De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De Geest der genade en der gebeden

10 minuten leestijd

..... zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden ..... Zacharia 12 vers 10.

Wie zal redden, zoo de Heere niet redt? Wie zal een zondaar van den dwaalweg wederbrengen, zoo de goede Herder niet uitgaat om het verloren schaap terecht te brengen? Macht nog wijsheid der aarde kunnen een enkele ziel bekeeren. Noach predikte 120 jaar en we lezen in Matth. 24 vs. 38 en 39, dat zij waren etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; en bekenden het niet. Farao riep in benauwdheid uit: Ik heb gezondigd tegen den Heere uwen God en tegen ulieden, Exod. 10 vers 16, doch hij verzwaarde zijn hart. Zoo gaat het door. Er zijn beloften in tijden van vreeze. Wat komt er van? Telkens vernemen we de ernstige prediking van Gods gerechtigheid en heiligheid. Maar worden we er door bekeerd van onzen boozen weg? Och, er staat zoo: Zach. 4 vers 6: »Niet door kracht noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen«.
Dat blijkt immer opnieuw. Pinksterdag getuigde er van en iedere dag, die voor een geroepene ziel de wèlaangename tijd des Heeren is. Daarvan spreken ook de woorden, die hierboven geschreven staan. Genoemde tekstwoorden leeren ons:
1. Dat er een Geest der genade en der gebeden is.
2. Dat die Geest een algeheele omkeer teweeg brengt in het huis van David en de inwoners van Jeruzalem.
Wat is genade? Geen willekeur. Ze rust op den vasten grondslag van het recht. Ook geen verplichting. Ze is geheel vrij, ze is souverein. Ze is het recht der barmhartigheid en der liefde. Maar genade bewijst altijd één ding, n.l. dat er schuld en diensvolgens rechtvaardig oordeel is. Waar geen overtreding was, kan van geen genade sprake zijn.
Nu wordt in ons tekstvers van den Geest der genade gesproken. Onmiddellijk daarmede verbonden wordt de gedachte aan misdaad, want er volgt: en zij zullen mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben. Het gaat hier over de misdaad van Davids huis en de inwoners van Jeruzalem. Die zonden worden in de profeten met onvermoeide stift geteekend. Zie b.v. Jesaja 1, Jeremia 2, 4, Ezechiël 16, 23 enz. Zijn de zonden niet geklommen tot den hemel? Is Davids huis en zijn de inwoners van Jeruzalem niet gedurig gewaarschuwd? En zijn wij 't ook niet? Maar vanaf de zonde in het Paradijs blijkt het, hoe de mensch blind is geworden en geen recht besef heeft van de verhouding van God tot schepsel. Wij kennen van nature niet de onkreukbare gerechtigheid des Heeren noch Zijne blinkende heiligheid, noch den rijkdom Zijner goedertierenheid, Rom. 2 vers 4. De Heere heeft het zoovele malen gezegd, dat Hij genadig is en veel vergevend en dat niet, omdat wij die genade verdiend hebben, maar om Zijn Zoon Jezus Christus' wille. Rom. 3 vers 23—26. Doch wat baat het ons? We worden schier moede van er naar te luisteren en terwijl verwerpen we het heil ons aangeboden en terwijl houdt de hoonlach der wereld in ons niet op. Waarlijk, de Heere heeft te veel arbeid aan dat wederstrevig schepsel.
En toch houdt Hij niet op. Toch zendt Hij na de vermoording van Zijnen Zoon door Jood en Heiden saam, Zijn Pinkstergeest en Pinksterzegen naar Jeruzalem en bekeert Hij, wat niemand bekeeren kan en sticht Zijne Kerk en trekt uit duisternis tot zijn wonderbaar licht vele duizenden, alle eeuwen door.
