SCHRIFT VERKLARING
1 Timotheüs (67)
1 Timotheüs. Leg niemand haastiglijk de handen op, en heb geene gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein. 1 Tim. 5 vers 22.
Leg niemand haastig de handen op. Over de plechtigheid van de oplegging der handen heb ik reeds iets gezegd naar aanleiding van 1 Timotheüs 4 vers 14. Timotheüs zelf was tot het ambt aangewezen door de oplegging der handen. Ook werden den gekozen diakenen de handen opgelegd, nadat de zegen Gods was afgesmeekt, volgens Handelingen 6. Ja door de oplegging der handen ontvingen de geloovigen de Heiligen Geest, zooals wij in Hand. 8 lezen. Het staat dus wel vast dat eene plechtige handeling bedoeld wordt, die een getuigenis gaf van den zegen Gods, waarmede ook vaak de zegen des Geestes gepaard ging. Ook wordt in deze handeling, als zij in het midden der vergadering der gelovigen geschiedt, een gemeenschap des geestes uitgesproken, tusschen de gemeente en den verkozen ambtsdrager. Ik vind het altijd jammer als in onze godsdienstoefeningen deze en andere kerkelijke handelingen hoe langer hoe minder geëerbiedigd worden. Wij maken onze samenkomsten moedwillig arm. 'k Weet wel het voornaamste in de samenkomst der gemeente is de Bediening des Woords. Dit laatste moet het hoofdbestanddeel zijn. Het mooiste in onze kerken is de geopende Bijbel en de levende verkondiging van het Evangelie. Maar wat geen hoofdzaak is, is nochtans vaak eene zaak van groote beteekenis. Het is toch de gemeente die zich daar vereenigt! Het is maar niet eene verzameling van »hoorders en hoorderessen«, die eens komen luisteren naar hetgeen de dominee te zeggen heeft. Als men deze opvating van een kerkdienst heeft, ja, dan is het maar 't beste dat men met gebed en zingen begint en zoo ook weer eindigt, zooals eene vereeniging hare vergadering begint en sluit. Dan is elke liturgische, kerkelijke haneling niets anders dan een zinledige plechigheid. Dan moet de preek maar zoo lang mogelijk zijn, zoodat de hoorders minstens twee uur de Waarheid hooren, want de kerkdienst is dan niets anders dan een preek-en een hoordienst. Maar het wordt iets anders als de samenkomst voor ons is eene vergadering van de gemeente van onzen Heere Jezus Christus, waartoe ook de kinderen behooren, die als lidmaten der gemeente gedoopt zijn, zooals ons mooie doopsformulier zegt. Laat ons toch nooit, in vermeende overgeestelijkheid, aan dit hooge karakter van onze godsdienstoefeningen gaan tornen. Een dominee staat daar niet op den kansel slechts als woordvoerder, maar als ambtsdrager, die zijn ambt door middel van de gemeente uit Gods hand ontvangen heeft. Hij zou geen ambt hebben, als daar geen gemeente ware. En nu gaat het toch niet aan om die gemeente in haar samenkomst geheel te verloochenen, en er slechts eene vergadering van hoorders van te maken. Wanneer dit Schriftuurlijke bewustzijn van de vergaderde gemeente van onzen Heere Jezus Christus meer in ons leefde, zouden de kerkelijke plechtigheden ook veel meer zin en bemoedigende, troostende beduidenis voor ons hebben. Dan is het de gemeente die in haar samenkomst op zich zelf reeds een belijdenis uitspreekt tegenover de ongeloovige wereld. In haar éénheid en saamhoorigheid smeekt en dankt zij den Heere door haar lied. De gemeente spreekt in haar geheel eerbied uit voor het recht Gods, maar belijdt ook wat zij gelooft, als daar door den leeraar de wet en de artikelen des geloofs gelezen worden. En als de leeraar zegent, doet hij dit niet slechts »hoorders en hoorderessen«, maar de gemeente, die in haar gemeenschappelijk opstaan ook toont dat zij den zegen van God en van Jezus Christus en van den Heiligen Geest begeert. Neen, wij willen geen z.g.n. liturgische diensten, omdal daarin de prediking van het Evangelie bijzaak geworden is. Hoofdzaak blijve de Bediening des Woords. Maar de liturgie blijve ook onze godsdienstoefeningen sieren, opdat wij het hooge karakter van de samenkomst van de gemeente des Heeren ook blijven handhaven, en ons niet laten meevoeren met allerlei onkerkelijke en ziekelijke beschouwingen, die den toets der Heilige Schrift niet kunnen doorstaan. Men blijve ook in deze liturgische handelingen sober en eenvoudig. Eenige jaren geleden werd in eene dorpsgemeente een candidaat in het ambt bevestigd. Om deze plechtigheid nog meer indruk te doen maken hielden twee leeraren een geopenden Bijbel boven het hoofd van den te bevestigen leeraar, bij het uitspreken van den zegen. Zulk omgaan met den Bijbel vind Ik zeer onbijbelsch! De eenvoudige handoplegging bij de wijding tot het heerlijkste en moeilijkste ambt zegt reeds zooveel, zoodat door bovengenoemde handeling veel schoons daaraan dreigt weggenomen te worden.
Dat het in de hierboven geplaatste woorden over de handoplegging tot het ambt gaat, is wel het meest voor de hand liggend. Het is hier niet figuurlijk bedoeld, alsof Timotheüs niet te spoedig iemand een geloovige moest achten. Ook behoeven wij hier niet te denken aan de uitstorting van den Heiligen Geest bij de oplegging der handen. Neen, laat deze raadgeving weer nauw aansluiten bij het voorafgaande. Het gaat dan ook hier over, de ambtsdragers. Laat u niet, zoo bedoelt de apostel, door toegenegenheid leiden om iemand tot het ambt te wijden. Een ouderling bekleedt zulk een aanzienlijke plaats. Laat men daarom voorzichtig zijn, opdat niet iemand verkozen worde, die geen bekwaamheid heeft. Men ga niet ondoordacht te werk. Menige ambtsdrager heeft veel bedorven en misschien meer schade gebracht aan het Koninkrijk Gods dan zegen. Leg niemand haastig de handen op.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's