KERKELIJKE RONDSCHOUW
Een vuil stukje.
Zaterdag 12 Juni j.l. hadden we te Rotterdam het voorrecht, dat er een „landdag" gehouden werd in de Oude Plantage, uitgaande van en georganiseerd door de Ned. Herv. jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag te Rotterdam ca.
Er zit leven in den kring van „onze" jonge menschen, jongelingen en jongedochters; er zit moed en durf onder hen; en ze zijn waard om geholpen en gesteund te worden! Ze zijn ook gesteund.
Want er waren Zaterdag velen, zéér velen gekomen, jongen en ouden, mannen en vrouwen, naar de Oude Plantage, om den „landdag" bij te wonen en mee te maken, hoewel het weer niet uitlokte, ook niet de uren die vlak aan den aanvang der openluchtsamenkomst voorafgingen; zoodat men niet vlak voor den tijd door het vriendelijk zonlicht werd opgewekt en aangemoedigd, neen, veeleer afgeschrikt; maar men is toch gegaan, men is toch gekomen, en toen Ds. van der Snoek met een ernstig, ook geestig woord, opende waren alle stoelen en banken bezet en velen stonden in dichte rijen op het uitgestrekte terrein.
Jammer dat het toen zoo begon te regenen.
Ook toen Ds. Remme in gespierde taal, met zijn schoone dictie, z'n toespraak: „Waakt en bidt" hield, regende het; ja, toen begon het zóó overvloedig te regenen, dat men de openlucht-samenkomst moest opheffen, om in de groote restauratiezaal, met de breede waranda aan beide zijden, te schuilen, waar wij toen onze toespraak hebben gehouden, spreker en hoorders schouder aan schouder staande, opgepakt als haringen in een ton.
Gelukkig werd het daarna droog. We konden weer naar buiten, waar Ds. v. Lokhorst zijn goed verzorgd opwekkend woord: „De Vaan ontplooid" kon spreken, waarnaar allen, die toen weer zaten en stonden op het grasveld, aandachtig luisterden.
Wel veel regen — maar toch is de landdag niet „in 't water gevallen", want de Heere heeft het waarlijk in alles wèl gemaakt en heeft onze gebeden genadiglijk verhoord!
Toch heeft men onzen landdag willen belemmeren en verstoren. En daar doelen we op, als we schrijven „een vuil stukje". Wat toch is er gebeurd?
De Hervormde (Geref). Staats-partij, heeft door middel van de afd. Kralingen een circulaire opgesteld geteekend namens het Bestuur der Hervormde (Geref.) Staatspartij (met groote letters gedrukt) afd. Kralingen (met kleine letters gedrukt), welke circulaire vlak aan den ingang van het terrein aan de bezoekers gratis werd uitgereikt.
Om propaganda te maken voor de Hervormde (Geref.) Staatspartij ? Neen, dat niet. Was dat het geval geweest, dan hadden we het „verkeerd", „ongepast", „brutaal" genoemd, maar niet vuil. Dat we het nu vuil noemen, vindt z'n oorzaak hierin, dat het stuk begint, in sprekende letters gedrukt, met:
Aan alle Waarheidsvrienden en Vriendinnen van den Bond van Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag van den ring „Rotterdam." Dat moest natuurlijk de gedachte wekken bij de bezoekers, die geestverwanten zijn van den Geref. Bond, van den Geref. Zendingsbond en van den Geref. Bond van Jongelings-en Jongedochtersvereenigingen, dat hier een vriendelijk woord in betrekking tot en in het belang van „De Waarheidsvriend" en van onzen Bond van Jongel. Vereenigingen werd ter hand gesteld. En ziet, dat was het niet, ook al luidde de aanhef:
„L.S. Hartelijk welkom op Uwen Landdag! Het is een oorzaak van blijdschap, dat gij opgekomen zijt naar dezen Landdag, om bezielende woorden te hooren spreken door H.H. Predikanten enz."
