KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Staat „Manusje van alles".
Dr. Kromsigt van Oostwold schrijft in »de Geref. Kerk«, het orgaan der Confessioneele Vereeniging — zonder een antwoord te geven op bepaalde vragen, door ons in verband met deze kwestie gesteld — dat wij ds. Lingbeek c.s. onrecht aandoen, als we zeggen, dat deze menschen den Staat tot »Manusje van alles« willen maken. Wij blijven in dit orgaan en in deze rubriek staan bij Kerk en School. En dan zeggen we, dat ds. Lingbeek c.s. hier den Staat willen laten doen — e i s c h e n van den Staat — wat naar ons oordeel niet tot de competentie van den Staat — in casu van de Overheid — behoort. Wij kiezen krachtens ons Bijbelsch beginsel voor de bijzondere school; omdat de kinderen een erfdeel des Heeren zijn, aan de ouders gegeven ter verzorging, waardoor de ouders naar Gods ordinantie de eerste en de meest verantwoordelijke opvoeders van hun kroost zijn. Niet de Staat, maar de ouders behooren in principe voor de opvoeding en het onderwijs der kinderen zorg te dragen — en daarom kiezen wij niet voor de Staatsschool, maar voor de bijzondere school. Wij bouwen onze hope en verwachting niet op Burgemeester en Wethouders en Gemeenteraad, maar op de ouders, op de Schoolvereeniging, op het Bestuur.
Ds. Lingbeek c.s. promoveeren hier den Staat — in casu de Overheid — tot schoolmeester; 't welk naar onze meening, niet aan den Staat — de Overheid — toekomt. Kiezen wij voor de bijzondere school en dan de school met den Bijbel, — ds. Lingbeek c.s. kiezen voor de Overheidsschool. En ook als ze voor christelijk onderwijs zijn, kiezen ze niet voor de bijzondere school, maar voor de Overheidsschool; en dan de Overheidsschool met den Bijbel, door Wethouders en Gemeenteraad geïnstrueerd. Hier ligt tusschen ons en ds. Lingbeek c.s. een belangrijk principieel en practisch verschil, waarbij wij blijven zeggen, dat ds. Lingbeek c.s. den Staat willen maken tot een »Manusje van alles«. Voor de school, voor de opleiding van onderwijzers, enz. En dat geldt óók voor de Kerk. Wij zeggen, dat de Kerk een eigen stichting en planting Gods is, met eigen leven en levenswijze, van eigen rechte, staande onder de regeering en de verzorging van Jezus Christus, Sions Hoofd en Middelaar, Die zit aan de rechterhand des Vaders.
Jezus Christus heeft aan Zijn Kerk Z ij n wijze van samenleven gegeven, mee uitkomend in de ambten door H e m ingesteld. Zóó wil Hij, dat Zijn Kerk wordt opgebouwd, waarbij Hij Zelf straks Zijn Gemeente volmaakt zal voorstellen aan den Vader.
Die Kerk staat onder vigueur van 't eerste woord, door den Heere gesproken na den val: »lk zal vijandschap zetten«. De wereld zal altijd vijandig staan tegenover Christus' Kerk. En de Kerk zal altijd een strijd te voeren hebben tegen de wereld. Waarbij Christus gezegd heeft: »Ik ben met ulieden — vreest niet!« Zoo heeft de Kerk van Christus hier en overal een eigen weg, een eigen leven, een eigen recht, een eigen strijd, een eigen toekomst — geheel naar de ordinantie Gods. Nu zeggen wij — om maar een enkel woord hiervoor te gebruiken — dat de Kerk voor zichzelf zorgen moet.
Eigen diensten en ambten; vrij in prediking en sacramentsbediening en tuchtoefening; vrij in vergaderen; vrij in verzorging van predikanten, predikantsweduwen en - weezen; vrij in armverzorging; vrij in het stichten van predikantsplaatsen; vrij in de opleiding van predikanten — vrij, naar Gods Woord; vrij, onder het regiment van Jezus Christus; vrij, met de belofte des H. Geestes.
Maar ds. Lingbeek c.s. komen altijd aandragen met den Staat; met de Overheid; en zij werken er altijd op, dat de Overheid dit moet doen en dat de Staat dat moet doen; waarbij dan altijd het streven openbaar wordt, dat, door den invloed en de bemoeienissen en de zorgen van den Staat en van de Overheid, de Nederlandsche Hervormde Kerk de primeur bij alles zal hebben. Dat leggen ze als een plicht, als een taak en als een roeping aan den Staat en aan de Overheid op. Hierin is tusschen ds. Lingbeek c.s. en ons een principieel verschil.
