UIT DE PERS
Zondagsrust.
Het oordeel van Ford.
Henry Ford, de Amerikaansche auto-en geldkoning, is om die kwaliteiten een man van gezag, naar wien velen graag luisteren. Niet speciaal »onze kringen« zijn het, uit welke die luisteraars voortkomen. »Handelsblad« en »Nieuwe Rotterdamsche Courant« nemen zijn vertaalde artikelen met groote voorliefde op.
In »onze kringen« wordt steeds op Zondagsrust, ook voor de spoorwegen, aangedrongen. In de kringen van »Handelsblad« en »Nieuwe Rotterdamsche Courant* ziet men op die vraag schouderophalend of minachtend neer, om van andere kringen en van erger maar niet te spreken. Met te meer belangstelling lazen we daarom in één van Fords artikelen »Het groote heden en eene grootere toekomst«. — Het stond in de »Nieuwe Rotterdamsche Courant« van 23 dezer.
»Een nieuw beginsel, dat we in al onze bedrijven (Ford exploiteert ook een spoorweg), toepassen, is de volstrekte Zondagsrust. Geen man van ons personeel werkt op Zondag. Zoowat een jaar geleden hebben we dezen en genen eens gevraagd, hoe zij over deze nieuwigheid dachten. Enkele antwoorden mogen hier volgen.
Een conducteur schreef: »Zondagsrust stelt iemand in de gelegenheid naar de kerk te gaan en het oog te houden op de godsdienstige opvoeding van zijn kinderen«. Een lijn werker: 's Maandags gaat men frisch en met nieuwen moed aan het werk. Een remmer: Het is een voorrecht, waarvan een spoorweg-man vroeger nooit zou hebben gedroomd. Een poetser: Zondagsrust stemt tot tevredenheid en verdrijft de gevoelens van weerzin, die vaak opkomen bij iemand, die nooit eens vrij is. Een bankwerker: Zondagsrust brengt niet slechts geluk in huis, maar stelt ook in de gelegenheid oude vrienden op te zoeken. Een ploegbaas: Zondagsrust bevordert de »efficiency« van den spoorweg, 's Maandags komen alle mannen goed uitgerust te werk met nieuwe denkbeelden hoe zij de moeilijkheden, die er de vorige week onoverkomelijk uitzagen, zullen overwinnen. Een opzichter: De spoorweg zelf heeft een rustdag noodig. Een machinist: Men mag trotsch zijn tot een organisatie te behooren die zoo iets tot stand kon brengen. De proef (met Zondagsrust) is inderdaad niet zonder beteekenis. Geruimen tijd hebben de sporen in dit land overhoop gelegen met hun personeel of met het publiek — en nu en dan met beiden. Deze strijd heeft zoolang geduurd, dat 't doel van de sporen soms vergeten scheen. Ik heb groot vertrouwen in particuliere exploitatie, die het mogelijk maakt elk bedrijf zoo te leiden, dat het hooge loonen en tegelijk goedkoopen dienst kan geven«.
Dat 's iets om te onthouden!
Christendom en Socialisme.
In 't »Katholiek Sociaal Weekblad« bespreekt prof. Aengenent een boekje van den geleerden jezuïet Heinrich Pesch: »Des wissenschaftlichen Socialismus Irrgang und Ende«: de dwaling en het einde van het wetenschappelijk Socialisme. In dat geschrift behandelt Pesch ook de vraag of het mogelijk is te spreken van een Christelijk Socialisme. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en zijn gronden, die prof. Aengenent mededeelt, zijn ook voor onze lezers de kennisneming wel waard. Wij laten ze hier volgen:
Vooreerst, Socialisme en Christendom verschillen van elkander in uitgangspunt, n.l. de beteekenis van den mensch. Het Socialisme erkent niet in den mensch een tweeheid van ziel en lichaam, — bovendien acht het den mensch van nature goed — en het meent dat de weg van het kwaad loopt van buiten naar binnen door fouten in de goederenverdeeling. Het Christendom daarentegen ondeischeidt in den mensch ziel en lichaam, 't erkent den strijd tusschen goed en kwaad, tusschen hartstocht en het geweten, terwijl bovendien de weg van het kwaad loopt van binnen naar buiten.
Ten tweede, Socialisme en Christendom verschillen van elkander in doelstelling. Het Socialisme streeft naar een economische bevrijding. Zijn moraal van geluksstreving gaat uit naar aardsch genot en erkent geen algemeen geldenden maatstaf. Het Christendom streeft naar de ethische verheffing van den mensch en wil een ontwikkeling der gansche menschelijke natuur, die voor allen bereikbaar is. Het aardsche beschouwt het als een groeien en rijpen
Ten derde. Socialisme en Christendom verschillen in de middelen om tot het doel te komen. Het Socialisme wil gaan van buiten naar binnen. Het meent, dat op de economische hervorming de ethische vanzelf volgen zal. Het Christendom gaat van binnen naar buiten, daar het van een innerlijke hervorming de ontwikkeling der menschheid verwacht.
Ten vierde, Socialisme en Christendom verschillen in de motieven van handelen. Bij het Socialisme is het motief de eigenliefde (als klassenliefde) zonder haar tegenpool, de alzijdige naastenliefde. Wijl een hoogere synthese ontbreekt, kent het geen oplossing van het conflict tusschen klassenliefde en klassenhaat! Het Christendom vindt voor de motieven voor eigenliefde en naastenliefde een band in de hoogere synthese: de liefde tot God.
Uit die tegenstellingen volgt — aldus prof. Aengenent — dat het begrip »Christelijk Socialisme« onhoudbaar is en een innerlijke tegenspraak bevat. Maar tevens blijkt daaruit, hoe onmachtig het Socialisme is krachtens zijn innerlijk wezen om werkelijken gemeenschapsgeest in het volk te wekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's