Neen, het was niet een sympathiek woord in 't belang van onze Geref. actie. Het was geen woord van blijdschap. Het was een onbenullig gesteld stuk, vol verdachtmaking, vol haat en nijd tegen onze Geref. actie. „Onbenullig" zeiden we daar. En ja, dat is 't stuk.
Want als men begonnen is met te zeggen: „Het is een oorzaak van blijdschap, dat gij opgekomen zijt", dan volgt er: „Met blijdschap zeiden wij, maar wanneer wij dat zeggen is ook ons hart met droefheid vervuld, omdat, wanneer wij den aanhef van de hand van Ds. M. van Grieken (met groote letters gedrukt!), in het Programmaboekje lezen enz." enz." Toen men „den aanhef van de hand van Ds. M. van Grieken" (groote letters !) gelezen had was het harte met droefheid vervuld.
Kan het onbenulliger? Wie barst er nu in tranen uit, als hij „een aanhef van een hand" leest?
Zulke menschen zitten blijkbaar alleen in het midden van de Herv. (Geref.) Staatspartij. Daar schijnt men nog al veel last te hebben van droefheid en makkelijk te zijn in 't storten van tranen.
Intusschen merkt men nu wel wat 't stuk bedoelde, 't Was een onbenullig, vuil stuk om onder den schoonen schijn, als gericht te zijn aan „de Waarheidsvrienden", te waarschuwen tegen Ds. van Grieken als „politiek man", omdat, zoo schrijft men, nu gebleken is — uit den aanhef van zijn hand in het Programmaboekje — „dat er een politieke ondergrond bij den opzet van dezen Landdag aanwezig is en U om den tuin geleid wordt aangaande Uw komen tot dezen Landdag." Daarom stonden dus die propagandisten bij den ingang! Zij zouden het politiek bedrog van dezen Landdag ontmaskeren!
Maar wat hebben ze dan gelezen „in den aanhef van de hand van Ds. van Grieken in het Programmaboekje"?
Het Programmaboekje heeft een inleidend woord van Ds. van Grieken, dat aldus aanvangt: „Het eerste artikel van ons aller heiligst Christelijk geloof, dat heel de algemeene Christelijke Kerk, Roomsch, Hervormd en Luthersch saam, eigen is, luidt: ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde."
Dat is het wat hun hart in droefheid ontstoken heeft. Want hier handelt Ds. van Grieken in strijd met „De Drie Formulieren van Eenigheid" en hier worden „weggedoezeld de artikelen 27 tot 29 van de heerlijke Nederl. Gel. belijdenis onzer Vaderen, waar gesproken wordt van twee Kerken, de Ware en de Valsche Kerk". Kan het onbenulliger? Kent men, waar hier sprake is van het eerste artikel van ons allerheiligst. Christelijk geloof, blijkbaar niet eens de Apostolische Geloofsbelijdenis? Heelemaal over 't hoofd gezien natuurlijk! En daarom komt men aansjouwen met art. 27—29 van de Nederl. Gel. belijdenis, zelf niet voelend, dat het hier, in dit verband, kant noch wal raakt.
En dan zegt men: „Wij moeten U hierop wijzen, omdat wij ons geweten moeten vrijmaken tegenover God en onze Medeleden der Hervormde Kerk." Om te lachen! Wat solt men soms met „het geweten" en wat schermt men soms met „De Drie Formulieren van Eenigheid", als het kant noch wal raakt! Maar aan dat alles hebben wij nu die vuile circulaire vol verdachtmaking aangaande onzen Landdag en aangaande de predikanten Ds. v. d. Snoek, Ds. Remme, Ds. van Grieken en Ds. van Lokhorst, te danken! Zaterdag 12 Juni, de dag van onzen mooien Landdag in de Oude Plantage te Rotterdam, is weer een nieuwe zwarte dag voor de Hervormd (Geref.) Staatspartij. Men mag er op rekenen, dat men in Rotterdam van deze circulaire plezier zal beleven.