En de geschiedenis is er voor, de geschiedenis vanaf de 3de en 4de eeuw, tot op den dag van heden, om te bewijzen, dat als men wil, wat ds. Lingbeek c.s. willen, dat men ook de consequenties moet aanvaarden en de gevolgen moet dragen, die krachtens het stelsel van ds. Lingbeek c.s. — en geenszins als »toevallige« omstandigheden — allernoodlottigst zijn voor de Kerk des Heeren; en in terugwerking daar van, ook allernoodlottigst voor het volksleven.
Door de geschiedenis geleerd en met de Heilige Schrift in de hand, staan wij principieel tegenover ds. Lingbeek c.s. en willen den Staat niet maken tot een »Manusje van alles«. Maar wij willen, voor Nederland, voor Duitschland, voor Oostenrijk, voor Engeland — voor alle landen: de school als een eigen instituut van onderwijs en opvoeding, als de bijzondere school en geenszins als een Staatsschool. Terwijl wij de Kerk, de Kerk van Christus, hier en in alle landen, willen niet als een Staatskerk, maar als het gebouw Gods, dat bekwamelijk saamgevoegd is en dat naar uitwijzen van Gods Woord, op Bijbelsche wijze dus, wordt verzorgd en bevestigd en uitgebouwd, vrij en frank onder het regiment van Sions verheerlijkten Koning, Die dagelijks voor de Zijnen bidt, over hen waakt en hen bewaart.
Het wezen van den valschen godsdienst.
Bij het lezen van dr. Kleyn: Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente, maakten we deze aanteekening, die we vonden op blz. 28 en die we hier weergeven:
»Naar de overtuiging der oorspronkelijke Gereformeerden moet elke godsdienstige vergadering, die niet ingelijfd wordt bij de publieke Kerk, worden verboden. Vandaar B o g e r m a n 's en G e l d o r p 's optreden tegen de vrijheid, aan de Doopsgezinden verleend, in de Voorrede van B e z a ' s »tractaat van de Ketterstraffen«. Vandaar ook het verzoek van de Classis van Dordrecht om de valsche godsdienst (dat is de Luthersche godsdienstprediking) te Woerden te weren«.
De valsche godsdienst — dat is: de Luthersche godsdienstprediking; 't is te mooi om het te verzwijgen. Daarom 't hier even afgedrukt. In verband met Artikel 36 »bekende zinsnede«.
De juiste onderscheiding.
Niets is meer in strijd met het begrip Kerk naar de opvatting der Gereformeerden, dan eene Kerkinrichting, waarbij de Gemeente des Heeren wordt beschouwd en behandeld als eene onmondige kudde, die slechts de stem van haren herder te volgen heeft en zijn gebod te gehoorzamen; waarbij dan die herder weer de mond is waardoor de kerkelijke organisatie spreekt tot de gemeenteleden.
Wanneer het zóó in de Kerk gesteld is, gaat alles, naar de opvatting der Gereformeerden, glad verkeerd, omdat Christus niet een paus of priester of Kerkbestuur heeft gegeven om kerkje te spelen; neen ! Christus heeft Zich een volk, een gemeente verkoren, een gemeente van geloovigen, die naar uitwijzen van Gods Woord, profeten, priesters en koningen zijn, geroepen en geheiligd door den Heiligen Geest, om rondom Woord en Sacrament, in den weg der ambtelijke bediening, onder Christus' heerschappij te leven in gehoorzaamheid aan Gods Woord en aan Gods Woord alleen.
In de Kerk mag dus alles niet worden opgedragen aan één machthebber of aan een bestuur, dat boven de Kerk staat, onschendbaar in eigen oog, en niet tot verantwoording zich geroepen voelend. Gaat men dien weg op, dan handelt men in strijd met het Reformatorisch beginsel. De Kerk mag niet, als lichaam van Christus, beroofd worden van haar rechten; dat zou gelijk staan met moord op de Kerk gepleegd.
Vandaar moet, naar uitwijzen van de Schrift, van plaats tot plaats de Kerk, als lichaam van Christus, door Gods Woord en de werking des Heiligen Geestes tot openbaring komen, om uit te groeien in den weg des Verbonds onder de tucht van Gods Woord; en van plaats tot plaats moeten de ambten worden ingesteld, vormende den raad der Kerk, die de gemeente heeft te regeeren en te besturen.
De zelfregeering der plaatselijke gemeenten te handhaven is eisch van het gereformeerd beginsel.
Waarbij de plaatselijke Kerken hebben te gevoelen dat zij bij elkander hooren, als leden van hetzelfde lichaam; echter zóó, dat de een weer niet over de andere heersche noch ook, dat de een ten opzichte van de ander mag zeggen, dat er geen gemeenschap is.
