De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

De netelige kwestie.
De ligging van België tusschen Nederland en Frankrijk is voor de veiligheid van ons land van enorm groote beteekenis. Dit is b.v. overduidelijk gebleken bij het uitbreken van den wereldoorlog in 1914 en ook tijdens den geheelen duur van dien oorlog.
Zou België geen zelfstandige mogendheid zijn geweest en had het, om de gedachte bij te bepalen, deel uitgemaakt van het Fransche grondgebied, dan zouden de Duitsche troepen door ons land zijn heengegaan en waren wij onherroepelijk in den oorlog betrokken geworden. Misschien zou ons land in dat geval zelfs als operatie-terrein van de strijdende partijen gediend hebben.
België is alzoo door zijn ligging, wat men noemt, het stootkussen tusschen Frankrijk en Nederland, wat ook van dien kant de veiligheid verhoogt.
Bestond een gelijke toestand aan onze Oostergrens en was ook daar een z.g. bufferstaat tusschen ons land en Duitschland gelegen, dan zou dit in de jaren, die achter ons liggen, onze militaire positie heel wat aangenamer en gemakkelijker hebben gemaakt.
In het licht nu van deze staatkundige ligging van België, zoo ten opzichte van Frankrijk als van Nederland, hebben wij ook te zien het Nederlandsch-Belgisch verdrag, dat op dit oogenblik schier aller aandacht bezighoudt.
Tegenover al de bezwaren en bedenkingen, welke dit verdrag met zich brengt en die zeker geen denkbeeldige zijn, wordt, naar het ons voorkomt, te veel uit het oog verloren dat het ook in het belang van Nederland is, dat aan België wordt mogelijk gemaakt zich als souvereine Staat te blijven handhaven.
En voorzoover Nederland dit in zijn hand heeft, of kan bevorderen, ook ten behoeve van de goede verstandhouding tusschen de beide landen, behoort de helpende hand te worden uitgestoken. Dit bedoelt natuurlijk niet, dat wij daarbij zoover moeten gaan, dat wij daarmede onze waardigheid als volk te grabbel gooien. In geenen deele.
Het Nederlandsch-Belgisch verdrag zal op onderscheidene punten nog wijziging hebben te ondergaan. Maar wat wij wenschen te doen uitkomen is dit, dat het zoo netelige vraagstuk, dat thans aan de orde is, niet alleen van zijn economischen en financiëelen, doch ook van zijn politieken kant, zoo nationaal als internationaal, moet in oogenschouw worden genomen. Alleen als men zoo handelt, wordt het ware landsbelang gediend.

Merkwaardige dingen.
In »Koers Houden«, het orgaan voor jonge menschen ter verdieping van het historisch Hervormd besef, nauw verwant aan de Confessioneele Vereeniging, kan men dikmaals merkwaardige dingen lezen. Zoo b.v. in de »Kroniek van den Dag«, geschreven door het hoofd der Christelijke School te Den Burg (Texel), den heer Eelderink. Een dezer merkwaardigheden vinden wij in het nummer van het blad van 27 Mei 1.1 Daar schrijft de heer Eelderink:
Tracht u, lezer, in te denken een daglooner, die met een groot gezin gezegend is en een schraal loont verdient, terwijl zijn „baas" in weelde baadt, en denk dan het mogelijke geval, dat op het eind der week de daglooner zou zeggen: „baas, houd je centen maar, ik werk van de week voor niets". Indien ge u dat in kunt denken en dan niet de conclusie trekt, dat die arbeider een mankement in zijn bovenkamer heeft, dan kunt ge u precies voorstellen, hoe het er in het gemoed der bestuurders der kerkelijke gemeente Amsterdam boven het IJ uitziet. Ds. Lingbeek had in de Tweede Kamer een lans gebroken voor rijkssubsidie voor die kerkelijke gemeente en kreeg ten antwoord, dat die gemeente het plan niet had rijkssubsidie aan te vragen. Die gemeente mag nog wel eens bij dr. Kromsigt van Amsterdam op bezoek gaan om van hem te leeren, dat de Staat verplicht is de voedsterheer der Kerk te zijn en dat de woorden uit Artikel 36: »en de hand te houden aan den heiligen kerkedienst«, geen doode letteren, maar woorden ook voor onzen tijd zijn.
Tot zoover de schrijver van de »Kroniek van den Dag«.
Nu laten wij maar onbesproken de ietwat vreemdsoortige wijze, waarop de opmerking ten aanzien van de verhouding van Staat en Kerk wordt ingeleid, die tegenstelling van den in weelde badenden Staat der Nederlanden en de Hervormde Kerk, die maar een schraal loon verdient, benevens die minder vleiende vergelijking tus­schen wat in het gemoed der bestuurderen der kerkelijke gemeente boven het IJ leeft en het mankement, dat zich bij den arbeider in zijn bovenkamer voordoet.
Maar waarvan wèl iets moet gezegd worden en dat juist het merkwaardige van het stuk van den Kroniekschrijver doet uitkomen, is in de eerste plaats het standje, dat hij het bestuur van de kerkelijke gemeente boven het IJ maakt, omdat dit bestuur zelf zijne financieele zaken, zonder inmenging van de Overheid, wil regelen. Volgens den Kroniekschrijver mag dit natuurlijk niet. De Hervormde Kerk mag niet op eigen beenen staan, maar behoort op de schouders van den Staat te leunen, waarbij dan het advies van dr. Kromsigt niet kan worden gemist. Natuurlijk behoort dit alles zoo te gebeuren, omdat Artikel 36 dit voorschrijft.
En in de tweede plaats, dat wat gezegd wordt over den Staat, de voedsterheer der Kerk, met de daaraan toegevoegde opmerking : »en de hand houden aan den heiligen Kerkedienst«. 
Op een andere plaats in ons blad is in den breede gehandeld over de beteekenis en den inhoud van Artikel 36. Wij kunnen daarom volstaan met er ditmaal onze verwondering over uit te spreken, dat de heer Eelderink, evenmin als dit ooit een van zijn partijgenooten deed, duidelijk maakt, op welke wijze de Staat practisch de hand aan den Kerkedienst heeft te houden. Het blijven altijd maar termen, welke men uit de kringen van de Herv. Staatspartijers te hooren krijgt. De tekst is wel aanwezig, maar de uitleg ontbreekt.

De totalisator.
De poging van den Vrijheidsbond in de Tweede Kamer, om het totalisatorsverbod uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt te krijgen, is niet gelukt. Van onderscheidene kanten werd de motie van den heer Van Rappardj die daarvoor moest dienen, bestreden.
Op den voorgrond stond bij aller bestrijding de demoraliseerende invloed van het spel, dat op de renbaan, bij schrapping van het verbod, weer in eere zou worden hersteld en het sanctioneeren van het kwaad, dat de Overheid weer zou hebben toe te laten.
Maar niet alleen verzette de Kamer zich tegen het voorstel van den Vrijheidsbond, ook Minister Donner bestreed de motie met alle kracht. Hij verklaarde, zoowel tegen bookmaker als tegen totalisator, zo sterk mogelijk afwijzend te slaan.
Evenals in anderen vorm bij de prostitutie het reglementeeren van het kwaad in het geding was, zoo stond het ook nu met bookmaker en totalisator.
Aan het opheffen van het verbod mocht de Overheid niet medewerken. Wij verheugen ons over het krachtig getuigenis van Regeering en Kamer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's