De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

L. L(indeboom) schrijft over
Vloeken als misdrijf bij de Wet verboden het volgende in „De Wachter" :
„Er zijn Nederlandsche gemeenten welke bij verordening een vloekverbod hebben ingevoerd. Ze zijn nog niet talrijk en inmiddels wordt ook hier, als tegen drankmisbruik, voortdurend tegen het vloeken gepropageerd. In de postkantoren, op de stations, op meer plaatsen. Ook die propaganda heeft stellig effect en het is altijd haar mooie kant dat zij tot zelfopvoeding opwekt. Dat gaat langzaam, maar de invloed van die propaganda is al wel te merken. Het vloeken was den Nederlander zoo iets heel gewoons geworden!
Italië zou het vloeken nu al wettelijk willen verbieden. De Italiaansche Katholieke afgevaardigde Mecarini heeft er den minister van Justitie om gevraagd. Hij zou in het nieuwe wetboek van strafrecht een artikel willen laten opnemen waarin het vloeken strafbaar wordt gesteld, daar het een ernstige zonde is, een bewijs van slechte opvoeding, een beleediging van het gevoel der geloovigen en een aanslag op de schoonheid van de Italiaansche taal. In haar schriftelijk antwoord heeft de Italiaansche regeering medegedeeld, dat zij overtuigd is van de noodzakelijkheid van de bestrijding van het vloeken, en dat dus in het nieuwe wetboek van strafrecht het vloeken als misdrijf zal worden beschouwd".
Bovenstaande beschouwing en mededeeling aangaande het ijdel en lasterlijk gebruik van den Naam des H e e r e n, de schandelijke en gevaarlijke overtreding van het 3e gebod der heilige Wet, neem ik over uit de Kamper Ct. Dat „het vloeken den Nederlander zoo iets heel gewoons is geworden", is in z'n algemeenheid niet juist. Het Christen-volk vloekt niet. Wie in waarheid God vreest en voor Zijn Woord beeft — en zulke menschen Nederlanders zijn er, Gode zij dank, nog honderd duizenden — gebruikt „den Naam des H e e r e n, uws Gods" alleen met eerbied en ontzag voor de heilige Majesteit; uit geloof en liefde tot den Vader die in de hemelen is. Maar, ja, van het grootste deel onzer natie is het, helaas, waar: in huis, in gezelschap, op reis, soms ook in openbare vergaderingen, in boeken en bladen, overal en door rnenschen van allerlei staat en stand, wordt gevloekt. Zelfs door kleine kinderen op de straten, hoort ge Gods Naam misbruiken. Vrucht van huisleven zonder kennis van de H. Schrift, van Gods Wet en Evangelie, en dus zonder vreeze Gods: een leven naar den aard der zondige menschelijke natuur, in de wereld, naar de wereld en voor de wereld.
Daarom is het wel reden van blijdschap, dat de pogingen van den Nederlandschen Bond tegen het vloeken merkbaar goede gevolgen heeft. En dat zelfs de Regeering van Italië voornemens is het vloeken bij de wet tot misdrijf te verklaren, is een zeer opmerkelijk feit, dat alle Volkeren en Regeeringen tot navolging roept. 
„Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken. Want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijnen Naam ijdellijk gebruikt? Exodus 20 vs. 7.

In „De Heraut" schrijft Prof. H. H. Kuyper
Een vloekverbod.
