GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (19)
In dezelfde uitgave der Institutie van 1543 bespreekt hij verder de verschillende verkiezingsmethodes van de oude Kerk. Volgens zijn meening is die van het Concilie van Laodicea de beste. (Inst. IV. 4. 12). Daar echter zooveel hoofden bijna niet tot een eenstemmig besluit kunnen komen, zoo heet het daar, woordelijk aan de uitgave van 1536 aansluitend, kan men het gevaar het best door het volgende middel tegengaan; eerst kiezen alleen de geestelijken en stellen den gekozene aan de Overheid voor. Deze bekrachtigt de keus of kiest zelf iemand, die het meer waard is. Dan moet de gemeente kiezen, die wel door de voorafgegane beslissingen niet is gebonden, maar nu minder onrust kan veroorzaken.
Dit is in hoofdzaak de verkiezingsmethode, die in Geneve werkelijkheid is geworden. Uit het presidium der predikanten is niet een op zich zelf staand verkiezingscollege ontstaan, met het recht, iemand voor te dragen. De gemeente heeft nog steeds vrije beslissing, maar Calvijn geeft eerlijk dat deze door het recht, iemand voor te dragen, in zeer hooge mate beperkt wordt. De wereldlijke macht verschijnt weer en heeft minstens vetorecht; ja, de tekst laat de uitlegging toe, dat zij zonder meer een nieuwen candidaat kan stellen. Deze medewerking der wereldlijke macht is evenwel essentieel onderscheiden van het plan van 1536. Daar bestond de mogelijkheid, den candidaat eenduidig te benoemen, hier is de Raad der stad slechts onderdeel van een tamelijk wijdloopige rechtshandeling; hier staat zij naast het college der predikanten en der gemeente. In 1536 had Calvijn nog geen politieke ervaring, de gedachten zijn losjes aan eIkander verbonden en laten een wijde speelruimte open; maar in 1543 geeft hij een volgens de wet scherp omlijnde verkiezingsmethode.
De vrijheid der Kerk is dan alleen gewaarborgd, wanneer de heele gemeente aandeel heeft aan de verkiezing, maar de eigenlijke beslissing moet een zoo beperkt mogelijke corporatie geven.
Op de goedkeuring der gemeente werd in Geneve door een toegevoegd edict van 1560 bizonder de nadruk gelegd. Tusschen de afkondiging en de installatie van den gekozene werd nu een termijn gesteld, waarin ieder gemeentelid bij den Stadsadvocaat bezwaren kon indienen. Deze goedkeuring der gansche gemeente gaf den eens gekozene ook een sterken ruggesteun tegenover de Overheid
Wij hebben gezien, waar het zwakke punt van deze verkiezingsmethode lag: predikanten en Raad moesten onvoorwaardelijk tot overeenstemming komen. Calvijn heeft dat heel juist ingezien en heeft een candidaat dien hij zelf geschikt achtte, den Raad helemaal niet eerst voorgesteld, als hij wist dat deze hem niet zou aannemen. Zóó heeft hij feitelijk iederen candidaat, dien hij voordroeg, er door kunnen krijgen. Calvijns onafhankelijkheid in de leiding der Kerk is door zijn vrienden eerlijk, door zijn tegenstanders tendentieus overschat, omdat hij geen wensch kon laten varen, waarvan hij wist dat deze op te sterk verzet zou stuiten. Het onmogelijke niet eerst te willen, om het mogelijke des te zekerder te bereiken — dat is het geheim der politiek, waaraan ook Calvijn zijn successen te danken had.
Het meest zichtbare teeken voor de vrijheid der Kerk, het recht van den ban, is het hevigst bestreden. Calvijns doel was een zelfstandige geestelijke rechtsspraak, met volkomen recht van den ban; de wereldlijke macht moest daarbij voor de voltrekking hulp verleenen. (Inst. IV. II ; I, 3.). Het is bekend dat Calvijn op dit punt zijn plannen niet geheel heeft kunnen verwezenlijken. Zie C. A. Cornelius. Historische Arbeiten, fornehmlich zur Reformations Zeit. Leipzig, 1899. De Raad heeft in zijn pogen, om een concurreerende geestelijke rechtsspraak zoo veel mogelijk uit te schakelen, zooveel waarborgen gemaakt, dat nu het recht van den ban niet eens duidelijk was uitgesproken. Een moeilijkheid lag in den aard der zaak: bijna alle strafzaken, waarover de wereldlijke rechtbank besliste, hadden ook een kerkelijke vermaning of straf tengevolge, en behoorden dus óók voor den Kerkeraad. Daar de Raad deze zaken dadelijk haastig aan zich trok, en er het eindoordeel over uitsprak, kon het onderzoek voor den Kerkeraad pas later volgen. Dat geleek dan echter op een herziening bij tweede instantie. De Raad probeerde dat onderzoek uit te schakelen, door te besluiten, dat zaken, welke voor den wereldlijken rechter waren afgedaan, alleen dan nog voor den Kerkeraad zouden komen, wanneer het een hardnekkigen zondaar betrof. Calvijn wendde al zijn invloed aan en verscheen voor den Raad, om aan te toonen, dat dit besluit de kerkelijke tucht volkomen vernietigde. Hij zeide, dat de Kerkeraad er niet aan dacht, de souvereiniteit van den Raad aan te tasten, dat deze zelf onder de wereldlijke rechtbank stond, evenals de geringste in Geneve. (Notulen van den Raad van 29 Maart 1547). Zóó werd dit gevaar voor de vrijheid der kerkelijke tucht afgewend.
