De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT- VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT- VERKLARING

1 Timotheüs (68)

5 minuten leestijd

Leg niemand haastiglijk de handen op, en heb geene gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein. 1 Tim. 5 vers 22.

Heb geen gemeenschap aan anderer zonden. Er moet natuurlijk eenig verband liggen tusschen het eerste en het tweede gedeelte van dezen tekst. Wij mogen het dus niet in algemeenen zin op­vatten als Timotheüs gewaarschuwd wordt dat hij geen gemeenschap aan de zonden van anderen mag hebben. Zulk eene waarschuwing zou hier geen zin hebben. Maar als wij het eerste en tweede gedeelte van dezen tekst nauw verbonden nemen, is het de vraag welke zonden dan hier bedoeld zijn. Is het de zonde van "het te haastig de handen opleggen"? Alsof Paulus wilde zeggen: anderen leggen wel haastig iemand de handen op om hem in het ambt toe te laten, maar doe gij dat niet?
Tegen deze uitlegging geldt dat hier van zonden in het meervoud gesproken wordt. Het zou ook mogelijk zijn hier te denken aan de zonden van hen die haastiglijk tot het ambt gewijd werden en die daarna de bewijzen gaven van hun ongeschiktheid en zoo tot allerlei fouten en misstappen kwamen. Dan zou Timotheüs gemeenschap hebben aan hunne zonden! Maar is dit dan niet te sterk uitgedrukt? Zou men, in het genoemde geval, aan Timotheüs mogen verwijten dat hij gemeenschap had aan de zonden der onbekwame ambtsdragers? Op z'n meest zou men kunnen zeggen dat Timotheüs, door zijn onvoorzichtigheid, er ook schuldig aan was. Zoo blijft nog de vraag: welke zonden zijn hier bedoeld in verband met het haastig opleggen der handen? Waarschijnlijk moet hier gedacht aan de zonden van simonie. In Hand. 8 vers 17 lezen wij van Simon den toovenaar, die den Apostelen geld aanbood, opdat hij door de oplegging der handen den Heiligen Geest zou kunnen uitdeelen. Nu er toch in onzen tekst van de oplegging der handen sprake is, acht ik het niet te ver gezocht als men hier een waarschuwing tegen simonie wil zien en allerlei praktijken die hiermede in verband staan, waardoor er schade gebracht wordt aan de eer van het hoogste ambt. Het geval is toch zeer goed denkbaar dat iemand gaarne dit hooge ambt bekleeden wilde, om daardoor bij de menschen geëerd te worden, en dat hij Timotheüs daartoe een som gelds of kostbare geschenken aanbood. Heb geen gemeenschap met die zonden, zegt nu Paulus, met de zonden van anderen. Bij deze verklaring volgt de eene gedachte uit de andere en begrijpen wij ook dat de Apostel er op laat volgen: bewaar uzelven rein. Een waarschuwing, die wij ook weer niet in algemeenen zin moeten opvatten, alsof Timotheüs vermaand werd op een „rein leven" zich toe te leggen. Die vermaning zou in dit verband geen zin hebben. Maar de bedoeling van deze woorden is: houd u rein van simonie; laat daarvan geen smet op uw leven rusten; heb niets te doen met menschen die u geld willen geven om in het eeregestoelte te mogen zitten en daardoor uitdeelers willen zijn, in den weg der middelen, van de geestelijke goederen — Wij behoeven er in onzen tijd niet bang voor te zijn dat men geld aanbiedt om een geestelijk ambt te mogen bekleeden. In de middeleeuwen kwam het vaak voor dat men een geestelijke (kerkelijke) post kocht, omdat daaraan dikwijls inkomsten van goederen verbonden waren. Maar toch is de zonde van simonie niet uit den tijd. In de reglementen van onze kerk komt zelfs eene bepaling voor, waardoor een beroep van een predikant naar een gemeente ongeldig wordt, wanneer deze beloften heeft gedaan ten einde het beroep te verkrijgen. Ook dit is simonie. En zoo komen wij tot eene zaak, waarbij nog altijd de hierboven geplaatste waarschuwing van Paulus ernstig dient te worden in acht genomen. Er worden vaak zeer ongeoorloofde wegen bewandeld om een beroep te krijgen. Van een dominee, die een stroom van beroepen ontving, kreeg ik eens een vriendelijk verzoek om hem in een genoemde gemeente aan te bevelen. Het was n.l. voor zijn tegenwoordige standplaats wel eens aardig als hij nog weer eens een beroep kreeg, schreef hij. Hij wilde blijkbaar den gang er in houden! Het eene beroep na het andere bezorgden luister aan leeraar en gemeente! Is het niet bedroevend aldus den spot te drijven met de kerkeraadsvergaderingen die in verband met het beroepingswerk gehouden worden en met gebed worden geopend en gesloten? Wat komt er bij den aldus beroepene terecht van de gebedszaak, die toch het beroep voor hem zijn moet, als hij om dergelijke redenen en op zulk een wijze om het beroep „gehengeld" heeft? En ach, wie kan deze en dergelijke bedroevende handelingen altijd precies onderkennen? Het zijn niet altijd brieven die geschreven worden, het zijn soms maar een paar woorden die gesproken worden tot een kerkeraadslid of een gewoon lid van een vacante gemeente, en zie, zulk een zijdelingsche wenk heeft zooveel uitgewerkt, dat het beroep op den „sollicitant" wordt uitgebracht! Neen, door de kerkelijke rechtspraak zijn zulke dingen niet te achtervolgen. Maar er is nog een hoogste Rechter, voor Wien een ieder in zijn consciëntie beve! 't Moet wel door ons afgekeurd worden, maar het behoeft toch niet te bevreemden dat uit sommige kringen de begeerte op komt om er maar een eerlijk solliciteeren van te maken en dit wettelijk te regelen! Dan zou aan al die vrome oneerlijkheid voor goed een einde zijn gemaakt. Wij kunnen wel begrijpen dat een leeraar soms gaarne van standplaats verwisselen zou, ook al omdat hij een huisgezin heeft en een hooger tractement hem zeer welkom zou zijn, of omdat een grooter arbeidsveld door hem begeerd wordt. Maar dat weet ook de Heere! Een biddend mensch zal ook consciëntieus leven met het ambt dat hij van zijn Zender ontvangen heeft! Het is een ambt, dat hij bekleedt. Hij make er geen „betrekking'' van. Voor alle ambtsdragers, ook voor de kerkeraadsleden van een vacante gemeente geldt: Leg niemand haastig de handen op, wees voorzichtig in uw werk en heb geen gemeenschap met anderer zonden, ga nooit op bedekte sollicitaties in, bewaar u van zulke zonden rein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT- VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's