Hier gaat het om d e j u i s t e o n d e r s c h e i d i n g.
We moeten niet hebben het verfoeielijke van het Synodaal-systeem der laatste eeuw, dat een bestuur gewestelijk of landelijk zich aanmatigt alles voor allen te doen en alles voor allen voor te schrijven, te regelen en te gebieden. Dat brengt een massa-Kerk met een centraal-Bestuur, waarin alle plaatselijke Kerken worden opgesmolten in het groote geheel, om zich krachteloos te weten bij alles; slechts willoos deel zijnde; een rad in de groote machine, welke draait en werkt onder centrale leiding. Van deze verschrikkelijke dingen heeft de Ned. Herv. (Geref.) Kerk onder de Synodale Organisatie van 1816—'52 ontzaglijk veel Ie lijden gehad, nu honderd jaar en langer. De beteekenis en de kracht van de plaatselijke Kerken moet dan ook meer en meer gezien en erkend worden onder ons; zoowel geestelijk als stoffelijk. Maar natuudijk weer niet zóó, dat door de plaatselijke Kerken niet zou erkend worden, dat er naar Gods ordinantie, gemeenschap bestaat en ook geoefend moet worden tusschen de Kerken in één en hetzelfde land en de Kerken der verschillende landen.
P l a a t s e l ij k zal er gestaan moeten worden naar den opbloei van waarachtig geestelijk leven, om plaatselijk kerkelijk gemeenschap te oefenen onderling. Want is de wedergeboorte, de bekeering, het geloof, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, straks ook de heerlijkmaking voor ieder geloovige zeer zeker een persoonlijke zaak, die niet door den Heiligen Geest aan de gemeenschap, maar aan ieder en elk van de geloovigen persoonlijk geschonken wordt, toch weten we wel, dat de geloovigen van één en dezelfde plaats niet het recht hebben elkander te verwaarloozen of te negeeren — het werk Gods geweld aandoende — maar dat ze gemeenschap des geloofs hebben te oefenen met elkander, naar Christus' bevel. Daarom plaatselijk ook het k e r k e l ij k samenleven bij Woord en Sacrament, onder leiding van het ambt en onder oefening van de tucht, waar dat noodig is. Niet los van elkaar, als korrels zand aan den oever der zee; maar met elkaar vereenigd, als leden van één en hetzelfde lichaam. Niet met een boekje in een hoekje, maar saam in Gods huis, waar 't volk vergaderd is.
En dan plaatselijk ook weer voelend, dat er zoo veel gemeenschappelijke belangen zijn tusschen de Kerken in één en dezelfde classis of provincie; ook tusschen de Kerken in hetzelfde land. Ja, tusschen de Kerken van Nederland, Duitschland, Engeland, enz., indien er geleefd wordt uit het zelfde geloof, dat naar Gods Woord is en indien er voor oogen staat hetzelfde doel, dat in de Heilige Schrift door Christus geteekend is en ons voorgehouden wordt. Geen plaatselijke Kerk mag het dulden, geheel en al te worden weggecijferd door een centraal Bestuur. Geen plaatselijke Kerk mag ook vergeten, dat er gemeenschappelijke belangen zijn, zoowel geestelijk en stoffelijk in Christus' Kerk.
En daarom geen Synodaal bestuur over een massa-Kerk, waar de plaatselijke gemeente weggecijferd wordt. Ook geen individualisme, met plaatselijke hooghartigheid — of hoe men het noemen wil —, waarbij de plaatselijke gemeente zich als alléén-bestaande waant, zonder te beseffen dat er vele, groote, geestelijke en stoffelijke g e m e e n s c h a p p e l ij k e belangen zijn. Niet gedwongen, maar v r ij w i l l i g moet de saamleving der plaatselijke Kerken zijn in classis en provincie; ook landelijk. Echter is die v r ij h e i d ook weer een vrijheid, waartoe de plaatselijke Kerk van Christus geroepen is om die te gebruiken tot Gods eer en lot welzijn van 's Heeren Kerk.
En dan is de gemeenschap der plaatselijke Kerken trapsgewijze, zooals dat met den aard en het wezen van de Kerken overeenstemt; namelijk: eerst een gemeenschap die classicaal is, tusschen de Kerken uit dezelfde classis; daarna provinciaal, tusschen de Kerken van hetzelfde gewest; daarna synodaal als de Kerken uit de provinciën in de Synode samenkomen.
Ook hierin moet de juisle orde betracht worden. Want de gemeenschap der geloovigen is eerst plaatselijk. Dan is de gemeenschap der Kerken classicaal; en dus niet aanstonds een gemeenschap van alle Kerken van het land (synodaal), opdat juist de plaatselijke Kerk daardoor niet, in de groote gemeenschap, als deel van het geheel, verloren zal gaan; maar in den classicalen kring tot juiste en volle ontplooiing kan komen.