Onnaspeurlijke wegen Gods! zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden. Hij wordt de Geest der genade genoemd. Omdat Hij 1e. de genade des Heeren openbaart en ze voorstelt in hare n o o d z a k e l ij k h e i d, hare zekerheid, hare h e e r l ij k h e i d. Hier ligt reeds voor het mediteerend hart een rijke stof van overdenking in. Dan ook, omdat Hij 2e. de genade schenkt. Hij past de verdienste van den Heere Christus aan de ziele toe, werkt het geloof aan volkomen vergeving, aan het kindschap Gods en de zalige verwachting der eeuwige heerlijkheid en maakt begeerig naar de weldaden van Christus. Joh. 1 vers 16: En uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Zoo geeft Hij den jubeltoon des harten van verlost te zijn uit zoo grooten nood en dood en wedergeboren te zijn tof een levende hope. Maar niet minder omdat Hij de genade werkzaam maakt, versterkt, vermeerdert. Jac. 4 vers 6. Ja, Hij geeft meerdere genade. Genade voor genade.
Ook wordt Hij in ons overdenkingswoord genoemd de Geest der gebeden. Want waar genade komt komt gebed. Die twee behooren tezamen. Zónder genade geen gebedsleven en zonder gebedsleven geen genadeleven. Ezech. 36 vs. 37: Daar­ en boven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe. Zoo is het de wille Gods. Van Boven af eene onpeilbare barmhartigheid, en beneden een neerzinken in het stof, een zuchten en smeeken: Jer. 31 vers 9: Zij zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik hen voeren. Zoo is 't ook die Geest des Vaders en des Zoons, Die tot het gebed drijft, het rechte bidden leert en het ootmoedig gebed van een verslagen hart reinigt en heiligt, ja, naar het woord des Apostels zelf voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Bemerkt ge, mijn lezer, de noodzakelijkheid van den Geest der genade en der gebeden en van Zijne uitstorting op een gansch verloren, doemschuldig volk? Zonder dien Geest geene werking des harten, geene overtuiging, geene droefheid naar God, geen vrede! Zonder Hem geene toepassing van Christus' borggerechtigheid, geen nemen uit dien schat van Christus' zoen-en kruisverdienste om 't aan zondaren te geven. Zonder Hem alle middelaarswerk tot onze zaligheid ijdel. Daarom is het de orde des heils, dat die Geest komen moet. Hij was toegezegd. De profetie zwijgt van Hem niet. Telkens in de schemering een schoonere glans van den komenden dag, telkens in de dorheid een overvloediger regen. Tot de plasregens komen, plasregens van zegen. Dan kan de Apostel schrijven, Gal. 4 vers 6: En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader! Maar daar zijn we in eens niet aan toe! Alvorens de specerijen uit den geestelijken hof des Heeren uitvloeien, zijn er heel wat dorre takken en onvruchtbare bloesems afgebroken. Eerst de zuivering, eerst het oordeel en de uitbranding. Jes. 4 vers 4.
Dat blijkt uit het vervolg van het tekstwoord. Daar wordt gezegd, hoe die Geest der genade en der gebeden een algeheele omkeering teweeg brengt. Allereerst werkt Hij de ontdekking der oogen, vervolgens de verbrijzeling des harten.
1e. De ontdekking der oogen. Daar is eene groote misdaad geschied. Er staat: en zij zullen mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben. Profetisch ziet het op den Heere Christus. Vergelijk Openb. 1 vers 7: Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben. In dat doorsteken van den Zoon heeft Israels zonde haar hoogtepunt bereikt. Doorsteken toch is het gave, het heilige Gods schenden, verbreken, dooden. Israël deed het tevoren met wet en profetie, daarna geheel in de verwerping van Jezus Christus, den Zoon Gods. En bij die misdaad komt de verblinding. Ze beseften 't niet eens, wat ze wel deden. Zie 1 Cor. 2 vers 8. Zoo is het met Israël bij het kruis en zoo is het met den zondaar van nature altijd. Maar de Heilige Geest brengt tot ontdekking. Hoe? Dat is het groote geheim. Evenals bij den blindgeboorne, die tenslotte uitroept: »Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie« 1 Joh. 9. De overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel komt. Een diep besef van schuld, van verlorenheid, van rampzaligheid.
