vast geloofd, dat zij verstoringen dezer overeenstemming aan een boosaardig ingrijpen kon toeschrijven, dat de Satan had aangesticht. De oppositie van de Middeleeuwen zag daarin de kanker der kerk, dat zij door haar aardsche belangen haar eigenlijke geestelijke taak vergat. Ook de Reformatie heeft aan deze voorbeschikte overeenstemming geloofd. Zij kon den ouden eisch der oppositie religieus verdiepen en doorvoeren. Volgens C a l v ij n had de oppositie recht, zich er op te beroemen dat zij aan de wereldlijke macht het zwaard en de burgerlijke rechterlijke macht, die de priesters haar hadden ontroofd, weer teruggegeven had. De politieke problemen, die het gevolg waren van den nieuwen toestand, heeft ze weliswaar niet goed kunnen bestuderen, omdat ze immers een resultaat van ontwikkeling waren.
O r d o n n a n c e s e c c l é s i a s t i q u e s zijn één van de machtigste bewijzen voor dit geloof aan de overeenstemming. Dat is het ideaal: beide machten moeten hand aan hand gaan, moeten elkaar ondersteunen, niet hinderen. Zooals de Overheid door haar dwingende macht de Kerk van ergernissen zuivert, zoo zorgen de Dienaren des Woords, dat er niet zooveel zondigen en verlichten daardoor de taak van de wereldlijke macht. (Inst. IV.II. 3 slot).
Over de Kerkenordening werd eerst beraadslaagd door een Commissie, welke door den Raad der stad was benoemd. Het ontwerp werd tweemaal door den Kleine Raad veranderd, passeerde daarna als wel den Grooten Raad, om ten slotte aan den Algemeenen Raad meegedeeld te worden. Ze heeft dus den algemeenen weg der wetgeving afgelegd. De vergroote verordening van 1561 beval in een aanhangsel, allen burgers gehoorzaamheid aan de wet voor te leggen, tot deze langs den grondwettige weg veranderd zou worden.
Het canoniek recht is geestelijk recht. Rudolph Sohm, Weltliches und geistliches Recht, München und Leipzig. 1914. pag. Het is in de geheele Kerk van kracht en alleen daar, waar het van kracht is, is de Kerk. Het is altijd en overal van kracht en gaat bij conflict, vóór de wetgeving van Staat.
De Ordonnances ecclésiastiques zijn wereldlijk recht, zij zijn de hoofdwet van den Geneefschen Staat. Ze zijn van kracht, tot ze langs den weg der wetgeving veranderd worden en gelden slechts in Geneve. Hun rechtskarakter is dus even ver verwijderd van het canoniekrecht als van de moderne opvatting, voor welke 't Kerkrecht corporatie-recht is. Het boek over de wet zelf begint met de woorden: Er zijn vier ambten, die onze God voor het bestuur Zijner Kerk heeft ingesteld.
Dus, moeten wij ons afvragen, gaat het toch om geestelijk recht, is de aard der bekendmaking slechts een vorm, die niets aan het wezen van dit recht verandert? Wij voegen hieraan toe, dat Calvijn in zijn hoofdwerk er den nadruk op legt, dat Christus niet slechts tijdelijke regels, maar een altijd van kracht zijnde Orde voor de Kerk heeft willen geven. »En waarlijk, indien men de woorden van Christus nader overweegt, zoo zal men lichtelijk bevinden dat in dezelve niet eene tijdelijke, maar eene bepaalde en altoos durende orde der Kerk, beschreven wordt«. Inst. IV, 11. 4). Verder kan hij voorschriften over tucht scheiden van andere uitwendige verordeningen, die niet in Gods Woord voorgeschreven zijn. (IV. 12. 14). Op één plaats noemt hij naast Woord en Schrift ook tucht en ceremoniën als factoren van gelijke beteekenis voor de zuiverheid der Kerk.
Is dus, zoo vragen wij ons nog eens af, de verordening der vier ambten goddelijk recht?
Calvijn legt er dan den nadruk op, dat de Kerk ook niet in het kleinste van den vorm, dien de apostelen haar gegeven hadden, mocht afdwalen; maar hij is er zich toch ten volle van bewust, dat de tijd van de tucht, zooals die in de oude Kerk geheerscht heeft, ver verwijderd is. Daarin ligt de sleutel: De orde der Kerk, zooals die in de Schrift beschreven is, is een eeuwig voorbeeld. Men moet zich steeds inspannen, sdat voorbeeld nader te komen en men mag een schrede, die men eenmaal voor dat doel in die richting gedaan heeft, niet weer laten terug doen. Het ideaal blijft voor nienschen onbereikbaar. Geheel in dezen zin heet het in het aan de Ordonnances toegevoegde edikt, dat het uitgevaardigd is, om den echten, zuiveren regel van Gods Woord meer nabij te komen en zich daarnaar zooveel mogelijk te richten. Dat is het beslissende verschil: bestaat er een goddelijk Kerkrecht, dan is slechts daar de Kerk, waar dat recht van kracht is; bestaat er een goddelijk kerkrecht, dan is het heil der ziel gebonden aan de onderwerping aan zekere grondstellingen van het Kerkrecht. Bij Calvijn blijven Woord en Sacrament de alleen beslissende teekenen der Kerk. Zoo lang die recht bediend worden, mag niemand zich van de Kerk afscheiden. Men kan niet ontkennen, dat de afstand van Calvijn's standpunt tot een goddelijk recht, niet ver meer is; toch hebben eerst de Presbyterianen dezen stap werkelijk gedaan.