Het geval Caspard Favre is niet van veel beteekenis, maar het laat typisch zien, hoe wereldlijke en geestelijke rechtsspraak samenwerkten en Iaat tegelijk de opvattingen der oppositie tegen de Ordonnances en den regeerenden Raad zien. Caspard Favre werd door den Raad met gevangenis gestraft en toen voor den Kerkeraad gebracht „pou avoir repentance" (om berouw te toonen). Daar weigerde hij te antwoorden, omdat hij zich alleen maar voor den stadsadvocaat en de raadsheeren wilde verantwoorden. Als hardnekkig zondaar werd hij toen in den ban gedaan! (Notulen van den Kerkeraad van 4 Maart 1546). Nu bezocht hij ook de godsdienstoefening niet, hoewel de ban hem in 't geheel niet belette daaraan deel te nemen. Hij werd voor de tweede maal voor den Kerkeraad gedagvaard, toonde zich echter wéér wederspannig. Ten slotte werd de zaak aan den Raad der stad voorgelegd; deze legde straf op. (Notulen van den Kerkeraad van 17 Juni 1546; Notulen van den Raad der stad van 18 Juni 1546).
Bij de aanvaarding der O r d o n n a n c e s was over het recht van den ban nog geen definitieve beslissing geveld. In alle omliggende steden had de Raad der stad het recht van den kerkelijken ban. Het was een groot offer voor de wereldlijke macht, als deze den ban aan den Kerkeraad overliet; en nog gedurende de beraadslagingen over de Ordonnances zeiden de leden van de commissie voor de Kerkordening in 't geheim tot de raadsheeren, zich dit recht niet uit handen te laten nemen. Voorloopig kon Calvijn een halfbevredigende oplossing tot stand brengen, maar ook deze concessie was te véél voor den Raad! Deze probeerde spoedig, om een verandering aan te brengen, door een der stadsadvocaten aan Calvijn te laten verklaren, dat de Raad zich zelf, het recht van den ban voorbehield. Calvijns energiek verzet deed den Raad echter van zijn plan afzien.
De definitieve, principieele strijd over het recht van den ban brak uit met het geval Berthelier. Deze was door den Kerkeraad in den ban gedaan, maar de Raad besloot, dat hij toch het Avondmaal zou ontvangen. Bezwaren, welke Calvijn inbracht, hadden geen succes. Het gaat hier niet alleen om het boven reeds aangeduide hiaat. De Raad weigerde den Kerkeraad niet enkel zijn macht om te straffen, maar hij trad ook handelend op en vernietigde het vonnis uitdrukkelijk. Daar deze ban door den Raad van het voorafgaande jaar juist als gerechtigd was erkend, kon zich de nu aanwezige raad ook niet met reden op de twijfelachtige paragraaf der O r d o n n a n c e s beroepen. Voor de partij Berthelier draaide de strijd om de authentieke uitlegging van de Kerkordening. Voor Calvijn stond deze uitlegging vast en hij had de gewoonte van tien jaren aan zijn zijde. Voor hem ging het om een verandering van de verordening. Kon de Raad van Vijfentwintig zijn meening ingang doen vinden en ontving Berthelier het Avondmaal, dan was dat een staatsgreep van den Kleinen Raad! Daarom eischte Calvijn de samenroeping van de algemeene vergadering der burgers.
Gedurende de kritieke dagen stond Calvijn voor een moeilijke kwestie. Een Katholieke Bisschop zou in zoo'n geval het interdict over de stad hebben kunnen uitspreken, maar Calvijn had geen rechtsmiddel tot zijn beschikking, als de Raad bij zijn besluit bleef. Hij wist zeer goed, zoo rechtvaardigt hij zijn houding voor de Züricher predikanten, dat de ban een niet uitgemaakte kwestie was, en dat hij niet overal in de Christenheid zoo werd aangewend. Maar geen christen keurde den Geneefschen vorm af. Voor hem zelf was het recht van den ban leering van Christus. Waar de geestelijke macht het in weerwil van alle inspanningen niet had kunnen bereiken, stond de zaak anders dan in Geneve. Maar het zou schandelijke plichtsverzaking zijn, als hij het gebouw, dat Christus hem ter bescherming had toevertrouwd, voor zijn oogen liet verwoesten. — Dat beteekent dus, dat hij ten volle erkent, dat ook daar de ware Kerk is, waar deze Kerk geen recht van den ban heeft. Woord en Sacrament konden ook zonder die tucht, hoewel moeilijker, verder goed bediend worden. Calvijn had in 1541 alleen op deze voorwaarde beloofd, in Geneve te komen: dat een tuchtverordening zou worden doorgevoerd. Het was een bewijs van zeer groot persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel, toen hij zelf, met de Kerke-ordening, de stad wilde verlaten. Voorloopig werd de kwestie niet principieel opgelost. In het geval Berthelier zegevierde Calvijn, maar pas in 1555 kon hij zeggen, dat het recht van den ban vast verzekerd was.
De tucht-regeling had nóg een leemte: Wat moest er gebeuren, wanneer een zondaar zich niet om den ban bekommerde en ook geen moeite deed, weer in de gemeente opgenomen te worden? Deze leemte kenmerkt Calvijns geloof aan zijn werk. Hij hield het bijna niet voor mogelijk, dat iemand zóó verdorven zou kunnen zijn! Toch bleek spoedig, dat hier iets moest gedaan worden, om aan het vonnis van den Kerkeraad de noodige kracht bij te zetten. Een aanvullingsedict van 1557 bepaalde daarom, dat ieder, die in den ban gedaan, was, binnen een jaar aan den Kerkeraad vergeving moest hebben gevraagd. Wil iemand dat niet doen, dan wordt de zaak voor den Raad der stad gebracht en de hardnekkige voor een jaar verbannen, als hij niet op het laatste oogenblik nog berouw toont. Dat was de geheel bevredigende beëindiging van de wetgeving betreffende den ban! (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's