Zooals dezer dagen uit Italië gemeld werd, is de regeering voornemens een vloekverbod uit te vaardigen, waarbij het vloeken in het openbaar strafbaar wordt gesteld. Al mag onder de motieven, die voor dit vloekverbod opgegeven worden, nu niet 't hoogste staan, dat door het vloeken „de schoone Italiaansche taal ontsierd wordt", toch neemt dit niet weg, dat we met waardeering deze poging van de Italiaansche regeering begroeten om aan het zoo ergerlijke vloeken een einde te maken. Men mag over het regiment van Mussolini met zijn dictatoriale allures denken zoo men wil, één ding staat wel vast, dat het aan zijn krachtig optreden te danken is geweest, dat aan menigen zedelijken misstand in Italië een einde is gemaakt, of althans, dat in de publieke moraliteit een groote verbetering is ingetreden. Wie Italië bezocht voor en na Mussolini's optreden heeft ruimschoots gelegenheid gehad dit op te merken. Een zedelijk reinigingsbad had het Italiaansche volk na den oorlog wel noodig, en zelfs een dictator kan men dankbaar zijn, wanneer hij zulk een bad weet toe te dienen aan een volk. Indien daartoe ook het vloekverbod mee kan helpen, dan zal dit aan het Italiaansche volk zeker geen schade doen.
Toch is het niet alleen daarom, dat wij op dezen nieuwen maatregel der Italiaansche regeering wijzen. Er is ook in ons eigen land nog altoos een sterk verzet, wanneer door gemeentebesturen het openbaar vloeken strafbaar wordt gesteld. Men komt dan met allerlei argumenten aan de persoonlijke vrijheid ontleend en vooral daaraan, dat de Overheid geen „zedemeester" moet spelen, om zulk een vloekverbod te bestrijden. Ook wij hebben liefst, dat de Overheid niet te veel als zedemeester optreedt, en hebben de persoonlijke vrijheid lief. Een overwinning over kwade volksgewoonten door zedelijke middelen achten we hooger winst dan door uitwendige strafmaatregelen. Maar ook hier overdrijve men dit vrijheidsprinciep niet te zeer. De Overheid is Gods dienaresse en heeft toch ook te. waken, dat op het terrein van het publieke leven Gods heilige naam niet door vloeken en lasteren onteerd wordt. In onzen Catechismus wordt dit uitdrukkelijk beleden, wanneer op de vraag: „Is het dan zoo groote zonde, Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over diegenen vertoornt, die zoo veel als het hun doenlijk is, het vloeken en lasteren niet helpen weren en verbieden? " — dit antwoord geeft: „Ja gewisselijk, want er is geen grooter zonde noch die God meer vertoornt, dan 4e lastering Zijns naams, waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft." Dit laatste moge een bepaling zijn van Israel's politieke wet, die voor onzen tijd niet meer in dien vorm geldt. Bovendien is het lasteren van Gods Naam, waarop bij Israel de doodstraf stond, nog iets anders dan het vloeken, zelfs dat wat wij noemen het „Godslasterlijke vloeken". Maar al laten we de wijze, waarop de vloeker door de overheid gestraft moet worden, geheel in het midden, onze Catechismus heeft volkomen gelijk, wanneer hij er op wijst, dat we zooveel het in onze macht staat, het vloeken en lasteren hebben te weren en te verbieden. Ook een Christelijke Overheid heeft die taak. En het is wel beschamend voor ons Protestantsche Nederland, dat het Roomsche Italië ons daarbij een voorbeeld zal geven.

Synodalia.
Er is op de aanstaande Classicale Vergadering, die staat gehouden te worden Woensdag 30 Juni a.s., eigenlijk niets bizonders te behandelen. Natuurlijk zijn er de bestuursverkiezingen, die zeer zeker vooral in bepaalde classicale ressorten, van belang zijn, soms van het allergrootst belang — maar overigens is er niets. Want wat er vanwege de Synode voorgelegd wordt heeft weinig of geen waarde, 't Is slechts één voorstel tot wetswijziging en wel: aanvulling van Artikel 70 van het Algemeen Reglement met deze woorden: 9o. het beslissen van geschillen over de uitlegging van het Reglement op de Predikantstractementen.