Volledigheidshalve willen we er nog dit bijzeggen. De Regelingscommissie van onzen Landdag heeft, toen de vertegenwoordigers van de Herv. (Geref.) Staatspartij zich al vroeg, lang voor den aanvang, vlak voor den ingang van het terrein opstelden, de politie opgebeld. Die heeft de dappere helden een weinigje ter zijde gesteld, maar kon er verder niets aan doen. Zelf hebben we, toen wij van 't moois in kennis waren gesteld, Ds. den Hertog opgebeld en hem gevraagd, of hij de mannen van rijn partij niet bewegen kon naar huis te gaan. Ds. den Hertog is er aanstonds heengegaan, maar de mannen verdwenen niet.
Toen hebben wij zelf de mannen aangesproken en hun gevraagd te willen heengaan. Ze bleven echter nog een poosje. Even later zijn ze afgedropen. "Helden — die geen helden waren".
Eén groote klacht over de verhouding van Staat en Kerk.
't Is een gewichtig vraagstuk, dat van de verhouding van Staat en Kerk. En het is jammer, dat er in het midden van de Ned. herv. Kerk maar geen schot wil komen onder de confessioneelen met name, die zich in deze maar blijven bedienen van groote woorden, waaraan niemand ten slotte houvast heeft; hoewel heel veel menschen dat toch maar de „getrouwen" vinden, omdat zij van den Staat eischein, dat hij de Kerk onderhoudt, beschermt, uitbreidt enz. enz. We zagen het pas nog in het stukje van den heer Eelderink, Hoofd der Chr. School te Den Burg (Texel), voorkomend in „Koers Houden", het orgaan voor jonge menschen ter verdieping van het historisch Hervormd besef à la de Confess. Vereeniging. (Zie onze rubriek „Staat en Maatschappij" vorig no. van „de Waarheidsvriend").
Wordt men nu nooit wijs? Men weet zelf van de ellende, die aan de begeerde verhouding van Staat en Kerk verbonden is. En toch blijft men maar in denzelfden toon voortpraten, als ware 't het meest begeerlijk goed voor de Kerk dat de Staat zich met alles bemoeit en voor alles zorgt. Dat men van de ellende weet, bewijst Ds. Lingbeek in de laatste „Vragenbus" in „De GereL Kerk". Hij schrijft daar:
„Wij zitten thans reeds honderd en tien jaar onder de organisatie van 1816, een door den Koning aan de Kerk opgelegde inrichting, wier eigenaardigheid is, dat zij de Kerk verhindert, in haar geheel als Kerk te leven. Honderd en tien jaar is lang! Maar hoe lang heeft het geduurd, eer het is gelukt om op die wijze de Kerk onder den band te brengen? De eerste pogingen daartoe zijn gedaan reeds in 1579! Toen heeft men een staatskerkenorde aan de Hervormde Kerk in Nederland willen opleggen. Op klacht van de Kerk heeft Prins Willem de Zwijger die pogingen toen verijdeld. Waar in 1595 zijn Van Oldenbarneveldt en Hugo de Groot er weer mee begonnen en tijdelijk zijn ze er zelfs in geslaagd. Tot op den tijd der Dordtsche Synode heeft in vele deelen onzer Hervormde Kerk de „politieke kerkenorde" van 1595 gevigeerd. Dat werk is toen verbroken In 1618, maar toch nooit geheel. Nooit heeft de Kerk na 1618 van de Overheid vergunning kunnen krijgen om in Nationale Synode opnieuw samen te komen. En altoos bleef er een partij op bedacht, om de Hervormde Kerk nog eens geheel te knevelen en om haar dan zulk een inrichting te geven, waardoor haar zelfs de mogelijkheid werd ontnomen om ooit weer in kerkelijke vergaderingen saam te komen. Sommige lieden hebben gemeend, dat de organisatie van 1816 alleen voort kwam uit een gril van den Koning, die de Hervormde Kerk naar Duitsch model wilde inrichten.
Maar Hoedemaker heeft (met aanhalingen uit het kerkhistorisch werk van IJpey en Dermout) uit de historie aangetoond, dat vóór er een koning Willem I was en nog vóór de Fransche revolutie uitbrak, er in Staat en Kerk een machtige partij was, die het er welbewust op aanlegde, dat er nooit weer een uitspraak der Kerk, in Synode gedaan, zou worden gehoord.