Het doel, dat Calvijn door de Ordonnances bereiken wilde, is de vrijheid der Kerk. Het lag in den aard der zaak, dat de Reformatie in de eerste plaats trachtte onafhankelijk van het pausdom te worden. Het pausdom heeft de vrijheid van de Kerk onderdrukt; het was een berooving der Kerk, als over haar een bisschop werd aangesteld, dien zij zelf niet gewenscht of wiens aanstelling zij ten minste vrijwillig goedgekeurd had. Dat gaf den vorsten gelegenheid, het voorstellen der bisschoppen voor zich op te eischen. (Inst. IV. 5. 2, 3). Roof was het, als de valsche bisschoppen aan de gemeente het recht van den ban ontrukten, en tyrannic, wanneer zij nieuwe dogma's smeedden en de ware leer vervolgden. (IV. 8. 10). Uit het leergezag, de keus der geestelijken en het recht van den ban, blijkt de vrijheid der Kerk. Leergezag, keus der geestelijken en recht van den ban moet zij ook tegenover de wereldlijke macht verdedigen.
Toen de geestelijkheid van Bern met de door den Raad der stad opgestelde Avondmaalsformule zonder meer ingestemd had, was Calvijn ten zeerste verontwaardigd. Hij acht het een zeer gevaarlijke benadeeling van het recht, dat zij den Raad der stad als rechter over de leer laat gelden, de leer dus aan eenige ongeleerde mannen in handen geeft.
Als na jaren de tegenstanders van Calvijn zich vooral in het gebied van Bern verzamelen, om van daaruit hun aanvallen op hem te richten, verzoekt hij den raad van Bern hun »den mond (Maul) te stoppen«, en richt zich juist tot den Raad, omdat over de leer in de wereldlijke rechtspleging niet mag gehandeld worden.
De Bernsche Raad moet echter alleen maar den hardnekkigen lasteraar straffen. De leer, de uitlegging der Schrift, staat absoluut vast; over haar heeft geen wereldlijke macht te oordeelen. De uitlegging der Schrift is zóó duidelijk, dat ieder, die van goeden wille is, haar moet inzien. Calvijn kan de steeds voortdurende aanvallen op de leer der prsedestinatie niet anders verklaren, dan dat de tegenstanders uit persoonlijken haat tegen hem, Calvijn, handelen. De mogelijkheid, dat de predikanten met den kerkeraad bij leergeschillen niet tot een oplossing kunnen komen, ligt buiten zijn gezichtskring. De Raad der stad moet dan hem, die zich hardnekkig tegen de zuivere waarheid verzet, straffen. Dat is ook de beteekenis van de paragraaf der Ordonnances; hij moet den Raad geenszins de hoogste beslissing over de leer geven.
Voor de verkiezing der geestelijken schrijft de Institutie van 1536 geen vaste methode voor. In ieder geval moeten een of twee beproefde, trouwe bisschoppen er aan mee doen. Of een bisschop echter door verkiezing der geheele gemeente, of door stemming van een speciaal voor dat doel bestemd college, of door een Overheidsbesluit moet worden benoemd, richt zich geheel naar de omstandigheden van tijd en plaats. Daar echter zooveel hoofden bijna niet tot een eenstemmig besluit kunnen komen, beveelt Calvijn aan, de keuze liever aan een college van ouderlingen of aan de Overheid over te laten. Wij moeten dus het volgende streven vaststellen: Het leekenclement moet zooveel mogelijk tot een college beperkt worden; het is beslist aan te bevelen, dat de wereldlijke Overheid zelf kiest; steeds echter moeten geestelijken daarbij uitgenoodigd worden voor advies.
De uitgave van de Institutie van 1543 vertoont een ander beeld: Calvijn bewijst nu uit het Nieuwe Testament, dat de wettige beroeping van de predikanten zóó moet geschieden, dat geschikte mannen met goedkeuring en instemming van de gemeente moeten worden gekozen. De verkiezing moet door andere predikanten worden geleid, om wanorde te verhinderen. Dat zijn toch heel belangrijke veranderingen! Het uit leeken bestaande verkiezingscollege is vervallen, de medewerking der wereldlijke macht is in het geheel niet genoemd, evenwel ook niet uitgesloten.
Tusschen de beide redacties der Institutie van 1536 en 1543 ligt de zware, eerste Geneefsche tijd, met al z'n wederwaardigheden. C a l v ij n heeft veel minder vertrouwen in de wereldlijke Overheid gekregen; hij wil onvoorwaardelijk voorkomen, dat zij de beslissing, die voor de Kerk de voornaamste is, alleen kan nemen. Blijkbaar heeft hij 't oude wantrouwen tegen verkiezing door het volk laten varen; maar in 1536 spreekt hij slechts van assistentie, nu, in 1543, van voorzitterschap der predikanten. Dat kon in de practijk toch een veel betere waarborg voor de verkiezing geven. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's