Ter toelichting schrijft de Synode: Het is gebleken, dat de meening wordt voorgestaan, als zouden de woorden "geschillen over de toepassing van het Reglement" in Artikel 28 van het Reglement op de Predikantstractementen, óók betrekking kunnen hebben op onderwerpen, waarover naar Artikel 15 van hetzelfde Reglement de Raad van Beroep beslist. Aangezien het niet de bedoeling geweest is, dat na een beslissing krachtens Artikel 15 door den Raad van Beroep een nieuwe beslissing door de Synodale Commissie werd mogelijk gemaakt, wordt voorgesteld door de schrapping der woorden "en de toepassing" (in Artikel 28 Reglement op de Predikantstractementen) klaarder te doen blijken van de oorspronkelijke bedoeling.
Het is wenschelijk, dat tevens onder hetgeen in Artikel 7< 3 van het Algemeen Reglement aan de Algemeene Synodale Commissie wordt opgedragen, óók de werkzaamheid bedoeld in Artikel 28 van het Reglement op de Predikantstractementen wordt genoemd.
Wij voor ons zouden zeggen, laat men dit voorste! maar aannemen. De eindelooze weg van beroep en hooger beroep bij uitlegging en beslissing inzake reglementen is zoo vermoeiend en zoo vruchteloos! Alleen voor menschen met een neus als een speurhond is het iets verrukkelijks als er nog weer beroep is van een beroep en hooger beroep van een hooger beroep, enz. 't Is net iets voor onruststokers en drukte-makers in de gemeente! En de Kerk heeft er zoo geweldig veel haat van!
Daarom zouden we zeggen, laat de taak van elk Bestuur maar zoo goed mogelijk afgebakend worden ('t eene »Bestuur« in onze Kerk zegt soms net precies het omgekeerde van het andere »Bestuur«) erw laat het dan maar »uit« zijn als het »uit « is in de kwestie waar het om gaat.
Maar wij bekennen gaarne, dat we in deze aangelegenheid — die we ook heelemaal niet hoog aanslaan en heelemaal niet zoo ernstig nemen — nog het noodige licht missen. Daarom geven we hier gaarne het woord aan anderen. Zoo schreef o.a. dr. Locher van Leiden in »KerkbIaadje« van 13 Juni het volgende:
Dezen keer hebben we in dat opzicht niet veel te behandelen; want de Synode heeft maar één wetsvoorstel de Kerk ingezonden, en dat wetsvoorstel is nu juist niet van zoo groot belang. Er was meer: de Synode was aangezocht eene commissie te benoemen om het vraagstuk der reorganisatie althans te onderzoeken; maar zij heeft met 10 tegen 9 stemmen zelfs zulk een onderzoek niet gewild. Het moet maar zoo blijven als het is! Wat ons dan wel is voorgesteld? Eene wijziging van Artitel 70 Alg. Reglement en tegelijk van Artikel 28 Reglement op de Predikantstractementen. Er is, zooals het nu staat, onzekerheid in de rechtspraak aangaande het Reglement op de Predikantstractementen. Die wil men wegnemen door aan den Raad van Beheer en dien van Beroep op te dragen de beslissing, wanneer het geldt de toepassing van dat Reglement, en aan de Algemeene Synodale Commissie die over de uitlegging van dat Reglement.
Of men daarmee van alle onzekerheid af is? Zal het niet dikwijls moeilijk zijn uit te maken of eene kwestie tot de uitlegging of tot de toepassing van dit Reglement behoort? Naar mijne meening zou 't misschien 't beste wezen, te bepalen dat de Raad van Beroep in tweede instantie beslist over alles, wat volgens genoemd Reglement is opgedragen aan den Raad van Beheer, maar dat men desnoods evenals bij andere kerkelijke procedures, van die beslissing herziening of vernietiging kan aanvragen wegens schennis of verkeerde toepassing der Reglementen. De Algemeene Synodale Commissie zou dan, zooals thans reeds in enkele gevallen, tegelijk eind-uitspraak moeten doen, daar er geen ander college is, waaraan die eind-uitspraak zou kunnen opgedragen worden.
Dit is mijne opinie. Ik geef ze voor beter. Maar ik wil gaarne, dat ze nog even overdacht worde. Wellicht wordt dan onze Kerk voor nog meer noodeloos geharrewar en juristisch geliefhebber gevrijwaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's