2e. De verbrijzeling des harten. Zij zullen mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben. O, welk een zien dat is! Zien, wie Hij is, zien, wat zij gedaan hebben! Ach, wat een weedom des harten. Leest eens Jes. 65 vers 14. We herinneren ons eene vertelling van een vorst, eenige eeuwen geleden, die, op de jacht zijnde, van het gezelschap afdwaalde, den weg bijster werd en tegen den avond nachtverblijf zocht in een eenzame hoeve, De bewoner ontving zijn gast echter zeer onvriendelijk en ging er ten slotte toe over dien vreemdeling een klap in het gelaat te geven. De vorst zeide niets, doch toen hij den volgenden dag in zijn paleis teruggekomen was, kleedde hij zich in zijn vorstelijk gewaad en liet daarop dien boer bij zich brengen. Slechts ééne enkele vraag stelde de vorst: ».Herkent ge mij? « De man herkende hem inderdaad en door vreeselijken schrik overvallen, zeeg hij voor den koning ter aarde neder. Maar hoe veel meer zal de wanhoop zijn, wanneer de booze zondaar Hem zal zien! O, zegt de profeet, dan zal er een bitter kermen zijn, een smart, onbeschrijfelijk groot. Ziet, dat is het werk van dien Geest. En de geschiedenis van verloste zondaren zal een refrein hebben:
Ik lag gekneld in banden van den dood,
Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen
En die Geest grijpt aan het huis van David en de inwoners van Jeruzalem. Het is een algemeene verslagenheid. Zie vers 11—14. Alle rangen, standen, leeftijden, enz. De grooten van het rijk, die zich niet bekommerden om de verbreking van Jozef; Jeruzalem, die de profeten doodt en steenigt, die tot haar gezonden zijn; de priesters, die het verbond van Levi verdorven hebben, Mal. 2 vers 8. O, de Geest Gods is onwederstandelijk. Hij bewerkt en beweegt, wat harder is dan een rots. Hij verbrijzelt de meest verstokte zondaarsharten, gelijk de pottebakker het vat verbrijzelt. Hij is de geweldige hamer des Almachtigen.
Hebt ook gij die ervaring, waarde lezer? Gelukkige ziel, die dat brekend en neerwerpend werk des Heiligen Geestes mocht ondervinden.
En nu schijnt het wel in verslagenheid te eindigen. Doch lezen we dan het 1ste vers van het volgende hoofdstuk, dan leert ons des Heeren Woord ook het oprichtend en reinigend werk des Heiligen Geestes kennen. Ja, voor die bitter kermende zielen is er een fontein geopend, de fontein van Jezus' bloed, waarin alle scharlakenroode zonden worden wit gewasschen. De doemwaardige wordt Gods kind en erfgenaam van hemelsche goederen. De doorstokene is zijn Middelaar en Borg. Niet op eenmaal, maar toch wordt het heilgeheim verstaan. De Heere voleindigt al Zijn werk, hoe klein het beginsel ook moge zijn.
Welnu, is die Geest der genade en der gebeden ook over ons uitgestort? Hebben wij ons Pinksterfeest reeds gevierd? Dan hebben we rouwklagen geleerd, dan hebben we verstand van kermen gekregen, dan verstaan we iets van Gods wondere genade.
Indien Gods Geest niet over ons is uitgestort? Indien we verhard voortgaan in een leven der zonde? Wat dan? Dan zijn er fiolen van Gods gramschap, die eens uitgestort zullen worden over ons. En wie zal ons dan verlossen? O, bidden we dan maar gedurig om dien Geest der genade en der gebeden. Het is nu nog de welaangename tijd. Straks kan het voor eeuwig te laat zijn.
De Heer' is recht in al Zijn weg en werk;
Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht (Psalm 145).
S.                                                                                                                L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's