Dan komt, na de classicale gemeenschap de provinciale. En na de provinciale (provinciale Synode) de landelijke; welke gemeenschap, der Kerken landelijk dan openbaar wordt in de algemeene Synode; wat geen Synodaal Bestuur, maar wat een synodale vergadering der Kerken behoort te wezen.
Heel deze presbyteriale wijze van Kerkregeering (presbyter = opziener) en heel deze gereformeerde wijze van kerkelijk samenleven is gefundeerd op en opkomend uit de plaatselijke Kerken; en is juist zóó ingericht vanouds, opdat de plaatselijke Kerken niet door een centraal Bestuur, noch door een Commissie, noch door een vergadering van duizenden zouden worden dood gedrukt en van haar rechten zouden worden beroofd, maar zich naar aard en wezen zouden kunnen ontplooien in haar kracht.
De Classicale vergadering — de Provinciale Synode — de Algemeene Synode moeten de opeenvolgende v e r g a d e r i n g e n zijn der classicale Kerken, der gewestelijke Kerken, der landelijke Kerken — om juist zóó de waarborgen te hebben en te houden dat de plaatselijke Kerken f r a n k en v r ij zijn, tegelijk het middel hebbend, dat ze zóó classicaal, gewestelijk, landelijk uitkomen in haar éénheid, geestelijk en stoffelijk saam.
Zoo moeten we ook een Kerken-ordening (dr. H. G. Kleyn: Algem. Kerk en Plaatselijke Gemeente, blz. 24) hebben, zal het goed zijn.
We moeten niet spreken van een Reglementenbundel, maar, zooals terecht aanstonds en bij voortduring door onze Gereformeerde Kerken gesproken is, van: Kerken-ordening.
»Deze Kerken-ordening«, zegt dr. Kleyn, »wordt niet door de Gemeenten (wij zouden zeggen door de Kerken), maar door de Regeerders der Kerk ingesteld. Intusschen mag deze Kerken-ordening niet alles bevatten, wat men daarin zoude willen stellen, maar alleen hetgeen dienstig is om eendracht en eenigheid te voeden en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods. Ongeoorloofd daarentegen zijn alle menschelijke wetten tot invoering van godsdienstige instellingen, welke niet op Gods Woord gegrond zijn, der Gemeente worden opgelegd op straffe van het verlies van kerkelijke rechten, enz.« »Daarentegen« — zoo vervolgt dr. Kleyn — »indien deze Kerken-ordening in het geweten der Gemeente een bevestigend mede-getuigenis vindt, is deze wel degelijk daaraan in de consciëntie verbonden, ofschoon erkend moet worden, dat zulks minder betrekking heeft op den vorm (de letter) der wetten, als op het doel waartoe deze wetten zijn ingesteld.«
Dit is in den geest van artikel 32 Ned. Geloofsbelijdenis, waar we lezen: »Intusschen gelooven wij, hoewel het nuttig en goed is, dat die Regeerders der Kerk zijn (n.l. die door Christus in het ambt gesteld zijn; zie de vorige artikelen der Ned. Geloofsbelijdenis) onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft. En daarom verwerpen wij alle menschelijke vonden en alle wetten, die men zoude willen invoeren, om God te dienen en door deze de consciëntiën te binden en te dwingen, in wat manier het zoude mogen zijn. Zoo nemen wij dan alleen aan, hetgene dienstig is om eendrachtigheid en eenigheid te voeden en te bewaren; en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods, enz.«
Zoo is een Kerken-ordening nuttig, noodig, goed, omdat er orde moet zijn in de plaatselijke Kerk (kerkeraad) en in de Kerken saam, waarbij weer de gang van zaken moet wezen, dat de plaatselijke Kerk hare vrijheid behoudt en tegelijk zóó, dat wat gemeenschappelijk is in het midden der Kerken, zoowel betreffende de geestelijke als de stoffelijke dingen, onderling geregeld wordt — eerst classicaal; dan provinciaal; dan landelijk-synodaal; omdat de gang van het kerkelijk leven zoo door Christus is besteld en niet anders. Hier de juiste onderscheiding te zien en te bewaren is van het grootste belang.
En als we den goeden weg in dezen kwijt zijn geraakt, dan moeten we de aloude beginselen maar overal en telkens weer bekend maken en aanprijzen, opdat er een onderzoeken van den weg mag komen, een begeeren om weder te keeren naar hetgeen ten onrechte is losgelaten en verworpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's