Dat streven ontving zijn kroon in 1816, toen de Hervormde Kerk den muilband ontving, dien zij nu honderd en tien jaren draagt. Honderd en tien jaar is lang. Maar aan den band was met tusschenpoozen gewerkt van 1579 af; dus tweehonderd en zeven en dertig jaren lang."
Als men nu deze woorden van Ds. Lingbeek hoort, zou men zoo zeggen: nu zullen de Confessioneelen wel oog gekregen hebben voor de rechte verhouding van Staat en Kerk en zullen ze vragen nu, om de vrijheid der Kerk; om, onafhankelijk van den Staat, vrij te mogen staan op eigen terrein, onder het regiment van Koning Jezus, Die bekleed is met alle macht in den hemel en op de aarde — maar niets daarvan.
De Staat moet tractementen geven; kindergelden; onkosten voor kerkelijke vergaderingen; nieuwe predikantsplaatsen stichten; de opleiding van predikanten bekostigen; hoogleeraren in de theologie benoemen enz. enz., waarbij dan de Ned. Herv. Kerk de publieke Kerk moet zijn en blijven, met negeeren van andere Kerkgenootschappen! Zóó blijft men zelf een strik spannen, om de vrijheid van de Kerk te belemmeren en men gaat voort om dien strik te versterken, om dien strik hoe langer hoe vaster toe te halen.
We hebben nu al, mee door de dapperheid van Ds. Lingbeek, een Roomschen Minister van Onderwijs, die de theol. hoogleeraren moet benoemen, noodig voor de opleiding en vorming van Hervormde dominees! Zal men nu misschien iets leeren, nu de Heere hoe langs hoe meer, hier en elders „aanschouwelijk-onderwijs" geeft?
Eerlijk? Er is dikwijls zoo weinig eerlijkheid onder de menschen. Er is dikwijls zoo velerlei valsch-getuigenis geven; ook door halve waarheden te spreken; ook door verdraaiing der dingen en scheeve voorstelling. Wat heeft Groen van Prinsterer niet telkens moeten klagen, dat men van z'n woorden verkeerde uitlegging gaf, om dan de dingen geheel valsch en verkeerd voor te stellen!
Zoo blijft er een hardnekkig gerucht gaan, van zekere zijde met opzet verspreid, dat de Antirevolutionairen Art. 36 van de Ned. Gel. belijdenis verwerpen; dat de Antirevolutionairen den neutralen Staat wenschen; dat de Antirevolutionairen scheiding van Staat en Kerk willen in den zin van de iiberalisten en een godsdienstloozen Staat — l'état athé — begeeren. Die dat zeggen, toonen, dat zij niet de minste waarde hechten aan 't woord, door de Antirevolutionairen zelf gesproken en dat ze niet in 't minst in eerlijkheid in de gedachtenwereld van de Antirevolutionairen willen ingaan. En dan zegt men maar wat — heel onwaar en heel onvriendelijk — waarbij natuurlijk hier en daar van dat leugen-gepraat wel wat blijft hangen. Waarom het trouwens juist die nobele propagandisten te doen is. Wij willen nog eens, om de wille van de zaak waarover het in het midden van ons Nederlandsche volk gaat, vragen, of men niet wat eerlijker, wat nobeler wil gaan handelen.
Om de zaak, waarom het gaat, te dienen!
Waarbij we intusschen allen, die nog steeds zulke oneerlijke beschouwingen aangaande de Antirevolutionairen moeten aanhooren, willen vragen: werp al die leugenartikelen en leugen-praat ver van u weg en onderzoek zelf de dingen eerlijk en ernstig, dan zult ge bemerken, dat de zaken héél anders staan, dan men u tot nu toe heeft willen wijs maken.
De oude Romeinen waren toch vroeger nog zoo dom niet! Want ze hadden dit spreekwoord: Mundus vult decipi, decipiatur ergo d.w.z. De wereld wil bedrogen zijn — laat ze dan bedrogen worden! Heeft het ook ons iets te zeggen? En zullen wij ons langer nog laten misleiden?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's